Relevante onderwerpen
Hoe zorg je ervoor dat ieder kind veilig, gezond en kansrijk kan opgroeien? Het antwoord ligt niet binnen de muren van de school alleen, maar juist in de samenwerking met alle mensen en organisaties die kinderen dagelijks omringen. Met de onlangs verschenen gids ‘Een stevige pedagogische basis’, ontwikkeld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, krijgen scholen, kinderopvang, gemeenten en welzijnsorganisaties concrete handvatten om samen een krachtig fundament te leggen. Voor...
AVS moedigt schoolleiders aan zich in hun maatschappelijke opdracht te verbinden aan partners die de schooldag van kinderen verrijken. We organiseren hier leergangen voor schoolleiders voor, nemen deel aan diverse beleidstafels en participeren in het netwerk voor kindcentra. Ook trekken we actief op met organisaties die zich inzetten voor een goede doorstroming van de voorschool naar het basisonderwijs. Graag wijzen we schoolleiders op de IKC-beleidsdag, die 17 december plaatsheeft in...
Het thema van de 11e Landelijke IKC-dag die plaatsvindt op vrijdag 20 september in het Van der Valk Hotel Utrecht luidt: ‘Het kind als bron’. ‘Het kind als bron’ is een pedagogische visie en vraagt wat kinderen nodig hebben om zich thuis en veilig te voelen. Laat je op deze IKC-dag inhoudelijk voeden met het laatste nieuws en de ontwikkelingen op het gebied van brede scholen en kindcentra, vanuit politiek, wetenschap en praktijk. Er is een ruime keuze aan deelsessies en masterclasses...
Het hangt ervan af aan wie je het vraagt.
Ouders zijn verplicht hun kind deel te laten nemen aan alle voor hen bestemde onderwijsactiviteiten. (artikel 41 lid 1 WPO en artikel 46 lid 1 WEC). Op hun beurt hebben scholen daarmee de verplichting de leerlingen op te vangen, omdat de kinderen volgens het lesrooster, opgenomen in de schoolgids, op de stakingsdag ingeroosterd staan. Daar staat tegenover dat medewerkers het recht hebben om te staken (artikel 6, lid 4 Europees Sociaal Handvest). Stakingen brengen altijd ongemak met zich mee.
Het ministerie gaat ervan uit dat de school voor opvang zorgt. Juristen zijn verdeeld over de kwestie. AVS pleit ervoor om vooral het gezonde verstand te gebruiken en goed te communiceren met de ouders: zorg ervoor dat de ouders ruim op tijd geïnformeerd worden zodat zij de tijd hebben om opvang te regelen.
Als al je medewerkers staken (en dat recht heeft elke medewerker), dan kan de school de facto niet opengaan voor opvang. Er is sprake van overmacht en ouders zullen zelf iets moeten regelen. Kijk of de kinderopvangorganisatie(s) waar je mee samenwerkt, iets kan (kunnen) betekenen. Wie opdraait voor de kosten van de opvang, is onduidelijk, maar het zou vreemd zijn als de school de opvang moet betalen.
Ook als niet al je medewerkers staken, kun je de school sluiten, zeker als er maar enkele medewerkers werkwillig zijn. Je kunt eventueel besluiten om de niet-stakende medewerkers de opvang te laten verrichten. Het gaat dan om de kinderen voor wie de ouders écht geen opvang kunnen regelen. Let wel: je mag van ouders verwachten dat zij zich serieus inspannen om zelf opvang voor hun kinderen te regelen!
Heb je nogal wat medewerkers die niet staken? Dan kun je overwegen om deze leerkrachten gewoon les te laten geven. Zij kunnen dan gelijk ook de kinderen opvangen voor wie de ouders écht geen opvang kunnen regelen.
Je mag geen uitzendkrachten of payrollmedewerkers inzetten om klassen op te vangen. Je mag wel eigen medewerkers vragen om extra te werken (bijvoorbeeld iemand die parttime werkt en wiens werkdag niet valt op de stakingsdag). Eenieder moet een persoonlijke afweging maken of het wel wenselijk is dat je als collega het werk overneemt van een stakende collega. Het weigeren van dit “invalwerk” is geoorloofd en kan nooit leiden tot sancties.
Tot slot, het is van groot belang dat je de ouders goed meeneemt in het waarom van de staking, en hen tijdig informeert over of er al dan niet opvang wordt verzorgd, hoe dit dan gebeurt en wie hiervoor de contactpersoon is.
15 oktober 2025
Het antwoord op deze vraag luidt: dat hangt ervan af… Het is echter wel van belang dat je je als directeur van een IKC verdiept in deze materie.
Iedereen die werkt op een plek waar kinderen worden opgevangen, moet zich registreren in het Personenregister kinderopvang (PRK), zegt de wet (artikel 1.48d lid 2 Wet kinderopvang).
Wie moet zich inschrijven?
– bestuurders en eigenaren van kinderopvangorganisaties (alleen natuurlijke personen);
– gastouders en hun volwassen huisgenoten;
– vaste en tijdelijke medewerkers, uitzendkrachten, stagiairs, vrijwilligers en zelfstandigen;
– administratief personeel met toegang tot gegevens van kinderen;
– iedereen die structureel aanwezig is tijdens opvanguren.
Onder “structureel aanwezig” wordt verstaan: minstens één keer in de drie maanden minimaal een halfuur tijdens opvanguren op de locatie aanwezig zijn (bijvoorbeeld de schoonmaakster maar ook een onderhoudsmedewerker van een installatiebedrijf die met enige regelmaat in de opvangtijd werkzaamheden komt uitvoeren).
Het betreft hier een richtlijn voor het begrip “structureel” – en dat is geen beleidsregel of definitie die antwoord geeft op alle voorkomende situaties. Je zult in de praktijk geregeld situaties meemaken die vragen om maatwerk. Wat altijd geldt is dat de kinderopvanghouder verantwoordelijk is voor het bieden van verantwoorde en veilige kinderopvang.
Wanneer de houder personen toegang verleent tot het kindcentrum, zal hij of zij zich altijd moeten afvragen wat dit betekent voor (de veiligheid van) de kinderen. Oók wanneer het om incidentele aanwezigheid gaat. Een houder heeft de mogelijkheid om een VOG te verlangen van iedereen met wie hij (op wat voor manier dan ook) voor de kinderopvang samenwerkt. Ziet de houder van deze mogelijkheid af, omdat hij of zij meent dat de veiligheid van de kinderen niet in het geding komt, dan moet hij of zij dit kunnen onderbouwen.
Het is niet de bedoeling dat de onderwijsmedewerkers van een IKC zich registreren in het PRK, ook al zou je kunnen denken dat die toch structureel op de locatie aanwezig zijn als kinderopvang en school zich in hetzelfde gebouw bevinden. De GGD GHOR Nederland heeft een Denklijn personenregister kinderopvang uitgewerkt. Daarin staan twee voorbeelden van situaties waarin de onderwijsmedewerker zich wel degelijk moet registreren in het PRK.
1. Een kindcentrum en een school zijn gevestigd op dezelfde locatie. Ze werken op diverse vlakken samen. Het onderwijspersoneel komt regelmatig op het kindcentrumdeel, bijvoorbeeld in het kader van gezamenlijke activiteiten. De onderwijsmedewerker die hierbij betrokken is, moet zich inschrijven in het PRK.
2. Een aantal peuters van het kindcentrum heeft regelmatig een activiteitenuurtje met de kinderen van groep 1 van de naastgelegen school. Daarvoor gaan ze naar de school toe. Tijdens de activiteit is de leerkracht er voor de kinderen uit groep 1 en begeleidt de beroepskracht zelf de peuters. De leerkracht moet zich inschrijven in het PRK.
Twijfel je? Neem contact op met de GGD GHOR Nederland (https://ggdghor.nl).
Heb je medewerkers die zich moeten inschrijven in het personenregister (PRK)? Dat kunnen zij alleen met een geldige Verklaring omtrent het gedrag (VOG). De VOG mag bij de inschrijving niet ouder zijn dan twee maanden. De VOG moet zijn afgegeven voor functieaspect 84 (zorg voor minderjarigen) en functieaspect 86 (kinderopvang). Als je medewerker ingeschreven is, moet hij of zij via het register een koppelverzoek naar de kinderopvangorganisatie sturen. Pas als de koppeling tot stand is gebracht, is de inschrijving in het PRK compleet.
Zorg ervoor dat je medewerker zich bewust is dat na inschrijving continue screening plaatsvindt door de Justitiële Informatiedienst (Justid). Er wordt doorlopend gecontroleerd of iemand strafbare feiten heeft gepleegd die niet samengaan met werken in de kinderopvang. Als een geregistreerde medewerker een strafbaar feit heeft gepleegd, dan krijgt DUO een signaal en wordt de kinderopvanghouder gewaarschuwd.
Continue screening gebeurt niet voor iemand die een VOG heeft aangevraagd voor en werkt in het onderwijs! Daarin zit ‘m dus een groot verschil met de kinderopvang.
Het antwoord op deze vraag is geactualiseerd op 2 oktober 2025
Het antwoord is: nee. Je kunt ouders dus geen verplichte TSO-bijdrage vragen als je een continurooster hanteert.
Indien de oudergeleding van de medezeggenschapsraad (OMR) heeft ingestemd met een verplichte aanwezigheid van leerlingen tijdens de lunchpauze en/of als de lunchpauze is aangemerkt als onderwijstijd, dan is er sprake van een continurooster.
Je mag wel een vrijwillige bijdrage aan de ouders vragen. De OMR heeft instemmingsbevoegdheid met betrekking tot de bestemming en de hoogte van de vrijwillige ouderbijdrage.
Tussen de middag krijgen de leerlingen de gelegenheid om te lunchen. Dit valt in principe niet onder de onderwijstijd. Onderwijstijd is kostbaar en wordt gedefinieerd als zijnde tijd dat er gewerkt wordt aan de kerndoelen. Wil je de lunchtijd toch laten meetellen als onderwijstijd? Houd dan rekening met de aanwijzingen van de Inspectie van het Onderwijs.
Deze veelgestelde vraag is geactualiseerd op: 12 augustus 2025
Ja! Artikel 45 van de Wet op het primair onderwijs (WPO) bepaalt dat het bevoegd gezag zorg draagt voor een voorziening voor leerlingen om de middagpauze onder toezicht door te brengen, indien ouders hierom verzoeken. De kosten* die hieruit voortvloeien, komen voor rekening van de ouders (artikel 45, lid 1 sub d WPO).
*Let op: artikel 45, lid 1 sub d WPO geldt niet bij een continurooster, want dan legt de school alle kinderen de verplichting op om op school te lunchen. Werk je met een continurooster? Dan kun je de kosten voor de tussenschoolse opvang niet verhalen op de ouders. Je zult de opvang zelf moeten bekostigen.
Deze veelgestelde vraag is geactualiseerd op: 12 augustus 2025
Ja, de Wet op het primair onderwijs (WPO) schrijft dit voor (zie artikel 45 lid 1a).
Scholen moeten van álle medewerkers een geldige VOG in het bezit hebben. Dat geldt ook voor de (vrijwillige) medewerkers die met het toezicht op leerlingen bij de tussenschoolse opvang zijn belast.
De medewerker overhandigt aan het bevoegd gezag een originele VOG (dus geen kopie), die niet ouder is dan 2 maanden.
Meer informatie vind je op de website van School en Veiligheid.
Het antwoord op deze vraag is geactualiseerd op 12 augustus 2025
In artikel 13, eerste lid, onder h van de Wet medezeggenschap op scholen (WMS) is bepaald dat een school alleen met instemming van de oudergeleding van de medezeggenschapsraad kan beslissen of de lunchtijd onder de onderwijstijd valt of niet.
Bovendien moeten ouders worden geraadpleegd voorafgaand aan het nemen van een besluit over het vaststellen van de onderwijstijd (artikel 15, derde lid Wet medezeggenschap op scholen (WMS).
(19-09-2024) Tussenschoolse opvang. Ouders betalen een bijdrage voor de kosten van het overblijven (toezicht en eventueel maaltijd die wordt verstrekt). Dit is wettelijk vastgelegd. De school mag bepalen hoe hoog die bijdrage is. De oudergeleding van de medezeggenschapsraad moet met het bedrag instemmen.
Continurooster. Op scholen met een continurooster moeten alle leerlingen tijdens de middagpauze verplicht op school blijven. De school is op dat moment verantwoordelijk voor het toezicht op de leerlingen. De school regelt én bekostigt het toezicht in de middagpauze. Er is in feite geen sprake van tussenschoolse opvang en ouders hoeven dan ook geen overblijfbijdrage te betalen. Wel mag de school een vrijwillige bijdrage in de kosten vragen.
Het is voor scholen en schoolbesturen niet altijd duidelijk of de gemeente deelneemt aan de Brede impuls combinatiefuncties en zo ja, hoe de gemeente dat gaat aanpakken. De schoolleider zal eerst na moeten gaan of de gemeente al in aanmerking komt voor deelname. Zie onderstaande lijst. Een manier om met de gemeente in contact te komen over combinatiefuncties is de Lokale Educatieve Agenda, een overleg tussen gemeente en onderwijsveld. Scholen kunnen ook zelf met hun gemeente contact opnemen. Samen met gemeenten en betrokkene organisaties kan het signaal gegeven worden dat ze eerder willen deelnemen. Het kan verder helpen als de school zich tot de gemeenteraad wendt met het verzoek om het College van B&W tot actie aan te zetten. Het verdient dus aanbeveling om als school zelf het initiatief te nemen, samen met de sport- of cultuursector. Op de website www.combinatiesfuncties.nl vindt u hierover meer informatie.
Op 10 december 2007 tekenden de Ministeries van VWS en OCW, de Vereniging Nederlandse Gemeenten, de Cultuurformatie en NOC*NSF het convenant ‘Impuls brede scholen, sport en cultuur’. De Impuls richtte zich op de realisatie van 2.500 nieuwe arbeidsplaatsen met functies waarbij één persoon in dienst is van één werkgever, maar werkzaam is binnen twee organisaties of sectoren. Een belangrijke doelstelling is dat kinderen en jongeren een sportaanbod krijgen waarbij ze minimaal vijf keer per week kunnen sporten. Dit aanbod wordt gecreëerd door zowel school als de sport. Daarnaast speelt de cultuur sector ook een rol. Wanneer deze drie sectoren met elkaar gaan samenwerken, kan er een aanbod ontstaan waarin kinderen en jongeren hun talenten kunnen laten zien, sociale contacten kunnen leggen en vooral heel veel plezier kunnen hebben. De activiteiten die georganiseerd worden zullen plaatsvinden op school, maar ook bij de sportvereniging. Deze verenigingen moeten dan echter ook op deze taak zijn berekend. Daarom zet het kabinet met de impuls in op het versterken van ongeveer 10 procent van de Nederlandse sportverenigingen. Het gaat er dus vooral om de sportverenigingen structureel versterken. Dit in combinatie met school, kunst- en de cultuursectoren, mede vanuit de behoefte van de overheid om meer brede scholen met een uitgebreid sport- en cultuuraanbod aan te gaan bieden.
Op 13 februari 2012 zijn de bestuurlijke afspraken ‘Sport en Bewegen in de Buurt’ ondertekend door het Ministerie van VWS, VNG, NOC*NSF, VNO NCW en MKB Nederland. Onderdeel van het programma ‘Sport en Bewegen in de Buurt’ is een nieuwe financiële impuls voor gemeenten om combinatiefuncties, werkzaam als buurtsportcoaches, op lokaal niveau in te zetten. Deze impuls is aanvullend op de bestaande succesvolle ‘Impuls brede scholen sport en cultuur’ en de daarbij behorende combinatiefuncties. Beide impulsen worden gecombineerd en dragen vanaf 2012 de naam: Brede impuls combinatiefuncties.
Sport, kunst en cultuur zijn natuurlijk niet alleen belangrijk op de brede scholen, maar ook op andere scholen. Een gecombineerd aanbod kan worden ondersteund door combinatiefuncties, waarbij professionals een brug vormen tussen de sector onderwijs, sport of cultuur.
Het gaat vooral om combinatiefuncties op uitvoerend niveau.
De volgende functies zijn voorbeeldfuncties die al beschreven en gewaardeerd zijn op basis van Fuwa PO:
– Combinatiefunctie leraar basisonderwijs/coördinator buitenschoolse activiteiten (schaal LA)
– Combinatiefunctie leraarondersteuner/medewerker buitenschoolse activiteiten (schaal 7).
Voor afwijkende functies geldt dat deze gewaardeerd dienen te worden op basis van Fuwa PO.
De combinatiefunctionaris dient te voldoen aan de wettelijke bekwaamheidseisen, die op basis van de WPO en WEC bij algemene maatregel van bestuur zijn vastgesteld en gericht zijn op het handelen in het onderwijsleerproces.
Werknemers zonder wettelijke lesbevoegdheid verrichten werkzaamheden in het onderwijsproces onder toezicht en verantwoordelijkheid van een bevoegde leerkracht.
Nee, dat is niet de bedoeling. Het gaat hier om een Impuls van overheidswege (rijk en gemeenten). Een eigen bijdrage zou een extra belasting voor de scholen zijn.
Nee, het gaat om een richtlijn. Er is ook ruimte voor lokaal maatwerk. In de monitoring wordt de verdeling op landelijk niveau bekeken.
De 2.500 fte´s aan combinatiefuncties worden volgens de volgende verdeling gerealiseerd:
1. 850 fte´s in het primair onderwijs;
2. 250 fte´s in het voortgezet onderwijs;
3. 1.250 fte´s in de sportsector;
4. 150 fte´s in de cultuursector.
Deze verdeling heeft te maken met de herkomst van de beschikbare middelen op de rijksbegroting (onderwijs, sport en cultuur) en het behalen van de verschillende doelen van de Impuls.
Een combinatiefunctie is een functie waarbij een werknemer in dienst is bij één werkgever, maar werkzaam is voor twee of meer sectoren: in dit geval onderwijs, sport en/of cultuur. Met combinatiefuncties wordt de verbinding en samenwerking tussen de sectoren versterkt. Hierdoor wordt het binnen- en buitenschoolse onderwijsaanbod, sport en cultuur verrijkt en beter op elkaar afgestemd.
Sinds 1 januari 2007 geldt op grond van de Wet kinderopvang een verplichte werkgeversbijdrage in de kosten van kinderopvang. De regeling, die is opgenomen in de artikelen 8 en 9 van de Wet kinderopvang, houdt in dat de overheid de verstrekking van de werkgeversbijdrage voor haar rekening neemt en de werkgevers zorg dragen voor de bekostiging daarvan in de vorm van een heffing. De verstrekking van de werkgeversbijdrage vindt plaats door middel van een vermeerdering van de kinderopvangtoeslag, die – evenals de kinderopvangtoeslag – wordt uitbetaald door de Belastingdienst/Toeslagen. De vermeerdering bedraagt voor een werkende ouder met een werkende partner een derde deel van de kosten van kinderopvang. Voor een alleenstaande werkende ouder bestaat de vermeerdering uit een zesde deel van de kosten van kinderopvang, die op grond van de bestaande regeling in het Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in kosten van kinderopvang wordt aangevuld met een toeslag voor alleenstaande ouders; daarmee is de uitgangspositie van alleenstaande ouders dezelfde als van echtparen, namelijk een vaste vergoeding ter hoogte van een derde deel van de kosten van kinderopvang. Voor een werkende ouder met een partner die behoort tot een van de doelgroepen van de gemeente of het Uitvoeringinstituut werknemersverzekeringen (UWV) ten slotte, bedraagt de vermeerdering van de kinderopvangtoeslag eveneens een zesde deel van de kosten van kinderopvang.
Recht op bovengenoemde vermeerdering van de kinderopvangtoeslag geldt voor alle ouders met inkomen uit tegenwoordige arbeid, ongeacht of zij dat als werknemer of als zelfstandige verwerven.
De kosten voor de vermeerdering, voor zover deze aan werknemers wordt verstrekt, worden opgebracht met een door werkgevers af te dragen heffing op de loonsom (de vermeerdering voor zelfstandigen wordt bekostigd uit de algemene middelen).
De heffing is vormgegeven door middel van een opslag op de premie ten behoeve van de sectorfondsen. Hiermee wordt bereikt dat de heffing over dezelfde loonsom wordt afgedragen als de sectorpremies. De heffing voor overheidswerkgevers bestaat uit een gelijkwaardige opslag op de premie voor het Uitvoerings Fonds voor de Overheid (UFO). De hoogte van de opslag wordt op grond van artikel 9, derde lid, van de Wet kinderopvang vastgesteld bij ministeriële regeling.
Bij aanvang van het huidige kabinet is de extra premieopslag geraamd op 0,34%, voor zowel de sectorpremie als de UFO-premie. Voor 2009 is dit percentage niet veranderd.
Sinds 1 januari 2007 geldt op grond van de Wet kinderopvang een verplichte werkgeversbijdrage in de kosten van kinderopvang. De regeling, die is opgenomen in de artikelen 8 en 9 van de Wet kinderopvang, houdt in dat de overheid de verstrekking van de werkgeversbijdrage voor haar rekening neemt en de werkgevers zorg dragen voor de bekostiging daarvan in de vorm van een heffing. De verstrekking van de werkgeversbijdrage vindt plaats door middel van een vermeerdering van de kinderopvangtoeslag, die – evenals de kinderopvangtoeslag – wordt uitbetaald door de Belastingdienst/Toeslagen. De vermeerdering bedraagt voor een werkende ouder met een werkende partner een derde deel van de kosten van kinderopvang. Voor een alleenstaande werkende ouder bestaat de vermeerdering uit een zesde deel van de kosten van kinderopvang, die op grond van de bestaande regeling in het Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in kosten van kinderopvang wordt aangevuld met een toeslag voor alleenstaande ouders; daarmee is de uitgangspositie van alleenstaande ouders dezelfde als van echtparen, namelijk een vaste vergoeding ter hoogte van een derde deel van de kosten van kinderopvang. Voor een werkende ouder met een partner die behoort tot een van de doelgroepen van de gemeente of het Uitvoeringinstituut werknemersverzekeringen (UWV) ten slotte, bedraagt de vermeerdering van de kinderopvangtoeslag eveneens een zesde deel van de kosten van kinderopvang.
Recht op bovengenoemde vermeerdering van de kinderopvangtoeslag geldt voor alle ouders met inkomen uit tegenwoordige arbeid, ongeacht of zij dat als werknemer of als zelfstandige verwerven.
De kosten voor de vermeerdering, voor zover deze aan werknemers wordt verstrekt, worden opgebracht met een door werkgevers af te dragen heffing op de loonsom (de vermeerdering voor zelfstandigen wordt bekostigd uit de algemene middelen).De heffing is vormgegeven door middel van een opslag op de premie ten behoeve van de sectorfondsen. Hiermee wordt bereikt dat de heffing over dezelfde loonsom wordt afgedragen als de sectorpremies. De heffing voor overheidswerkgevers bestaat uit een gelijkwaardige opslag op de premie voor het Uitvoerings Fonds voor de Overheid (UFO). De hoogte van de opslag wordt op grond van artikel 9, derde lid, van de Wet kinderopvang vastgesteld bij ministeriële regeling.
Bij aanvang van het huidige kabinet is de extra premieopslag geraamd op 0,34%, voor zowel de sectorpremie als de UFO-premie. Voor 2009 is dit percentage niet veranderd.