Vragen

Wie doet wat bij de geactualiseerde kerndoelen?

AVS ondersteunt jou als schoolleider bij het werken met de geactualiseerde kerndoelen op je school. Samen met de PO-Raad organiseren we bijeenkomsten, zoals roadshows en masterclasses. Ook delen we handreikingen en inspirerende voorbeelden uit de praktijk. Het Ministerie van OCW is opdrachtgever van de geactualiseerde kerndoelen. SLO heeft de kerndoelen ontwikkeld.

Waarom zijn de kerndoelen actualiseerd?

De vorige kerndoelen stammen uit 2006 en worden door onderwijsprofessionals als te breed en vaag gezien. De geactualiseerde kerndoelen zijn concreter, en zijn onderverdeeld in aanbods-, beheersings- en ervaringsdoelen. Wil je meer lezen over de veranderingen? Lees de interviews op de website van SLO. 

Moeten scholen een compleet ander onderwijsaanbod samenstellen?

Dit is aan de scholen zelf, maar de verwachting van de AVS is dat de geactualiseerde kerndoelen een impuls geven aan het verbeteren van de onderwijskwaliteit. De kerndoelen zijn een mooi startpunt om het gesprek te voeren over de visie op goed onderwijs. Deze visie is vervolgens de basis voor het ontwikkelen van een curriculum waar de kerndoelen voor ongeveer 70% onderdeel van uitmaken. De overige 30% kunnen scholen invullen op een manier die aansluit bij de eigen visie.

Per wanneer start de Inspectie van het Onderwijs met handhavend toezicht op de geactualiseerde kerndoelen?

Het handhavend toezicht start in het schooljaar 2031/2032. Schoolorganisaties hebben dus nog een aantal jaar om de geactualiseerde kerndoelen te implementeren. Scholen die op tijd beginnen, profiteren daar later in het proces van. Zij hebben de tijd om eerst rustig te experimenteren met de geactualiseerde kerndoelen.

Wat is een onderwijsnummer?

Sofinummer, burgerservicenummer, persoonsnummer, onderwijsnummer, persoonsgebonden nummer... begrijp jij het nog?

Elk kind in Nederland dat ingeschreven staat in de Basisregistratie Personen (BRP) heeft een burgerservicenummer (BSN), soms ook wel persoonsnummer genoemd. Vroeger heette dat het sofinummer. Het burgerservicenummer is tevens het onderwijsnummer van een leerling of student. Tegenwoordig spreekt met liever van persoonsgebonden nummer (PGB) in plaats van een onderwijsnummer. In het basisonderwijs en op de speciale scholen is de registratie met het onderwijsnummer (persoonsgebonden nummer) sinds het schooljaar 2010-2011 een feit.

ROD en DUO

Sommige kinderen hebben door omstandigheden geen burgerservicenummer, bijvoorbeeld kinderen van asielzoekers. Ook leerlingen en studenten die niet in Nederland wonen en niet staan ingeschreven in de Basisregistratie Personen, hebben geen BSN. Als iemand (nog) geen BSN heeft, dan wordt een tijdelijk onderwijsnummer (persoonsgebonden nummer) gebruikt. De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) maakt dit tijdelijke nummer voor de school aan.

Voor het onderwijs gebeurt de registratie van een leerling of student bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) in het zogenaamde Register Onderwijsdeelnemers (ROD) (voorheen Basisregister Onderwijsnummer (BRON)). Het onderwijsnummer (persoonsgebonden nummer) blijft gedurende de gehele schoolcarrière hetzelfde. Zo kan de schoolloopbaan van elk kind vanaf de basisschool worden gevolgd.

CBS

Interessant weetje: bij het CBS wordt het burgerservicenummer, het onderwijsnummer en andere identificerende persoonskenmerken vervangen door een willekeurig volgnummer, zodat het voor interne en externe onderzoekers niet duidelijk is om wie het gaat, maar wel dat het bij koppeling van bestanden om dezelfde leerling/student gaat.

Welke gegevens zijn van belang bij de inschrijving van een leerling?

Je moet een leerling inschrijven in je leerlingenadministratiesysteem (LAS). Nota bene: dat kan alleen als je weet dat deze leerling binnen één jaar op jouw school komt, in de praktijk betekent dit dat je een jonge leerling pas na zijn derde verjaardag kunt inschrijven.

Artikel 40b WPO gaat over de door de ouders te verstrekken gegevens bij toelating.

Artikel 40b lid 1: "Toelating van een leerling kan slechts plaatsvinden nadat de ouders de gegevens betreffende de geslachtsnaam*, de voorletters, de geboortedatum, het geslacht en het persoonsgebonden nummer* van de leerling hebben overgelegd. De ouders overleggen deze gegevens door middel van een van overheidswege verstrekt document**, waarin de desbetreffende gegevens zijn opgenomen."

*Geslachtsnaam = achternaam. Met persoonsgebonden nummer wordt bedoeld: het burgerservicenummer (BSN) of het onderwijsnummer.

**Denk daarbij aan een van de volgende documenten:
- paspoort;
- identiteitskaart;
- geboortebewijs;
- afschrift van de persoonslijst die bij de geboorte door de gemeente wordt verstrekt;
- uitschrijfbewijs (niet ouder dan 6 maanden).

Onderwijsnummer

Als de ouders aannemelijk maken dat zij geen persoonsgebonden nummer van hun kind kunnen overleggen, dan kan toelating wel plaatsvinden, maar geeft het bevoegd gezag, binnen twee weken na het besluit tot toelating, aan het ministerie (DUO) de beschikbare gegevens van de leerling door, inclusief adres en woonplaats en, indien aanwezig, het leerlingadministratienummer.

Binnen acht weken na ontvangst van deze melding verstrekt het ministerie aan het bevoegd gezag het burgerservicenummer van de leerling, of - indien blijkt dat de leerling geen burgerservicenummer heeft - het onderwijsnummer van de leerling. Het onderwijsnummer is een door de minister uitgegeven en aan de leerling toegekend persoonsgebonden nummer.

Voor de volledigheid vermelden we dat burgerservicenummer en onderwijsnummer van een leerling in principe identiek zijn. Daarmee is niet gezegd dat elk onderwijsnummer ook een burgerservicenummer is!

Nota bene. Van een identiteitsbewijs van de leerling mag je vanwege de AVG geen kopie bewaren.

Hoe is de inzage en correctie leerlinggegevens geregeld?

Ouders hebben het recht om de gegevens over hun kind in te zien (inzagerecht). De ouder maakt hiervoor een afspraak met de school. Terwijl de ouder de gegevens inziet, blijft iemand van de school aanwezig.
Ouders hebben ook correctierecht. De ouder kan de school vragen verkeerde gegevens in het leerlingdossier van hun kind te verbeteren of te verwijderen.

Ook kinderen van 12 jaar en ouder hebbe inzage- en correctierecht! Nota bene: dat geldt vanaf 1 september 2026 (Verzamelwet gegevensbescherming, c.q. Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming artikel 5).

Als een ouder niet meer het ouderlijk gezag meer heeft (bijvoorbeeld na een echtscheiding), dan moet de school deze ouder toch inzage geven in de leerlinggegevens over zijn/haar kind. Dit staat in het Burgerlijk Wetboek. De ouder moet dan zelf het initiatief nemen en jou actief om deze informatie vragen.

Hoe moet er gehandeld worden als een leerling na zomervakantie op school komt?

Bezoekt een leerling je school voor het eerst op de 1ste schooldag na de zomervakantie? Dan schrijf je de leerling in met ingang van 1 augustus.

Er is een uitzondering voor leerlingen die tussen 1 augustus en de 1ste dag van het schooljaar vier jaar worden. Deze leerlingen schrijf je in op de datum waarop de leerling voor het eerst onderwijs volgt op je school. In de praktijk is dat dan de 1ste schooldag na de zomervakantie.

Hoe zit het als een andere inschrijfdatum wordt gehanteerd?

Komt de leerling op een andere datum voor het eerst op je school? Dan schrijf je de leerling in per de datum waarop de leerling voor het eerst onderwijs op jouw school volgt. Het is niet mogelijk om een leerling in te schrijven per een datum die in het weekend of in een schoolvakantie valt. Je moet de leerling immers inschrijven per de 1ste dag dat hij onderwijs op jouw school volgt.

Hoe moet er gehandeld worden als een leerling van een andere school komt?

Komt de leerling van een andere school? Dan heb je een uitschrijfbewijs nodig van de vorige school. Je moet de inschrijfdatum binnen één week schriftelijk aan de oude school doorgeven. De oude school moet de uitschrijfdatum zo nodig aanpassen zodat deze aansluit op de inschrijfdatum van de nieuwe school.

Is er geen uitschrijfbewijs of is het uitschrijfbewijs ouder dan zes maanden? Dan is een recente verklaring van de ouders of verzorgers ook goed. In deze verklaring moet staan dat de leerling in de zes maanden voor de inschrijfdatum niet op een andere school stond ingeschreven. Het uitschrijfbewijs of de ouderverklaring neem je op in je administratie.

Moet een aanmelding uitgewisseld worden met het ROD?

Een aanmelding wissel je niet uit met het ROD. Pas als je de leerling inschrijft, ga je gegevens uitwisselen. Nota bene: je kunt een leerling pas inschrijven als hij/zij binnen één jaar naar jouw school komt (voor jonge leerlingen: vanaf hun derde verjaardag).

Inschrijving bij het voortgezet (speciaal) basisonderwijs

Hiervoor gelden aanvullende regels.
- Inschrijvingsgegevens speciaal basisonderwijs.
- Inschrijvingsgegevens speciaal onderwijs.
- Inschrijvingsgegevens voortgezet speciaal onderwijs.

Arbeidsmarkttoelage scholen met veel achterstandsleerlingen: doel?

De voorschriften voor de Arbeidsmarkttoelage scholen met veel achterstandsleerlingen vind je in artikel 6.10 CAO PO.

Doel

De bekostiging voor de arbeidsmarkttoelage is bedoeld om het werk op scholen met een groter risico op onderwijsachterstanden aantrekkelijker te maken en om op die manier (het herstel van) kansengelijkheid te bevorderen.

De bekostiging wordt geregeld in de Regeling bekostiging uitvoering arbeidsmarkttoelage 2026. Het is een extra beloning voor al het personeel op de vestigingen waarvoor het schoolbestuur de extra bekostiging arbeidsmarkttoelage ontvangt. Op de website van DUO is op te zoeken welke vestigingen dit zijn. Voor meer informatie en een link naar DUO: kijk op de website van de PO Raad.

Het is niet de bedoeling dat de middelen gaan naar personeel op vestigingen waarvoor OCW géén extra bekostiging voor de arbeidsmarkttoelage heeft toegekend of naar andere doelen!

Arbeidsmarkttoelage scholen met veel achterstandsleerlingen

De voormalige arbeidsmarkttoelage Nationaal Programma Onderwijs (NPO) is inmiddels opgenomen in de CAO PO als Arbeidsmarkttoelage scholen met veel achterstandsleerlingen en in de CAO VO als Arbeidsmarkttoelage scholen met relatief veel kwetsbare leerlingen. De regels zijn vooralsnog dezelfde als de regels die golden voor de arbeidsmarkttoelage NPO. Zie CAO PO artikel 6.10 en CAO VO artikel 3.10.

Hoe wordt ervoor gezorgd dat het geld echt bij de medewerkers terechtkomt?

Personeelsleden kunnen op de website van DUO zien of extra bekostiging voor de arbeidsmarkttoelage is toegekend aan de vestiging waar hij/zij werkzaam is. De PGMR (primair onderwijs) en de PMR (voortgezet onderwijs) moeten vervolgens instemmen met de hoogte van de arbeidsmarkttoelage binnen het bestuur. De medezeggenschapsraad moet het niet laten gebeuren dat deze extra middelen ergens anders terecht komen!

Voor meer informatie over de Arbeidsmarkttoelage scholen met veel achterstandsleerlingen, kun je terecht op de website van de PO-Raad. Je kunt ook de AVS Helpdesk bellen (alleen voor leden).

De Regeling aanvullende bekostiging uitvoering arbeidsmarkttoelage 2025 loopt af op 1 januari 2030 (zie artikel 8 lid 2 van de regeling).

Arbeidsmarkttoelage scholen met veel achterstandsleerlingen

De arbeidsmarkttoelage Nationaal Programma Onderwijs (NPO) is inmiddels opgenomen in de CAO PO als Arbeidsmarkttoelage scholen met veel achterstandsleerlingen en in de CAO VO als Arbeidsmarkttoelage scholen met relatief veel kwetsbare leerlingen. De regels zijn vooralsnog dezelfde als de regels die golden voor de arbeidsmarkttoelage NPO. Zie CAO PO artikel 6.10 en CAO VO artikel 3.10.

Waarom is er gekozen voor lumpsumbekostiging?

Bijzondere en aanvullende bekostiging via de lumpsum beperkt de administratieve lasten ten opzichte van bijvoorbeeld een subsidie waarvoor scholen een aanvraag moeten indienen.

Als normatieve Rijksbijdrage zijn de middelen voor de arbeidsmarkttoelage geen onderwerp van een specifieke (accountants)controle. Niet of anders bestede middelen kunnen niet worden teruggevorderd.

Hoe wordt ervoor gezorgd dat het geld echt bij de medewerkers terechtkomt?

Personeelsleden kunnen op de website van DUO zien of extra bekostiging voor de arbeidsmarkttoelage is toegekend aan de vestiging waar hij/zij werkzaam is. De PGMR (primair onderwijs) en de PMR (voortgezet onderwijs) moeten vervolgens instemmen met de hoogte van de arbeidsmarkttoelage binnen het bestuur. De medezeggenschapsraad moet het niet laten gebeuren dat deze extra middelen ergens anders terecht komen!

Voor meer informatie over de NPO Arbeidsmarkttoelage, kun je terecht op de website van NP Onderwijs. Je kunt ook de AVS Helpdesk bellen (alleen voor leden).

De Regeling aanvullende bekostiging uitvoering arbeidsmarkttoelage 2025 loopt af op 1 januari 2029 (zie artikel 7 van de regeling).

Welke dagen zijn erkende feestdagen?

Het antwoord op deze vraag moet je kennen omdat je in de CAO PO leest dat medewerkers (naar rato van hun werktijdfactor) 428 uur vakantieverlof hebben (artikel 8.1 lid 1), "daarin begrepen de erkende feestdagen".

CAO PO artikel 1.1 Begripsbepalingen

In artikel 1.1. van de CAO PO is vastgelegd op welke algemeen erkende feestdagen medewerkers een verplichte vrije dag hebben, die dus meetelt voor de in artikel 8.1 lid 1 bedoelde vakantiedagen.

In artikel 1.1 CAO PO staat onder het kopje Algemeen erkende feestdagen hetzelfde rijtje als in de Algemene termijnenwet (ATW), namelijk:

- Nieuwjaarsdag
- Eerste en Tweede Kerstdag
- Tweede Paasdag
- Hemelvaartsdag
- Tweede Pinksterdag
- Koningsdag
- 5 mei, nationale feestdag

Verder staat er dat het aan het bestuur is om te bepalen of Goede Vrijdag wordt wordt meegenomen in het rijtje van algemeen erkende feestdagen. Goede Vrijdag is dus geen verplichte vrije dag!

Algemene termijnenwet (ATW)

De Algemene termijnenwet (ATW) regelt de berekening van wettelijke termijnen wanneer deze eindigen op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag. Als een termijn op zo’n dag eindigt, wordt deze automatisch verlengd tot de eerstvolgende werkdag. De ATW regelt niet dat algemeen erkende feestdagen voor medewerkers vrije dagen zijn: dat wordt bepaald in (collectieve) arbeidsovereenkomsten! Dit betekent dus dat voor alle medewerkers die onder de CAO PO vallen, de CAO PO bepalend is.

Bijzonderheden

Goede Vrijdag

In de ATW wordt Goede Vrijdag gelijkgesteld met een algemeen erkende feestdag. De CAO PO geeft aan dat de werkgever zelf een keuze kan maken of dit al of niet een werkdag is. Goede Vrijdag is dus geen verplichte vrije dag! Als het bestuur heeft bepaald dat Goede Vrijdag een vrije dag is, dan valt die dag binnen de 428 uur (*wtf) vakantieverlof van de medewerkers.

De vrijdag na Hemelvaart en overige "brugdagen"

Artikel 3 van de ATW laat de mogelijkheid bestaan dat ook andere dagen dan Goede Vrijdag gelijkgesteld worden met een erkende feestdag. Ongeveer elke drie jaar verschijnt in de Staatscourant een lijstje met data. Dat betreft werkdagen die vallen tussen een erkende feestdag en een weekend.

Voor de jaren 2026, 2027 en 2028 geldt het Besluit van 1 juli 2025, nr. 2025001422 houdende de gelijkstelling van vrijdag 2 januari 2026, vrijdag 15 mei 2026 (dag na Hemelvaart), vrijdag 7 mei 2027 (dag na Hemelvaart), vrijdag 28 april 2028 (dag na Koningsdag) en vrijdag 26 mei 2028 (dag na Hemelvaart) met een algemeen erkende feestdag.

Deze dagen hebben dus
- wel de status van algemeen erkende feestdag voor de Algemene termijnenwet,
- wat niet betekent dat het verplichte vrije dagen zijn!

Schoolbesturen en/of scholen kennen zowat altijd de status van algemeen erkende feestdag toe aan de vrijdag na Hemelvaart en nemen die vrijdag in hun jaarplanning op als een vrije dag voor de medewerkers (en dus de leerlingen). De vrijdag na Hemelvaart is in dat geval onderdeel van de 428 uur (*wtf) vakantieverlof.

Valt bijvoorbeeld Koningsdag op een donderdag en is de school gesloten op de vrijdag erna, dan heeft die extra vrije dag eveneens de status van algemeen erkende feestdag en telt hij mee voor de 428 uur (*wtf) vakantieverlof.

Meer informatie nodig?

Voor alle ins & outs over dit onderwerp: download de Handreiking Werkverdelingsplan en jaartaak PO in onze webshop (prijs € 12,95, maar gratis voor leden - houd je lidnummer bij de hand). Leden kunnen ook contact opnemen met onze Helpdesk.

Wanneer kan overgegaan worden tot een tropenrooster?

Een precies antwoord op deze vraag is niet te geven, enerzijds omdat de wet- en regelgeving geen harde normen hanteert, anderzijds omdat veel afhangt van de omstandigheden op jouw school (denk aan isolatie, airco, luchtverversing, grootte van de lokalen, stedelijke of landelijke omgeving enzovoort).

Arbeidsomstandighedenbesluit

Dit is wat het Arbeidsomstandighedenbesluit zegt over de temperatuur (artikel 6.1).

1. Rekening houdend met de aard van de werkzaamheden die door de werknemers worden verricht en de fysieke belasting die daar het gevolg van is, veroorzaakt de temperatuur op de arbeidsplaats geen schade aan de gezondheid van de werknemers.
2. Indien door de temperatuur op de arbeidsplaats of door ongunstige weersomstandigheden toch schade aan de gezondheid van de werknemers kan ontstaan, worden persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking gesteld. Indien de ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen schade aan de gezondheid niet kunnen voorkomen, wordt de duur van de arbeid in een zodanige mate beperkt of wordt de arbeid met een zodanige frequentie afgewisseld door een tijdelijk verblijf op een plaats waar een temperatuur heerst als bedoeld in het eerste lid, dat geen schade aan de gezondheid ontstaat.

Arbocatalogus PO

Ook in de Arbocatalogus PO is er aandacht voor de temperatuur in het klaslokaal. Daar vind je meer wet- en regelgeving, maar ook allerlei praktische informatie. Opvallend is dat voorheen een temperatuur van 30 graden werd genoemd. Nu zegt de Arbocatalogus dat werken in een temperatuur van boven de 25 graden al een negatief effect heeft... Op warme dagen met vijfentwintig 'kacheltjes' van 37 graden in een klaslokaal, kom je daar al gauw!

Tropenrooster

Bij een te hoge temperatuur moet je wel degelijk maatregelen nemen om de belasting voor leerlingen en leraren zo laag mogelijk te houden. Een tropenrooster is dan een optie. Een tropenrooster houdt in dat je de schooltijden naar voren haalt, bijvoorbeeld door een uur eerder te beginnen (en dus ook een uur eerder te eindigen).

Je kunt, in overleg met je bestuur, zelf besluiten om een tropenrooster in te stellen bij extreem warm zomerweer. Hou wel in de gaten dat je je moet houden aan het minimum aantal lesuren per schooljaar (artikel 8.7 WPO, verplichte onderwijstijd). De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de onderwijstijd.

Andere mogelijke maatregelen zijn:
- kortere dagen (let op onderwijstijd),
- zo veel mogelijk aaneengesloten werken (let op verplichte pauzetijd werknemers),
- pauzeren in koele ruimtes,
- extra ventilatie en
- extra drinken ter beschikking stellen.

Medezeggenschap

De school stelt de maatregelen op met instemming van de medezeggenschapsraad (MR).

- In het primair onderwijs heeft de oudergeleding van de MR (OMR) instemmingsbevoegdheid met betrekking tot de onderwijstijd en de invulling hiervan (artikel 13 lid 1 sub h WMS). Een protocol over hoe om te gaan met warme temperaturen hoort daarom ter instemming aan de OMR te worden voorgelegd als het invloed heeft op de onderwijstijd.
- In het voortgezet onderwijs heeft de MR adviesbevoegdheid met betrekking tot het lesrooster, waar ook het tropenrooster onder valt (artikel 11 lid 1 sub a WMS).
- Wijzigingen van het veiligheids-, gezondheids- en welzijnsbeleid vallen onder het instemmingsrecht voor de MR als geheel (artikel 10 sub e WMS).

Communicatie

Informeer de ouders zo snel mogelijk, als je een tropenrooster overweegt. Hebben de ouders geen opvang voor hun kinderen? Dan moet je als school een alternatief programma (opvang) aanbieden tijdens de uren waarop de lessen vervallen.

Heb je als school beleid met betrekking tot een tropenrooster? Neem hierover een stukje op in je schoolgids.

Maak op tijd beleid

Tot slot. Om te voorkomen dat je ad hoc een besluit moet nemen, is het handig om in goed overleg met alle partijen helder beleid te maken (en daarover iets te melden in je schoolgids). Kijk daarbij ook uitdrukkelijk naar de mogelijkheden om te voorkomen dat je met een tropenrooster moet gaan werken, bijvoorbeeld door aanpassingen te doen aan het gebouw (denk aan zonwering, klimaatbeheersing enzovoort). Voor informatie en met vragen kun je terecht bij Ruimte OK, een onafhankelijke, uitvoerende kennisorganisatie voor scholen en gemeenten als het gaat om de financiering en de huisvesting van scholen.

Waarmee moet je rekening houden als je andere schooltijden gaat invoeren?

Als je overweegt om andere schooltijden in te voeren, is een aantal stappen nodig, en moet je rekening houden met wet- en regelgeving. Een goede voorbereiding en doorlopende communicatie met ouders en medewerkers zijn belangrijke succesfactoren!

Stappenplan

Stap één: de oriëntatie
Het is van belang om je ambitie te formuleren (waarom willen we dit eigenlijk?), de startsituatie in kaart te brengen (hoe is het nu?) en een visie te formuleren (waar willen we heen?).

Stap twee: de voorbereiding
Je zet een werkgroep op, organiseert informatiebijeenkomsten, peilt de behoeften en wensen van ouders en medewerkers (zie ook kopje Wettelijke bepalingen), je maakt een keuze voor een van de schooltijdmodellen en je werkt een plan uit waarin je aandacht besteedt aan organisatie, personeel, huisvesting en financiering.

Stap drie: besluitvorming
Vervolgens moet er besluitvorming plaatsvinden. In deze stap kun je overwegen een pilot uit te voeren. Deze stap rond je af met een plan van aanpak voor de invoering, waarbij je doorlopend investeert in draagvlak bij ouders en werknemers.

Stap vier: invoering
De laatste stap betreft de daadwerkelijke invoering: de nieuwe schooltijden zijn een feit. Vergeet niet tussentijds te evalueren en zo nodig bij te stellen. Voer na verloop van tijd een tevredenheidonderzoek uit en houd ouders en werknemers op de hoogte van de voortgang en resultaten. In een volgend schooljaar kun je indien nodig aanpassingen doorvoeren.

Wettelijke bepalingen

De Wet op het primair onderwijs (WPO) verplicht de school haar leerlingen 7.520 uur onderwijs te bieden in een periode van acht schooljaren. Daarbij kun je het verschil tussen onder- en bovenbouw laten vervallen (= gelijke schooldagen en 940 uur les per schooljaar, voor alle kinderen). Bij een keuze voor een verschillend aantal uren in onder- en bovenbouw moet je het zó regelen dat leerlingen in de eerste vier leerjaren ten minste 3.520 uren onderwijs krijgen en in de laatste vier schooljaren ten minste 3.760 uren.

De Wet medezeggenschap op scholen (WMS) geeft de oudergeleding van de medezeggenschapraad (OMR) instemmingsbevoegdheid (artikel 13 lid 1 sub h WMS), echter niet voordat alle ouders over de nieuwe schooltijden hun mening hebben kunnen geven (verplichte ouderraadpleging, artikel 15 lid 3 WMS). De wet schrijft niet voor wie de ouderraadpleging moet houden: dat kan de OMR zijn, maar je kunt ook als schoolleiding het initiatief naar je toetrekken. Of je doet het samen: schoolleiding + OMR.

Als de aanpassing van de schooltijden gevolgen heeft voor de werk- en rusttijdenregeling, is instemming nodig van de personeelsgeleding van de medezeggenschapsraad (PMR) (artikel 12 lid 1 sub f WMS).

Overgangsregeling

Om te voorkomen dat kinderen onderwijsuren tekort komen, is er bijna altijd een overgangsregeling nodig. Deze duurt gemiddeld vier schooljaren, afhankelijk van de reeds opgebouwde uren in voorgaande jaren op het moment van invoering. Hou daar rekening mee in je (personeels- en financiële) planning en wees hier heel duidelijk over in je communicatie.

Heb je hulp nodig of wil je gewoon even sparren? Bel gerust de AVS Helpdesk (alleen voor leden). Onze adviseurs denken graag met je mee.

Hoe kijkt de Inspectie naar de onderwijstijd en met name naar de zogenaamde gebroken weken?

De Inspectie hanteert bij het toetsen van de onderwijstijd de voorschriften uit de Wet op het Primair Onderwijs (WPO), in het bijzonder artikel 8 lid 7. Daarnaast kan de Regeling vaststelling schoolvakanties die elke vijf jaar wordt gepubliceerd, een rol spelen.

Wet op het primair onderwijs

De Wet op het primair onderwijs (WPO) schrijft voor dat “aan de leerlingen in de laatste 6 schooljaren ten hoogste 7 weken van het schooljaar 4 dagen per week onderwijs wordt gegeven, die evenwichtig zijn verdeeld over het schooljaar, bij een schoolweek van in beginsel niet minder dan 5 dagen onderwijs” (artikel 8 lid 7.b.2o).

Maximum zeven gebroken weken

De in artikel 8 lid 7.b.2o genoemde zeven weken noemen we gebroken weken. Een gebroken week is een vierdaagse schoolweek waarin een vrije dag valt die géén algemeen erkende feestdag is die in de CAO PO is vastgelegd als verplichte vrije dag. Met andere woorden: als de vrije dag een keuze is van het bestuur of de school, dan is de kortere schoolweek een gebroken week.

Voorbeelden
- een studiedag (schoolniveau of bestuursniveau),
- een lokale feestdag (denk aan Pinkster Drie, Alkmaars Ontzet, Prinsjesdag, Kermis enzovoort),
- een religieuze feestdag (denk aan Goede Vrijdag, Offerfeest, Divali enzovoort)

Voor alle duidelijkheid:
- Een vierdaagse schoolweek waarin een algemeen erkende feestdag valt (Tweede Paasdag, Koningsdag enzovoort) is geen gebroken week zoals bedoeld in artikel 8 lid 7.b.2o WPO.
- Een schoolweek waarin je als school een dagdeel vrijaf plant, is geen gebroken week (bijvoorbeeld als je de middag voor een vakantie vrijaf geeft, of als je een studiemiddag organiseert en de kinderen daardoor alleen ’s ochtends naar school moeten komen).

Wat je verder moet weten

- Een driedaagse schoolweek is in principe* niet toegestaan. Geef je de vrijdag na Hemelvaart vrij, dan creëer je een driedaagse schoolweek. Idem als je een tweedaagse met je team plant. In de praktijk laat de inspectie dit oogluikend toe, zo blijkt.
- Heb je genoeg uren? Dan mag je altijd een extra vakantieweek voor de leerlingen plannen. Je mag ook een extra vakantieweek plannen in een week waarin al een erkende feestdag valt.
- Artikel 7 van de Regeling vaststelling schoolvakanties is een aparte bepaling die scholen de mogelijkheid geeft om een of twee vrije dagen aan de zomervakantie te laten voorafgaan en/of op de zomervakantie te laten volgen. Maak je gebruik van deze regeling? Dan is de verkorte schoolweek een gebroken week.
- Als directeur ben je eindverantwoordelijk voor de keuzes die je maakt met betrekking tot de onderwijstijd. Wijk je af van de voorschriften, dan moet je je keuzes kunnen verantwoorden richting de Inspectie.

*We schrijven opzettelijk "in principe". Soms is er meer mogelijk. Neem contact op met de AVS Helpdesk als je vragen of twijfels hebt.

Tot slot

Vergeet niet dat je ieder schooljaar instemming van de oudergeleding van de medezeggenschapsraad (OMR) nodig hebt alvorens je (namens het bestuur) een besluit neemt over de onderwijstijd. Overigens gaat de OMR niet over de exacte data, maar over het afgesproken beleid. De OMR bepaalt dus bijvoorbeeld niet de data van de studiedagen. Wel kan de OMR toetsen of je je aan de WPO houdt door de dagen evenwichtig over het schooljaar te verdelen.

Deze informatie is tot stand gekomen na overleg met de Inspectie van het Onderwijs, februari 2026.

Hierbij de link naar de Regeling vaststelling schoolvakanties 2025–2030 in de Staatscourant (gepubliceerd 17 juni 2024).

Voor alle ins & outs over dit onderwerp: download de Handreiking Werkverdelingsplan en jaartaak PO in onze webshop (prijs € 12,95, maar gratis voor leden - houd je lidnummer bij de hand). Leden kunnen ook contact opnemen met onze Helpdesk.

Mogen leerlingen ook meer dan de voorgeschreven 7520 uur les krijgen?

Het antwoord op deze vraag is: ja.

Minimum

In de Wet op het primair onderwijs (WPO) staat dat "leerlingen in beginsel tenminste 7.520 uren onderwijs ontvangen" (in een periode van acht jaar) (artikel 8 lid 7 sub b WPO). Er is hier dus sprake van een ondergrens. Een school mag dus niet minder, maar wel meer uren onderwijs geven.

Overige eisen

In de eerste vier schooljaren ontvangen de leerlingen ten minste 3.520 uren onderwijs en in de laatste vier schooljaren ten minste 3.760 uren

In beginsel bestaat een schoolweek uit vijf dagen onderwijs (artikel 8 lid 7 sub b2 WPO). In de laatste zes schooljaren (= groep 3 t/m 8) mag je in principe elk schooljaar ten hoogste zeven zogenaamde gebroken weken (= vierdaagse schoolweken) organiseren. Die weken verdeel je evenwichtig over het schooljaar. Zie voor meer informatie bij onze veelgestelde vraag over dit onderwerp.

Onderwijsactiviteiten verdeel je evenwichtig over de dag, tenzij afwijking van deze verdeling van belang is in verband met activiteiten in het kader van het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden (artikel 8 lid 7 sub c WPO).

Vragen over dit onderwerp? Neem contact op met de AVS Helpdesk (alleen voor leden).

Hoe zit het met de rechten en plichten ten aanzien van mantelzorgers?

Rechten en plichten

In Nederland zijn ongeveer vijf miljoen mensen actief als mantelzorger. Allicht dus dat ook een of enkele van jouw medewerkers mantelzorger is, of misschien jijzelf wel! Bij het antwoord op deze vraag gaan we uit van de situatie waarin jouw medewerker mantelzorger is. Wat zijn de rechten en plichten van die medewerker – en wat zijn jouw rechten en plichten als werkgever?

Bij de AVS Helpdesk komt geregeld een vraag binnen over een parttime werknemer die op bepaalde dagen van de week niet wil werken en daarbij aanvoert dat hij of zij die dag mantelzorgtaken uitvoert. Ook geven medewerkers wel eens aan dat ze niet aanwezig kunnen zijn tijdens een studiedag omdat ze die dag mantelzorgtaken hebben.  

CAO PO

De werktijd (= de inzet) van een medewerker bespreek je vóór de zomervakantie, met elke individuele medewerker (artikel 2.3 lid 2 CAO PO). Daarbij stel je niet alleen de reguliere werkdagen vast, maar ook de andere dag(del)en waarop de medewerker op school wordt verwacht, bijvoorbeeld voor het bijwonen van een sportdag, bepaalde festiviteiten, studiedagen enzovoort.

Daarbij moet je rekening houden met artikel 2.3 lid 3 CAO PO: “De werkgever spant zich in om de werknemer met een deeltijdbetrekking, indien de werknemer dit wenst, zo veel mogelijk aaneengesloten op een dag in te roosteren. Daarbij houdt de werkgever zo veel mogelijk rekening met de door de werknemer aangegane verplichtingen, waaronder zowel verplichtingen bij een andere werkgever als verplichtingen in de privésfeer.”

Wet flexibel werken (Wfw)

Mantelzorg valt onder verplichtingen in de privésfeer. Dat staat evenwel nergens met zoveel woorden zwart op wit in een wet. In feite wordt er allereerst een beroep gedaan op het principe van redelijkheid en billijkheid. Toch heeft de werknemer wel degelijk een wettelijk recht: hij of zij kan een beroep doen op de Wet flexibel werken.

In de Wet flexibel werken wordt het begrip werktijd als volgt omschreven: “de overeengekomen tijdstippen op een werkdag of een anderszins overeengekomen tijdvak waarop de werknemer werkzaam is.”

Op de website van het Ministerie van VWS lees je dat “werk en zorg soms lastig te combineren zijn. Een oplossing kan zijn om uw werktijden aan te passen aan uw behoefte. (…) Daarvoor kunt u een verzoek indienen bij uw werkgever.”

Vervolgens lees je: “De overheid wil flexibel werken stimuleren. Daarvoor is de Wet flexibel werken bedoeld. Deze wet biedt u de volgende mogelijkheden:

  • Aanpassing werktijden: vraag uw werkgever om uw werkrooster aan te passen. U begint bijvoorbeeld ‘s ochtend later. Uw werkgever kan alleen weigeren als hij een goede reden heeft. Bijvoorbeeld als er niemand is om uw werk over te nemen of als het problemen geeft met het werkrooster.”
  • (…)

Je moet als werkgever zeer goede argumenten hebben om een verzoek van je medewerker te weigeren. Uit jurisprudentie blijkt dat het argument “problemen met het werkrooster” niet zomaar opgaat: pas als blijkt dat er écht geen andere oplossing te vinden is, kun je je erop beroepen!

Anticipeer!

Wees duidelijk naar elkaar en nodig je team uit om zelf ook na te denken over de werktijden. Informeer je team over de rechten en plichten die zíj hebben, en ook over de jouwe als werkgever.

In feite komen we dan terug uit bij artikel 2.3 van de CAO PO: tijdens het gesprek vóór de zomervakantie worden afspraken gemaakt over de werktijden. Zowel jijzelf als je werknemer moeten van tevoren goed nadenken over wat hierbij allemaal een rol kan spelen – dat is een gedeelde verantwoordelijkheid. Denk onder andere na over…

1) welke dag(del)en kun je je medewerker (niet) inzetten, bijvoorbeeld wegens mantelzorgtaken?
2) de aanwezigheid tijdens bepaalde studiedagen,
enzovoort.

Het is van belang dat jouw werknemer jou van tevoren duidelijk maakt dat hij/zij mantelzorger is, en op welke momenten. Dat voorkomt ad hoc toestanden, en zo kun je als schoolleider beter rekening houden met de verplichtingen in de privésfeer van jouw medewerker.

Moet het wat formeler?

Om te voorkomen dat iemand zomaar roept “Ik ben mantelzorger” is het mogelijk om het mantelzorgen wat formeler te maken… Er bestaat geen officieel, standaard 'bewijs van mantelzorger', maar je zou een werknemer kunnen vragen om aan te tonen dat hij/zij mantelzorgtaken uitvoert in een zelfgeschreven verklaring (met taken en uren), een afschrift van het medisch dossier, een indicatie (Wmo/Wlz), een verklaring van het lokale steunpunt mantelzorg, of de bewijsbrief van de mantelzorgwaardering. Organisaties zoals een steunpunt mantelzorg (er zijn meerdere organisaties die mantelzorgers ondersteunen) of de gemeente kunnen helpen bij het opstellen of verkrijgen van een verklaring.

De vraag is of je het zo op de spits moet drijven… maar soms is dat wellicht de enige manier om goed onderbouwd tot een besluit te komen.

Hoe ga je om met de pauzetijden van medewerkers?

Er komen bij de AVS Helpdesk veel vragen binnen over de pauzetijden van medewerkers. De pauzeregeling maakt deel uit van het werkverdelingsplan.

Werkverdelingsplan

Artikel 2.2 lid 7 van de CAO PO schrijft (onder andere) voor dat je samen de momenten waarop werknemers op school pauze hebben, in het werkverdelingsplan moet regelen. Daarmee wordt bedoeld dat je de afspraken (de uitgangspunten, het beleid) hierover opneemt in het werkverdelingsplan. Wat dat concreet voor iedere medewerker betekent, kun je opnemen in de individuele jaartaak.

Arbeidstijdenwet

Artikel 4:1

1. De werkgever voert een zo goed mogelijk beleid terzake van arbeids- en rusttijden van de werknemers, en houdt daarbij, voor zover dat redelijkerwijs van hem gevergd kan worden, rekening met de persoonlijke omstandigheden van die werknemers. Het beleid terzake van arbeids- en rusttijden wordt gevoerd in samenhang met het arbeidsomstandighedenbeleid, bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet.
2. De uit het in het eerste lid bedoelde beleid voortvloeiende arbeids- en rusttijdenpatronen worden door de werkgever schriftelijk vastgelegd. De werkgever bewaart de op deze wijze vastgelegde arbeids- en rusttijdenpatronen op een zodanige wijze, dat iedere werknemer de mogelijkheid heeft hiervan desgewenst kennis te nemen.
3. De werkgever toetst de tot stand gekomen arbeids- en rusttijdenpatronen aan de ervaringen die daarmee zijn opgedaan, alsmede hoe deze ervaringen zich verhouden met nieuwe ontwikkelingen op het gebied van de organisatie van arbeids- en rusttijden. Indien daartoe aanleiding is, vindt bijstelling van het beleid, bedoeld in het eerste lid, en de daarop gebaseerde arbeids- en rusttijdenpatronen plaats.

Pauzetijden

Artikel 5.4 van de Arbeidstijdenwet (Atw) schrijft het volgende voor:

"De werkgever organiseert de arbeid van een werknemer van 18 jaar of ouder zodanig, dat indien hij:
a. meer dan 5,5 uren arbeid per dienst verricht, zijn arbeid wordt onderbroken door een pauze van ten minste 30 minuten, die kan worden gesplitst in pauzes van elk ten minste 15 minuten;
"

Wat betekent dit?

Stel dat je met je team in het werkverdelingsplan hebt afgesproken dat iedereen om 8.15 uur 's ochtends aanwezig moet zijn. Dan begint de werkdag op school formeel om 8.15 uur.

- Eindigt iemands werkdag om 12.30 uur, dan heeft deze medewerker geen recht op een pauze want de werkdag duurt korter dan 5,5 uur, namelijk 4 uur en een kwartier.
- Eindigt iemands werkdag om 13.45 uur, dan heeft deze medewerker geen recht op een pauze want de werkdag duurt dan precies 5,5 uur.
- Eindigt iemands werkdag later dan 13.45 uur, dan heeft die medewerker wél recht op een pauze van een half uur.

Nota bene

- Streef ernaar pauzes van een half uur te creëren! Tweemaal een kwartier mag, maar is in de praktijk als pauzetijd niet efficiënt. Pauzes korter dan een kwartier staat de Arbeidstijdenwet niet toe (artikel 1:7 lid 1 sub e Atw).
- Een werkdag kan - vanzelfsprekend - niet beginnen of eindigen met een pauze. Een pauze is bedoeld als onderbreking van de werktijd.
- Pauze is eigen tijd. Tijdens de pauze mag de medewerker gaan en staan waar hij of zij wil. De medewerker ontvangt geen salaris tijdens de pauze.

Misverstanden

Misverstand 1 - De pauze van de medewerker moet vallen tussen 10 en 14 uur. Deze zin heeft ooit in de CAO PO gestaan, maar is in 2020 geschrapt. Pauzes kunnen je dus op elk moment van de werkdag plannen, alleen niet aan het begin of het einde van de werkdag!

Misverstand 2 - Een medewerker moet ná 5,5 uur pauze hebben. Als je de wet goed leest, dan zie je dat dit er niet staat. Het gaat om de lengte van de werkdag. Is de werkdag langer dan 5,5 uur, dan moet er een pauze ingelast worden. Wanneer die pauze valt, wordt niet voorgeschreven, alleen mag het niet aan het begin of het einde van de werkdag!

Misverstand 3 - Als de kinderen pauze hebben, hebben de medewerkers dat ook. Zo werkt het helaas niet... Als de kinderen pauze hebben (ochtendpauze, lunchpauze, ...) zal de school altijd toezicht moeten regelen. Medewerkers die belast zijn met toezicht, zijn aan het werk. Wees je ervan bewust dat het kwartiertje ochtendpauze (omstreeks tien uur) gerekend wordt als onderwijstijd, wat in feite inhoudt dat elke leerkracht dan in principe aan het werk is (ook al drink hij/zij even een kopje koffie). Als je op dat moment de leerkracht toch een pauze toebedeeld, dan heeft deze het recht om te gaan en te staan waar hij/zij wil want... pauzetijd = eigen tijd.

Medezeggenschap

Artikel 12 lid 1 sub f van de Wet medezeggenschap scholen (WMS) geeft de PMR instemmingsbevoegdheid voor de vaststelling of wijziging van een arbeids- en rusttijdenregeling van het personeel. Als de PMR instemming verleent aan het werkverdelingsplan, dan is hiermee ook voldaan aan de instemmingsbevoegdheid zoals de WMS die voorschrijft.

Zijn driedaagse schoolweken ook toegestaan?

Het korte en juridisch correcte antwoord op deze vraag luidt: nee. Maar...

Wet op het primair onderwijs

De inspectie controleert of een school zich houdt aan de Wet op het primair onderwijs (WPO), en dus ook aan de voorschriften van artikel 8.

Lid 7.b.2 van dit artikel zegt dat een schoolweek in beginsel uit vijf schooldagen bestaat, en dat je voor de groepen 3 tot en met 8 elk schooljaar zeven vierdaagse schoolweken (meestal "gebroken weken" genoemd) mag plannen. Hieruit volgt dat je geen schoolweken mag plannen van minder dan vier dagen.

In de praktijk

In de praktijk blijkt dat de inspectie gedoogt dat scholen een driedaagse schoolweek organiseren. Denk bijvoorbeeld aan
- de week waarin Hemelvaart valt;
- een week waarin je een tweedaagse teambijeenkomst organiseert;
- een week waarin een algemeen erkende of lokale feestdag op een dinsdag of donderdag valt en je de dag tussen het weekend en die feestdag vrijaf geeft.
Je zult dan wel goed moeten uitleggen waarom je deze keuze hebt gemaakt. Het belang van de leerlingen staat voor de Inspectie altijd voorop.

Organiseer je een schoolweek van minder dan drie dagen, dan zal de Inspectie je altijd een herstelopdracht geven!

Heb je toch nog een vraag of twijfel je? Neem contact op met de AVS Helpdesk (alleen voor leden)!

Is de vrijdag na Hemelvaart een vrije dag?

De AVS Helpdesk krijgt met enige regelmaat de vraag of de vrijdag na Hemelvaart een algemeen erkende feestdag en "dus een vrije dag" is. Strikt juridisch gezien luidt het antwoord “nee”, maar in de praktijk zullen zowat alle scholen op de vrijdag na Hemelvaart gesloten zijn. Hieronder lees je de toelichting op dit antwoord…

(Collectieve) arbeidsovereenkomst

Het is belangrijk om je te realiseren dat algemeen erkende feestdagen (en dagen die daarmee worden gelijkgesteld) niet automatisch vrije dagen zijn. Of medewerkers een verplichte vrije dag hebben op een algemeen erkende feestdag (of een dag die daarmee is gelijkgesteld), wordt bepaald door de (collectieve) arbeidsovereenkomst.

Algemene termijnenwet (ATW)

Algemeen erkende feestdagen zijn vastgelegd in de Algemene termijnenwet (ATW). Deze wet regelt alleen de verlenging van wettelijke termijnen (bijvoorbeeld voor het indienen van een bezwaarschrift of een betalingstermijn) die eindigen op een zaterdag, zondag of een algemeen erkende feestdag, waardoor deze termijnen worden verlengd tot de eerstvolgende werkdag. De ATW regelt niet dat deze dagen voor werknemers betaalde, verplichte vrije dagen zijn… Dát wordt afgesproken in (collectieve) arbeidsovereenkomsten!

Artikel 3 van de ATW luidt als volgt.

Koninklijk besluit

Naar aanleiding van artikel 3, lid 3 ATW wordt om de drie jaar een Koninklijk besluit gepubliceerd waarin bepaalde dagen worden gelijkgesteld met een algemeen erkende feestdag. Daarin wordt de vrijdag na Hemelvaart altijd genoemd. De vrijdag na Hemelvaart is daarom gelijkgesteld met een algemeen erkende feestdag – wat niet betekent dat het automatisch een verplichte vrije dag is!

Wat zegt de CAO PO?

In artikel 1.1 Begripsbepalingen CAO PO worden de algemeen erkende feestdagen opgesomd zoals die zijn opgenomen in artikel 3 lid 1 van de Algemene termijnwet (van kracht sinds 10-10-2010).

Hieronder staat de letterlijke tekst uit de CAO PO:

Algemeen erkende feestdagen*)
- Nieuwjaarsdag
- Eerste en tweede Kerstdag
- Tweede Paasdag
- Hemelvaartsdag
- Tweede Pinksterdag
- Koningsdag
- 5 mei, Nationale Feestdag
*) In de Algemene Termijnenwet wordt de Goede Vrijdag gelijkgesteld met de algemeen erkende feestdagen. Dit betekent dat de werkgever zelf een keuze kan maken of dit al of niet een werkdag is.

De vrijdag na Hemelvaart

Zoals je ziet, wordt de vrijdag na Hemelvaart in de CAO PO niet genoemd als een verplichte vrije dag, en ook niet als een keuzedag. Hoewel vrijwel alle scholen in Nederland (en in veel Europese landen) het hele Hemelvaartweekend gesloten zijn, kunnen medewerkers de vrijdag na Hemelvaart dus op grond van de CAO PO of andere wet- en regelgeving niet opeisen als een verplichte, betaalde verlofdag.

Het feit dat deze vrijdag steevast wordt gelijkgesteld met een algemeen erkende feestdag voor de toepassing van de Algemene termijnenwet, verandert daar niets aan.

Gevolgen voor medewerkers, leerlingen en onderwijstijd

Hoewel scholen bij wijze van spreken sinds mensenheugenis de vrijdag na Hemelvaart vrijaf geven aan medewerkers en leerlingen, kan een bestuur eisen dat de medewerkers die dag toch komen werken. Ook kan het bestuur besluiten dat de school gewoon open is en er dus wordt lesgegeven.

Geef je de leerlingen vrijaf op de vrijdag na Hemelvaart, dan telt de driedaagse schoolweek die zo ontstaat in principe mee voor de zeven gebroken. Roept dit vragen op? Bel de AVS Helpdesk (alleen voor leden)!

Wet medezeggenschap scholen (Wms)

Artikel 12 lid 1 sub e van de Wms geeft de personeelsgeleding van de medezeggenschapsraad (PMR) instemmingsbevoegdheid met betrekking tot de verlofregeling van het personeel. Dat betekent dat je als directeur of bestuur niet zomaar iets anders kunt bepalen met betrekking tot de de vrijdag na Hemelvaart - daarvoor is instemming nodig van de PMR.

Artikel 16 lid 1 van de Wms geeft een GMR dan wel een PGMR of een OGMR de bevoegdheid in de plaats te treden van de medezeggenschapsorganen op schoolniveau als "het aangelegenheden betreft die van gemeenschappelijk belang zijn voor alle scholen of voor de meerderheid van de scholen, in de plaats van de medezeggenschapsraad van die scholen." Dit wil zeggen dat op bestuursniveau "in het algemeen belang" kan bepaald worden of de vrijdag na Hemelvaart al dan niet een werkdag is. Wil het bestuur iets wijzigen, dan is instemming nodig van de PGMR. Als de PGMR instemt, geldt de afspraak voor alle scholen die onder het bevoegd gezag vallen.

Als directeur moet je dus, voordat je met je werkverdelingsplan aan de slag gaat, weten waar de bevoegdheid ligt binnen je eigen organisatie om de vakanties en vrije dagen van de medewerkers vast te stellen zoals artikel 12 lid 1 sub e van de Wms bepaalt.

Voor alle duidelijkheid: het gaat hier dus niet om de vakanties van de leerlingen. Daarvoor hebben ouders instemmingsrecht (vaststellen onderwijstijd, artikel 13 lid 1 sub h). Uiteraard is er een verband tussen beide vakantieregelingen, waarbij geldt dat leerlingen wel een vrije dag of vakantie kunnen hebben als de medewerkers aan het werk zijn - maar omgekeerd kan dat niet.

Voor alle ins & outs over dit onderwerp: download de Handreiking Werkverdelingsplan en jaartaak PO in onze webshop (prijs € 12,95, maar gratis voor leden - houd je lidnummer bij de hand). Leden kunnen ook contact opnemen met onze Helpdesk.

Waar vind ik de actuele versie van de CAO PO en van de salaristabellen?

De CAO PO 2025-2027 gaat in op 1 november 2026 en loopt tot 1 maart 2027. Hieronder vind je de links naar de actuele versie van onze cao en de bijbehorende salaristabellen (die overigens ook achterin de cao staan).

AVS geeft de CAO PO 2025-2027 ook uit op papier. Binnenkort kan je de hardcopy versie bestellen via onze webwinkel! Houd onze website en de nieuwsbrief in de gaten voor meer informatie.

Wat is er in de CAO PO geregeld over medezeggenschap?

De CAO PO geldt voor alle werkgevers en werknemers die onder deze cao vallen. Bij medezeggenschap denk je in de eerste plaats aan de Wet medezeggenschap op scholen (WMS). Echter ook in de CAO PO zijn afspraken opgenomen die raken aan de medezeggenschap! We zetten ze hieronder voor je op een rij.

CAO en medezeggenschap

In een collectieve arbeidsovereenkomst (cao) worden de arbeidsvoorwaarden afgesproken die gelden voor een specifieke bedrijfstak, sector of onderneming. Deze afspraken zijn een aanvulling op de wet en op de individuele arbeidsovereenkomst, en gelden voor alle werknemers die onder de werkingssfeer van de betreffende cao vallen. 

In de cao voor het primair onderwijs (CAO PO) staat echter ook een groot aantal afspraken over de verhouding tussen de werkgever en het personeelsdeel van de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad: de P(G)MR. Zo kun je in de CAO PO lezen wat de minimale faciliteiten moeten zijn voor het personeelsdeel van de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad (P(G)MR), zoals het aantal beschikbare uren voor overleg en scholing. Ook staat in de CAO PO dat een werkgever bepaalde keuzes mag maken die voor alle personeelsleden gelden, nadat hij eerst instemming heeft verkregen van de P(G)MR. De P(G)MR in het primair onderwijs heeft op basis van de CAO PO op meer dan dertig onderwerpen instemmingsbevoegdheid!

Nieuw in CAO 2025-2027

In de CAO PO 2025-2027 zijn twee nieuwe opties voor regelingen opgenomen

  • werkgevers kunnen in overleg met de PGMR een regeling vaststellen voor werknemers die een studieschuld hebben met als doel voordeliger af te lossen op hun studieschuld.
  • werkgevers kunnen een vergoedingsregeling woon-werkverkeer vaststellen voor werknemers die deelnemen aan de leasefietsregeling.

De PGMR heeft instemmingsbevoegdheid voor beide regelingen.

Bevoegdheden P(G)MR die in de CAO PO zijn opgenomen

Onderwerp  Bevoegdheid MRArtikel CAO 
Afwijkingen standaardbepalingen voor zover de CAO PO dit toestaat instemming PGMR 1.7 lid 3 
Meerjarenformatiebeleid instemming P(G)MR 2.1 lid 1 
Bestuursformatieplan instemming P(G)MR 2.1 lid 1 
Regeling introductie en begeleiding van startende werknemers instemming P(G)MR 2.1 lid 4 
Kaders vervangingsbeleid instemming P(G)MR 2.1 lid 4 
Werkverdelingsplan instemming PMR 2.2 lid 11 
Functiegebouw instemming PGMR 5.1 lid 2 
Invulling functiegebouw schoolniveau instemming PMR 5.1 lid 3 
Bovenschoolse functies instemming PGMR 5.1 lid 4 
Inrichting, samenstelling en reglement interne bezwarenprocedure functiewaardering instemming PGMR 5.4 lid 1 en 2 
Beloningsbeleid (o.a. periodieke verhogingen) instemming P(G)MR 6.1 lid 9 
Toekenning arbeidsmarkttoelage aan andere scholen instemming PGMR 6.10 lid 3 
Bedragen/percentages arbeidsmarkttoelageinstemming PGMR 6.10 lid 5 
Gratificaties en toelagen instemming PGMR 6.15 lid 2 
Vergoedingsregeling verhuiskosten instemming PGMR 7.1 lid 1 
Keuze voor andere routeplanner dan die zijn opgenomen in CAO instemming PGMR 7.2 lid 4 
Vergoedingsregeling woon-werkverkeer beter dan CAO instemming PGMR 7.2 lid 13 
Reis- en verblijfkostenregeling instemming PGMR 7.3 lid 1 
Vergoedingsregeling woon-werkverkeer voor werknemers die gebruik maken van leasefietsregeling instemming PGMR 7.6 lid 3 
Regeling aflossen eigen studieschuld instemming PGMR 7.8 lid 1 
Andere opbouw vakantieverlof dan 1 oktober – 1 oktober instemming PGMR 8.1 lid 2 sub a 
Andere opbouw vakantieverlof dan 1 januari – 1 januari (alleen voor OOP zonder lesgebonden en/of behandeltaken)instemming PGMR 8.3 lid 5 
Andere wijze opnemen vakantieverlof justitiële inrichting en pilotscholen instemming PGMR 8.4 lid 1 
Regeling volgorde honoraria ingediende verzoeken spaarverlof instemming PGMR 8.20 
Meerjarig professionaliseringsbeleid (MJPB) instemming PGMR 9.1 lid 2 
Verantwoording MJPB schoolniveau, inclusief resultaten en besteding budget ter informatie PMR 8.1 lid 3 
Regeling gesprekkencyclus instemming PGMR 9.2 
Begeleiding starters (leraren en schoolleiders) instemming PGMR 9.5 lid 2 
Gezonde en veilige werkomgeving instemming PGMR 11.5 lid 1 
Benoeming preventiemedewerker(s) instemming PGMR 11.6 
Plan van aanpak voortvloeiend uit RI&E instemming PMR 
instemming P(G)MR 
11.6 
11.7 
Regeling facilitering personeelsleden P(G)MR instemming P(G)MR 13.3 lid 5 
Lager aantal uren spaarverlof instemming PGMR Bijlage IX
artikel 1 lid 2 
Benoeming lid bezwarencommissie FUWA PO Recht op bindende voordracht PGMR Bijlage V
artikel 2 lid 2 
Taken P(G)MR conform CAO PO 
Vóór 1 mei voorafgaand aan volgend schooljaar de werkgever op de hoogte stellen over het besluit inzet uren facilitering medezeggenschap  
Verantwoording besteding faciliteiten na afloop schooljaar   

Wat zijn veelvoorkomende misverstanden over functiewaardering?

Helaas komt AVS in het land diverse voorbeelden tegen van situaties waarin de nieuwe afspraken uit de CAO PO 2024-2025 niet worden uitgevoerd. Dat is buitengewoon ernstig, want waar dit aan de hand is, voert men de CAO PO niet uit - en dat kan en mag niet. Elk schoolbestuur in het primair onderwijs heeft zich aan de CAO PO te houden.

Misverstanden

AVS ziet ook situaties waarin argumenten worden aangedragen die nog uit oude tijden stammen of simpelweg niet juist zijn. Dit is de top 5 van misverstanden:  

1. “De schoolgrootte bepaalt de inschaling van de directeur“
Niet waar. Sinds 2020 zijn normfuncties afgeschaft, toen werd FUWA PO de maatstaf. Schoolgrootte is geen factor meer in FUWA PO en heeft geen directe invloed meer op de herwaardering.

2. “Er is geen geld om hogere salarisschalen toe te kennen aan medewerkers.“
Dit is feitelijk onjuist. De afspraken in de cao worden gemaakt binnen de financiële ruimte die er beschikbaar wordt gesteld door de overheid aan de scholen.

3. “Onze organisatie is te klein of te groot om directeuren in een hogere salarisschaal in te delen.“
Onjuist. Alleen je functiebeschrijving is bepalend – niet de omvang van de organisatie. De hierin opgeschreven werkzaamheden/bevoegdheden/verantwoordelijkheden bepalen wat de waardering van de functie is.

4. “We hebben de functie vlak voor 1 oktober 2024 beoordeeld, dus dat hoeft nu niet weer.”
Dit klopt niet. De wijzigingen die gelden per 1 oktober 2024 bevatten essentiële veranderingen, waardoor er een andere uitkomst van de functiewaardering kan zijn. Nieuwe cao-afspraken moeten door iedere werkgever moet worden nageleefd. Herwaardering is verplicht.

5. “Je zit nu in D12, maar kunt doorgroeien naar D13.”
Zo werkt het niet. De waardering en inschaling zijn gebaseerd op de functie die je vervult, niet op persoonlijke groei binnen diezelfde functie. Alleen als je functie zélf verandert, kan er een herwaardering volgen en bijbehorende salarisschaal.

Hoe voer je het goede gesprek?

Vaak lees je dat je met je team en/of met een individueel teamlid "het goede gesprek" moet voeren... Schoolleiders hebben doorgaans wel beeld bij wat hier wordt bedoeld, maar uit onderzoek van het Arbeidsplatform PO (AP-PO) blijkt dat dit voor leraren en onderwijsondersteuners niet zo vanzelfsprekend is. Opleidingen focussen met name op het voeren van gesprekken met leerlingen en ouders, maar het voeren van het goede (professionele) gesprek onderling en/of met jou als leidinggevende, roept bij medewerkers vaker twijfel en spanning op dan je zou verwachten. Het is daarom niet verkeerd om als schoolleider met je medewerkers aan dit onderwerp aandacht te besteden.

Voor achtergrondinformatie kun je de verkenning over dit onderwerp, uitgevoerd door het Arbeidsmarktplatform PO in 2025, er eens bij pakken. Het AP-PO heeft bovendien een handige toolbox ontwikkeld die je kunt inzetten.

Hoe zit het met therapie onder schooltijd?

Je hebt het wellicht zelf al meegemaakt: een ouder die jouw leerkracht tussen neus en lippen door meldt dat het kind logopedie of fysiotherapie nodig heeft en dus de komende weken elke maandagochtend om 10 uur wordt opgehaald om naar de behandelaar te gaan… Dat kan natuurlijk niet zomaar!

Overleg tussen school en ouders is altijd een eerste vereiste. Uiteindelijk geef jij als directeur, namens het bevoegd gezag, al dan niet toestemming voor een behandeling onder schooltijd. Op schoolniveau kun je deze bevoegdheid in bepaalde, helder omschreven gevallen, overdragen aan je intern begeleider als kwaliteitscoördinator of je leerkrachten.

Naar de fysiotherapeut, de logopedist enzovoort

Leerlingen die onder schooltijd een medisch of paramedisch geïndiceerde behandeling moeten ondergaan, kunnen vrijgesteld worden van onderwijs op grond van artikel 11, onder d, van de Leerplichtwet 1969. Overigens vallen onder dit artikel ook de leerlingen die door de ouders worden ziek gemeld (griepje, migraine, gebroken been enz.). Hun verzuim wordt geregistreerd als geoorloofd verzuim. Onder paramedische zorg vallen fysiotherapie, oefentherapie, logopedie, ergotherapie en diëtetiek; een bewijsstuk voor de noodzaak van de behandeling neem je op in de verzuimregistratie. Als school kun je overigens ouders wel verzoeken om de behandelaar te vragen de behandelsessies zoveel mogelijk buiten lestijd te plannen. Gezien de overbelasting van de (paramedische) zorg is dat niet altijd mogelijk…

Langdurige behandeling

In een aantal gevallen is een meer intensieve of een langduriger behandeling (therapie) nodig, bijvoorbeeld als er sprake is van ernstige psychosociale problematiek. Dan weeg je de mate mee waarin de problematiek de ontwikkeling van het kind op school belemmert. Besluit je dat de behandeling nodig is en vindt ze plaats onder lestijd, dan kun je als school ook in dit geval verlof geven op basis van artikel 11, onder d, van de Leerplichtwet 1969.

Onderwijs elders

Het wordt anders als de leerling in het geheel niet meer in staat is om onderwijs te volgen en voor de therapie bijvoorbeeld tijdelijk opgenomen wordt in een residentiële instelling waar onderwijs en therapie worden gecombineerd. In dat geval is het aanvragen van afwijking in beginsel aan de orde als door de leerling het wettelijk voorgeschreven minimum aantal uren onderwijs niet haalt. De inspectie stemt in deze gevallen zonder voorafgaande aanvraag in met onderschrijding van het wettelijk minimum aantal uren onderwijs als:

- de school in het bezit is van een verklaring van de verantwoordelijke behandelaar van de therapieverzorgende residentiële instelling waaruit blijkt dat de gevraagde beperking van het aantal uren onderwijs in het belang van de ontwikkeling van de leerling noodzakelijk is en
- indien uit die verklaring blijkt om hoeveel uren behandeling onder schooltijd het gaat en op welke tijdstippen deze plaatsvindt.

Bijzondere gevallen

In alle andere gevallen geldt dat de school een aanvraag voor afwijken van de onderwijstijd moet indienen bij de inspectie. In de aanvraag vermeld je - namens het bevoegd gezag - het volgende:

- het aantal uren per week en de periode gedurende het schooljaar;
- er is voor de leerling een ontwikkelingsperspectief (opp) opgesteld dat aan de vereisten voldoet genoemd in de ter zake geldende beleidsregel;
- in het voorkomende geval: dat eerder is verzocht om afwijking van de onderwijstijd.

Meer informatie

Twijfel je? Neem contact op met je inspecteur! De beleidsregel van de inspecteur-generaal van het onderwijs inzake het instemmen met afwijking van het verplichte aantal uren onderwijs, vind je hier: https://wetten.overheid.nl/BWBR0041216/2018-08-01. De tekst in de Staatscourant (met toelichting) vind je hier: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2018-42600.html.

Hoe zorg ik voor een digitaal veilige omgeving op mijn school?

ICT is niet meer weg te denken uit het onderwijs - dat geldt voor alle sectoren. Sectorbreed nemen de privacy- en beveiligingsrisico’s toe. Steeds vaker gaat het (bijna) mis, waardoor gegevens van leerlingen, medewerkers en ouders op straat komen te liggen of lessen niet kunnen doorgaan. Het schoolbestuur heeft de verantwoordelijkheid om samen met de schoolleiders en IBP’er(s) een digitaal veilige omgeving voor alle betrokkenen te realiseren. IPB staat voor Informatiebeveiliging en privacy.

Normenkader IPB

Er is een Normenkader IPB opgesteld dat bestaat uit 69 normen voor informatiebeveiliging en 25 normen voor privacy. Deze normen geven je inzicht in de maatregelen die nodig zijn voor een zo goed mogelijke bescherming tegen digitale dreigingen en privacyrisico’s. Elke norm bestaat uit een aantal vaste onderdelen:
- een beschrijving van de norm,
- duiding over waarom de norm nodig is,
- maatregelen per volwassenheidsniveau,
- voorbeelddocumenten en
- gerelateerde wetten en normen.

Er zijn vijf volwassenheidsniveaus: (1) ad hoc (2) herhaalbaar (3) bepaald (4) beheerst (5) continue verbeteren. Door bepaalde maatregelen te nemen, bereik je een bepaald volwassenheidsniveau per norm. Een hoger niveau betekent een betere bescherming van systemen en gegevens en een verminderd risico op datalekken, cyberaanvallen en privacyschendingen. Niveau 3 is het minimum waar je aan zou moeten voldoen.

Het Normenkader IBP is omvangrijk en het kan lastig zijn om te bepalen waar je moet beginnen. Het Groeipad helpt daarbij. Het is een wegwijzer door het Normenkader IBP, waarmee je stapsgewijs de digitale veiligheid op orde brengt.

Ondersteuning en vragen

Het ministerie van OCW, Kennisnet, SIVON, de PO-Raad en de VO-raad werken samen om scholen en besturen te ondersteunen bij het op orde brengen van die digitaal veilige schoolomgeving. Dat doen zij in het programma Digitaal Veilig Onderwijs. Voor alle informatie en voor ondersteuning kun je terecht bij Kennisnet support: 0800 321 22 33 of ibp@kennisnet.nl.

Wat als een buitenlandse reis niet onder onderwijstijd plaatsvindt (zoals een wintersportreis)?

Een school mag een activiteit voor een zeker aantal leerlingen organiseren, bijvoorbeeld voor een klas, of een grotere vooraf bepaalde groep leerlingen van de school, maar de leerlingen van wie de ouders niet betalen mogen daarvan niet worden uitgesloten.

Een buitenlandreis die plaatsvindt in een vakantie, valt onder de zogenaamde "extra activiteiten of programma’s buiten het verplichte lesprogramma, georganiseerd door of namens de school". Het maakt niet uit of deze activiteit binnen of buiten schooltijd plaatsvindt en wie de activiteit uitvoert. Ook activiteiten die worden uitgevoerd door andere organisaties, zoals de ouderorganisatie, vallen onder de vrijwillige ouderbijdrage.

Voor dergelijke activiteiten gelden de regels voor de vrijwillige ouderbijdrage. Leerlingen mogen niet worden uitgesloten van activiteiten die door of namens de school worden georganiseerd als hun ouders de vrijwillige ouderbijdrage niet betalen. Wordt er bijvoorbeeld door of namens de school een wintersportreis georganiseerd in de krokusvakantie, dan kunnen in principe alle leerlingen mee die tot de doelgroep behoren (bijvoorbeeld een klas of een jaargroep). Ook als de ouders niet betalen.

Een ander voorbeeld: namens de school wordt een wintersportreis georganiseerd. In verband met de grootte van de bus, kunnen vijftig leerlingen van de school mee. Wie er meegaat, mag door middel van loting worden bepaald. De groep deelnemende leerlingen mag echter niet worden bepaald door het al dan niet betalen van de vrijwillige ouderbijdrage door de ouders.

Meer informatie?
- Brochure Regels voor de vrijwillige ouderbijdrage (vanaf 1 september 2023).
- Veelgestelde vragen met betrekking tot de vrijwillige ouderbijdrage.

Moet de school een verplicht alternatief onderwijsaanbod bieden voor leerlingen die niet mee gaan met een buitenlandse reis?

Deelname aan een buitenlandse reis in het kader van het onderwijsaanbod, is verplicht. Het wordt natuurlijk wel ingewikkeld als ouders geen toestemming geven aan hun kind om onder begeleiding van school naar het buitenland te gaan. De school kan de leerling op dat moment niet verplichten om mee te gaan en dient een alternatief lesprogramma te voorzien waarin alsnog de lesstof wordt aangeboden die tijdens de schoolreis aan bod komt.

Mogen scholen met groepen leerlingen een buitenlandse reis maken?

Scholen mogen met hun leerlingen op schoolreis in het buitenland. Dat vraagt echter wel om wat extra voorbereiding!

Identiteitsbewijs

Ten eerste moet elk kind dat mee op reis gaat, beschikken over een geldig reisdocument. Lijsten of kopieën van documenten zijn niet (meer) geldig! Voor de meeste Europese bestemmingen voldoet een identiteitskaart. Voor sommige bestemmingen - ook binnen Europa - is een paspoort nodig. Denk bijvoorbeeld aan het Verenigd Koninkrijk, waar je sinds de Brexit niet meer binnen mag als je geen paspoort hebt (en geen ETA).

Toestemmingsformulier

Je moet ook toestemming hebben om met een leerling de grens over te gaan. Informatie hierover vind je op de website van de Rijksoverheid en op de website van het Centrum IKO. Schrik niet, deze laatste is de officiële website over internationale kinderontvoering! Op beide websites kun je het toestemmingsformulier downloaden.

​Waar moet ik aan denken bij de wet Passend onderwijs en de rol van de MR?

Voor informatie over dit onderwerp kun je terecht op de website van het Steunpunt Passend onderwijs en op de website van Sterk Medezeggenschap.

Welke faciliteiten worden toegekend aan de medezeggenschapsraad en de ondersteuningsplanraad?

Artikel 13.3 CAO PO geeft aan hoe de faciliteiten van de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad ((G)MR) zijn geregeld. Voor de faciliteiten van de ondersteuningsplanraad geldt artikel 13.3a.

Ondersteuningsplanraad

Dat is heel eenvoudig: een werknemer die in de ondersteuningsplanraad zit, heeft 60 uren per schooljaar ter beschikking. Meer staat er niet in dat artikel.

Medezeggenschapsraad

Kosten

Lid 1 van artikel 13.3 geeft aan dat de kosten die de (G)MR redelijkerwijs maakt, worden betaald door het bevoegd gezag. Hieronder vallen de kosten voor scholing, advies en juridische bijstand, en ook alle andere kosten die het functioneren van de MR en het contact met de achterban bevorderen (denk aan kopieerkosten, het faciliteren van een vergaderlocatie inclusief koffie/thee enzovoort).

Sommige kosten moet de (G)MR wel van tevoren kenbaar maken aan het bevoegd gezag: het gaat dan om het raadplegen van een deskundige en het voeren van rechtsgedingen door de medezeggenschapsraad. Heeft de (G)MR het bevoegd gezag niet van tevoren geïnformeerd, dan kan het bevoegd gezag besluiten om die kosten niet te willen dragen.

Tijd

Een medewerker die in de (G)MR zit, heeft binnen taakbeleid recht op 60 uur. Zit hij of zij in de GMR én in de MR, dan wordt dat 100 uur. Wie voorzitter of secretaris is, krijgt 20 uur extra.

Bijlage A11 van de CAO PO

In bijlage A11 vind je bedragen die gelden als bevoegd gezag en (G)MR op basis van artikel 28 lid 2 WMS een budget overeenkomen. Het betreft dan steeds de personeelsgeleding (dus de eventuele kosten voor de oudergeleding komen daar bovenop).

Scholing

In het medezeggenschapsstatuut neem je een regeling (op grond van artikel 28 lid 3 WMS) op over de facilitering in tijd van de P(G)MR-leden voor overleg, scholing en andere medezeggenschapsactiviteiten. Daarbij wordt ten minste uitgegaan van de faciliteiten die door de CAO PO worden voorgeschreven.

Sowieso heeft een P(G)MR-lid recht op drie dagen scholing per twee jaar (zo nodig onder lestijd).

Verantwoording

Na afloop van een schooljaar moet de P(G)MR zijn uitgaven verantwoorden richting het bevoegd gezag.

Welke rol speelt de (G)MR bij besluiten en beleid in een crisissituatie?

Cisissituaties vragen veel van alle betrokken.  De Wet medezeggenschap scholen (WMS) voorziet niet in voorschriften voor crisissituaties. Het bestuur, de directie en de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad ((G)MR) hebben zich dus in eerste instantie te houden aan de bepalingen, zoals die door de wet worden voorgeschreven. In de praktijk echter mag je in een crisissituatie wel enige flexibiliteit verwachten van je (G)MR. Als de (G)MR hierin niet wil meegaan, dan is dat - kort door de bocht gesteld - heel vervelend maar dan is het helaas zo. Je zult achteraf hierover het gesprek met elkaar moeten voeren.

Neem je (G)MR mee!

Feitelijk kan het overleg met je medezeggenschapsraad tijdens een crisissituatie niet stilvallen! Integendeel, het is juist verstandig dat je je (G)MR blijft betrekken bij besluiten. Zo bundel je de krachten en kom je tot oplossingen die op voldoende draagvlak kunnen rekenen. Is er tempo nodig, neem dan je medezeggenschapsraad goed mee zodat zij de besluitvorming begrijpen én kritisch kunnen volgen. Dat is van belang, zeker als het lastige besluiten betreft.

Tussen overheid en medezeggenschap

Het begint allemaal met infomeren en communiceren. We hebben tijdens de coronapandemie gezien dat er vanuit de overheid soms vaak en veel wordt gecommuniceerd... Overheidsmaatregelen vereisen wel eens zodanige spoed dat het niet altijd haalbaar is om eerst met de (G)MR te overleggen. Maatregelen vanuit het RIVM en/of de regering moeten simpelweg uitgevoerd worden. Soms gaat een maatregel meteen in, en is het zaak om de (G)MR zo gauw mogelijk te informeren over de vertaling van de maatregel naar schoolniveau, én over de gevolgen voor eventueel beleid. Een belangrijke vraag is dan altijd: is dit een noodmaatregel of moeten/kunnen we hier beleid op maken?

Repareer het dak als de zon schijnt

Spreek af om soepel om te gaan met termijnen. Bewaak daarbij de balans tussen snelheid en zorgvuldigheid. Spreek af hoe de (G)MR bij de besluitvorming betrokken wordt. Betrek (de voorzitter van) de (G)MR zoveel mogelijk bij de interne discussies die worden gevoerd en bij beslissingen die genomen worden. Het is wellicht handig om als de zon schijnt, het dak te repareren: leg afspraken over hoe te communiceren en te handelen in een crisissituatie, vast in een kleine handleiding. In zo'n protocol kun je eventueel verschillende (algemene) scenario's uitwerken.

WMS

In de WMS staan verschillende artikelen waarop de (G)MR zich kan beroepen.

Als er sprake is van een pandemie, dat is artikel 10.1 sub e belangrijk: instemmingsbevoegdheid van de hele (G)MR op de regelingen voor veiligheid, gezondheid en welzijn. Ook artikel 11.1 sub f, dat adviesbevoegdheid toekent aan de hele MR over de organisatie van de school, kan hier een rol spelen.

Als thuisonderwijs aan de orde is, komt het beleid rondom de voorzieningen voor leerlingen in beeld. In het primair onderwijs is dat een instemmingsbevoegdheid van de oudergeleding (artikel 13.1 sub d).

Soms kan om organisatorische redenen een afwijking van het vastgestelde vakantierooster nodig zijn. Hiervoor geldt de adviesbevoegdheid van de (G)MR (artikel 11.1 sub l, regeling van de vakantie).

Hoe kunnen besluiten genomen worden zonder (voltallige) medezeggenschapsraad?

In onze wet- en regelgeving (onder andere onderwijswetgeving en cao’s) zijn de bevoegdheden voor instemming en advies neergelegd bij de medezeggenschapsraad. Als er geen medezeggenschapsraad is, dan kan het bestuur niet besturen en kun je dus ook op schoolniveau geen beleid maken en besluiten nemen.

Verplicht

Elke school moet een medezeggenschapsraad hebben (artikel 3 lid 1 WMS). Strikt genomen betekent dit dat per instellingscode (voorheen BRIN-nummer) een medezeggenschapsraad verplicht is. Deze verplichting geldt niet voor een nevenvestiging of dislocatie. Overigens kan voor een nevenvestiging dan wel een dislocatie een zogenaamde deelraad ingesteld worden (artikel 20 lid 1 WMS).

Het kan zijn dat door omstandigheden of onenigheid een geleding van de medezeggenschapsraad onvolledig is of zelfs ontbreekt. Het is dan in eerste instantie aan de geleding zelf (personeel, ouders en in het VO ook leerlingen) om aan de wettelijke verplichting te voldoen. Dat kan door middel van het uitschrijven van nieuwe verkiezingen.

Is er helemaal geen vertegenwoordiging in de medezeggenschapsraad, dan dient het bestuur alles in het werk te stellen om zo snel mogelijk weer een medezeggenschapsraad te hebben. Het bestuur dient dan zowel personeelsleden als ouders (en in het VO leerlingen) op te roepen en te stimuleren om zitting te nemen in de medezeggenschapsraad.

Hoe zit het met de doorbetaling van een medewerker die ten gevolge van zwangerschap langdurig ziek is?

Op grond van artikel 4 van de Regeling Ziekte en arbeidsongeschiktheid primair onderwijs (ZAPO, bijlage XVII van de CAO PO), hebben werknemers recht op 100% doorbetaling gedurende het eerste ziektejaar. Daarna wordt het salaris met 30% gekort over de ziekte-uren.

Er is een uitzondering voor vrouwen die na hun zwangerschaps- en bevallingsverlof arbeidsongeschikt zijn, waarbij geldt dat de arbeidsongeschiktheid een gevolg is van de zwangerschap en/of bevalling. Zij behouden ook in hun tweede ziektejaar 100% salaris. Dat salaris is wel gebonden aan het maximumdagloon (= sociaal verzekeringsloon, kortweg SV-loon genoemd). Dat wordt door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid elk jaar in januari en juli opnieuw vastgesteld op basis van de algemene loonontwikkeling in Nederland.

In 2025 bedroeg het maximum dagloon (SV-loon) € 297,82 bruto (inclusief vakantiegeld). Voor actuele bedragen kun je terecht op de website van het UWV.

Hoe dient er gehandeld te worden indien een leerling hulp nodig heeft bij medicijnverstrekking?

Voor alle informatie over dit onderwerp: download de factsheet Gezondheidszorg in onderwijstijd, uitgegeven december 2021 door de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).

Is het toegestaan om in het PO structureel een vierdaagse schoolweek in te voeren als er sprake is van een lerarentekort?

We kunnen kort en bondig antwoorden: een structurele vierdaagse schoolweek is wettelijk niet toegestaan.

In 2021 heeft het Ministerie van Onderwijs een brochure uitgegeven waarin de regels met betrekking tot onderwijstijd worden uiteengezet.

In het kader van het Experiment flexibele onderwijstijden in het basisonderwijs hebben elf scholen tussen 1 augustus 2011 en 1 augustus 2018 de mogelijkheid gekregen om af te wijken van twee wettelijke bepalingen: de centraal vastgestelde vakanties en de schoolweek van minimaal vijf dagen. Dit experiment leidde niet tot een flexibilisering van de onderwijstijd omdat bleek dat de onderwijskwaliteit op de deelnemende scholen te vaak in de verdrukking kwam.

Zijn er nieuwe bekwaamheidseisen voor leraren?

Ja, die zijn er. In september 2025 werd de brochure Herijking Bekwaamheidseisen Leraar gepubliceerd. De wetgeving is nog niet aangepast.

Wetgeving

Jouw leraren moeten voldoen aan een aantal wettelijke bekwaamheidseisen. In 2006 werd de Wet op de beroepen in het Onderwijs (kortweg de Wet BIO genoemd) van kracht. In 2017 kwamen er nieuwe bekwaamheidseisen die voortborduurden op de ervaringen met de Wet BIO. De nieuwe bekwaamheidseisen vind je in het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel van 16 maart 2017, dat intussen alweer een paar keer is aangepast, meest recentelijk per 1 augustus 2022.

Het besluit gaat uit van drie bekwaamheidseisen die in artikel 2.2 worden genoemd:
a. de vakinhoudelijke bekwaamheid;
b. de vakdidactische bekwaamheid; en
c. de pedagogische bekwaamheid.
In de daaropvolgende wetsartikelen worden de bekwaamheidseisen nader uitgewerkt in de vorm van eisen én aanvullende eisen per type onderwijs:
- basisonderwijs, special basisonderwijs en speciaal onderwijs
- voorgezet onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs
- beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Bij de werving van nieuw personeel mogen scholen alleen leraren in dienst nemen die aan de wettelijke bekwaamheidseisen voldoen. Leraren die daar niet aan voldoen, moeten de gelegenheid krijgen om deze te leren. Scholen mogen zelf aanvullende eisen stellen (denk bijvoorbeeld aan jenaplanscholen, daltonscholen, montessorischolen, waldorfscholen enzovoort).

Bekwaamheidsdossier

Artikel 32b. WPO en artikel 32b WEC schrijven voor dat het bevoegd gezag (vaak is dit jouw verantwoordelijkheid) beschikt over een bekwaamheidsdossier: "geordende gegevens met betrekking tot de bekwaamheid en het onderhouden van de bekwaamheid" van "elk personeelslid dat een functie of werkzaamheden verricht waarvoor bekwaamheidseisen zijn vastgesteld".

Beroepsbeeld leraren: vierde bekwaamheidseis

In mei 2024 werd het Beroepsbeeld leraren gepubliceerd. Daarin heeft de beroepsgroep van leraren de
essentie van het beroep beschreven:
- de leraar draagt kennis en vaardigheden over aan de leerling,
- de leraar is expert in het omgaan met leerlingen en
- de leraar zorgt voor een veilige en stimulerende plek om te leren.
Deze essentie wordt weergegeven volgens de driedeling van inhoudelijke, didactische en pedagogische bekwaamheid, met een toevoeging van een vierde categorie, namelijk de professionele bekwaamheid.

De professionele bekwaamheid draait om de vraag wat een leraar moet kennen en kunnen om reflectief en onderzoekend te handelen en zich daarmee te verhouden tot zichzelf en de omgeving binnen en
buiten de school of opleiding. Hiermee wordt onderstreept dat leraren ook moeten kunnen omgaan met maatschappelijke vraagstukken, schoolontwikkeling en professionele relaties.

Herijking bekwaamheidseisen voor leraren

In september 2025 werd een brochure gepubliceerd waarin de herijkte bekwaamheidseisen voor leraren staan. Behalve de hierboven genoemde professionele bekwaamheid, zijn hierin ook de begrippen startbekwaam en vakbekwaam concreter uitgewerkt en nader geduid.

Startbekwaamheid richt zich op de kern van het beroep leraar, namelijk het verzorgen van onderwijs. Dat betekent dat het zwaartepunt voor startbekwaamheid komt te liggen bij inhoudelijke, didactische en pedagogische bekwaamheid.

Vakbekwaamheid richt zich op de aspecten van inhoudelijke, didactische en pedagogische bekwaamheid die oefening en ervaring vragen, namelijk het uitbreiden van het handelingsrepertoire door autonomer en meer leerlinggestuurd te handelen in complexere situaties. Daarnaast richt het zich op de professionele bekwaamheid, namelijk de wijze waarop de leraar reflectief en onderzoekend handelt ten opzichte van zichzelf, de organisatie, de omgeving van de organisatie en de beroepsgroep als geheel.

De rol van de Inspectie

De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de kwaliteit van het onderwijs op scholen, en niet op de kwaliteit van de individuele leraar. Echter als een school niet voldoet aan de eisen voor de onderwijskwaliteit, kan de inspectie wel besluiten om naar de bekwaamheidsdossiers op de school te kijken.