Lees ook

  • Kinderopvangfonds stopt, beweging gaat door

    Het Kinderopvangfonds startte in 2007, maar stopt nu. De beweging die op gang is gebracht, gaat echter wel door! Dat bleek tijdens de slotbijeenkomst van Het Kinderopvangfonds in de Meervaart in Amsterdam. Er waren veel woorden van dank voor het belangrijke pionierswerk van het Kinderopvangfonds voor de ontwikkeling van de kinderopvang in Nederland en de bijdrage aan de verbindingen in de integrale kindcentra. AVS is altijd betrokken geweest als partner en blijft betrokken bij het PACT voor...

  • Tiende IKC-congres op 29 september, Utrecht

    Op vrijdag 29 september 2023 vindt voor de tiende keer de landelijke IKC-dag plaats. Dit jaar is de insteek IKC: integraal én inclusief, met als congrestitel: Een plek voor ieder kind. ...

  • School en crèche apart: niet meer van deze tijd!

    In Nederland sluiten kinderopvang en onderwijs ‘technisch gesproken’ niet goed op elkaar aan: het zijn twee aparte systemen, met een eigen cao, een eigen bekostiging et cetera. We zijn al jaren bezig om kindcentra te ontwikkelen en al die ‘technische’ verschillen maken dat niet makkelijk. Schoolleiders die leiding geven aan IKC’s, weten daar alles van. Helaas is het plan voor gratis kinderopvang opgeschoven van 2025 naar 2027. Momenteel wordt er gesleuteld aan het systeem...

Al het nieuws over opvang

Veelgestelde vragen: Vragen

  • Is een Verklaring omtrent gedrag verplicht voor tussenschoolse opvang (TSO)?

    Diegene, die met het toezicht op leerlingen bij de tussenschoolse opvang is belast, dient in het bezit te zijn van een verklaring omtrent het gedrag (VOG).

    De verklaring dient aan het bevoegd gezag te worden overgelegd en mag niet ouder dan 2 maanden zijn.

  • Is de school verplicht om de tussenschoolse opvang (TSO) te regelen?

    Artikel 45 van de Wet op het primair onderwijs (WPO) bepaalt dat het bevoegd gezag zorg draagt voor een voorziening voor leerlingen om de middagpauze onder toezicht door te brengen, indien ouders hierom verzoeken. De kosten die hieruit voortvloeien komen voor rekening van de ouders (artikel 45, eerste lid, onderdeel d WPO).

  • Kan bij tussenschoolse opvang (TSO) een geldelijke bijdrage aan de ouders worden gevraagd bij een continurooster?

    Indien de oudergeleding heeft ingestemd met een verplichte aanwezigheid van leerlingen tijdens de pauze en de lunchpauze is aangemerkt als onderwijstijd, dan is er sprake van een continurooster en kan voor deze tijd geen verplichte geldelijke bijdrage van ouders worden gevraagd.
    Er is alleen sprake van een continurooster als leerlingen verplicht zijn om tijdens de lunchpauze op school te blijven. Het is aan de school om te bepalen of zij de leerlingen wil verplichten in de pauze op school te blijven (schooltijd) en of men zodoende de pauze wil laten meetellen als onderwijstijd. In de onderwijswetgeving worden geen voorschriften gegeven voor de indeling van de onderwijstijd en de lengte van pauzetijden. Indien er sprake is van een continurooster dan mag de school daarvoor geen verplichte bijdrage van de ouders vragen. Indien scholen zich hier niet aan houden, dan kunnen ouders de school of het schoolbestuur daar op aanspreken en eventueel een signaal afgeven bij de Inspectie van het Onderwijs. De Inspectie van het Onderwijs ziet toe op de naleving van de onderwijswet- en regelgeving.

  • Kan bij tussenschoolse opvang (TSO) bij andere vormen dan het continurooster aan de ouders een geldelijke bijdrage worden gevraagd?

    Ouders zijn gehouden aan het betalen van de kosten van de tussenschoolse opvang als zij daar gebruik van maken.
    In artikel 45 Wet op het primair onderwijs (WPO) worden regels gesteld over de tussenschoolse opvang. Als de tussenschoolse opvang niet onder de onderwijstijd valt, kan hiervoor een bijdrage van ouders worden gevraagd. Dit is niet afhankelijk van de personen die de opvang verzorgen.
    Ten minste de helft van de degenen die met het toezicht op de leerlingen worden belast in de tussentijdse opvang moet scholing op het gebied van overblijven hebben gevolgd. Ook moeten alle personen die toezicht houden op de leerlingen beschikken over een verklaring omtrent het gedrag.

  • Wat is de rol van de medezeggenschapsraad in de besluitvorming over de tussenschoolse opvang (TSO) over de roostering en de bijdrage die aan ouders wordt gevraagd?

    In artikel 13, eerste lid, onder h van de Wet medezeggenschap op scholen (WMS) is bepaald dat een school alleen met instemming van de oudergeleding van de medezeggenschapsraad kan beslissen of de lunchtijd onder de onderwijstijd valt of niet.
    Bovendien moeten ouders worden geraadpleegd voorafgaand aan het nemen van een besluit over het vaststellen van de onderwijstijd (artikel 15, derde lid Wet medezeggenschap op scholen (WMS).

  • Hoe start ik als schoolleider het overleg met de gemeente?

    Het is voor scholen en schoolbesturen niet altijd duidelijk of de gemeente deelneemt aan de Brede impuls combinatiefuncties en zo ja, hoe de gemeente dat gaat aanpakken. De schoolleider zal eerst na moeten gaan of de gemeente al in aanmerking komt voor deelname. Zie onderstaande lijst. Een manier om met de gemeente in contact te komen over combinatiefuncties is de Lokale Educatieve Agenda, een overleg tussen gemeente en onderwijsveld. Scholen kunnen ook zelf met hun gemeente contact opnemen. Samen met gemeenten en betrokkene organisaties kan het signaal gegeven worden dat ze eerder willen deelnemen. Het kan verder helpen als de school zich tot de gemeenteraad wendt met het verzoek om het College van B&W tot actie aan te zetten. Het verdient dus aanbeveling om als school zelf het initiatief te nemen, samen met de sport- of cultuursector. Op de website www.combinatiesfuncties.nl vindt u hierover meer informatie.

  • Wat houdt Brede impuls combinatiefuncties in?

    Op 10 december 2007 tekenden de Ministeries van VWS en OCW, de Vereniging Nederlandse Gemeenten, de Cultuurformatie en NOC*NSF het convenant 'Impuls brede scholen, sport en cultuur'. De Impuls richtte zich op de realisatie van 2.500 nieuwe arbeidsplaatsen met functies waarbij één persoon in dienst is van één werkgever, maar werkzaam is binnen twee organisaties of sectoren. Een belangrijke doelstelling is dat kinderen en jongeren een sportaanbod krijgen waarbij ze minimaal vijf keer per week kunnen sporten. Dit aanbod wordt gecreëerd door zowel school als de sport. Daarnaast speelt de cultuur sector ook een rol. Wanneer deze drie sectoren met elkaar gaan samenwerken, kan er een aanbod ontstaan waarin kinderen en jongeren hun talenten kunnen laten zien, sociale contacten kunnen leggen en vooral heel veel plezier kunnen hebben. De activiteiten die georganiseerd worden zullen plaatsvinden op school, maar ook bij de sportvereniging. Deze verenigingen moeten dan echter ook op deze taak zijn berekend. Daarom zet het kabinet met de impuls in op het versterken van ongeveer 10 procent van de Nederlandse sportverenigingen. Het gaat er dus vooral om de sportverenigingen structureel versterken. Dit in combinatie met school, kunst- en de cultuursectoren, mede vanuit de behoefte van de overheid om meer brede scholen met een uitgebreid sport- en cultuuraanbod aan te gaan bieden.

    Op 13 februari 2012 zijn de bestuurlijke afspraken 'Sport en Bewegen in de Buurt' ondertekend door het Ministerie van VWS, VNG, NOC*NSF, VNO NCW en MKB Nederland. Onderdeel van het programma 'Sport en Bewegen in de Buurt' is een nieuwe financiële impuls voor gemeenten om combinatiefuncties, werkzaam als buurtsportcoaches, op lokaal niveau in te zetten. Deze impuls is aanvullend op de bestaande succesvolle 'Impuls brede scholen sport en cultuur' en de daarbij behorende combinatiefuncties. Beide impulsen worden gecombineerd en dragen vanaf 2012 de naam: Brede impuls combinatiefuncties.

    Sport, kunst en cultuur zijn natuurlijk niet alleen belangrijk op de brede scholen, maar ook op andere scholen. Een gecombineerd aanbod kan worden ondersteund door combinatiefuncties, waarbij professionals een brug vormen tussen de sector onderwijs, sport of cultuur.

  • Is een verklaring omtrent gedrag noodzakelijk voor onderwijspersoneel bij een IKC?

    Vanaf 1 maart 2018 moet iedereen die werkt of woont op een plek waar kinderen worden opgevangen, zich inschrijven in het personenregister kinderopvang. Op die manier kan de overheid vaste én tijdelijke medewerkers continu screenen. Zo wordt de kinderopvang veiliger gemaakt.

    Voor de registratie is onder andere een geldige verklaring omtrent gedrag nodig. Of dat ook noodzakelijk is voor onderwijspersoneel, dat samenwerkt met de kinderopvang, ligt aan de situatie. In principe hoeft enkel het personeel dat werkt in de kinderopvang zich in te schrijven in het register. Het wordt echter een ander verhaal als de leerkrachten (en overig personeel) van de school, werkzaamheden verrichten voor de kinderopvang. In dat geval moeten de leerkrachten(en overig personeel) die (deels) werkzaam zijn in of voor de kinderopvang zich wel inschrijven. Het gaat er om of het onderwijspersoneel “structureel aanwezig” is. De algemene richtlijn voor “structureel aanwezig” is iemand die minstens 1 keer in de 3 maanden minimaal een halfuur tijdens opvanguren op de locatie is.
     
    Als leerkrachten en overig personeel werkzaamheden verrichten voor de kinderopvang en zij zich dus wel moeten inschrijven in het Personenregister, kan het inderdaad kloppen dat het hen niet lukt om zich met een verklaring omtrent gedrag van na 1 maart 2013 in te schrijven in het Personenregister kinderopvang. Dit komt omdat zij werkzaam zijn voor een organisatie (onderdeel) buiten het Landelijk Register Kinderopvang, welke niet kon worden/werd meegenomen in de zogenaamde ‘bestandsopbouw’ die tot 1 maart 2018 de basis vormde voor de continue screening. Hierdoor zijn deze personen dus ook nooit continu gescreend en zullen zij, als ze zich wel moeten inschrijven in het Personenregister kinderopvang, dit moeten doen met een nieuwe verklaring omtrent gedrag.

    Voor meer informatie, zie: www.duo.nl/personenregisterkinderopvang en www.rijksoverheid.nl

  • Om wat voor typen combinatiefunctie gaat het? Wie ontwikkelt de profielen?

    Het gaat vooral om combinatiefuncties op uitvoerend niveau.
    De volgende functies zijn voorbeeldfuncties die al beschreven en gewaardeerd zijn op basis van Fuwa PO:

    • Combinatiefunctie leraar basisonderwijs/coördinator buitenschoolse activiteiten (schaal LA)
    • Combinatiefunctie leraarondersteuner/medewerker buitenschoolse activiteiten (schaal 7).

    Voor afwijkende functies geldt dat deze gewaardeerd dienen te worden op basis van Fuwa PO.

    De combinatiefunctionaris dient te voldoen aan de wettelijke bekwaamheidseisen, die op basis van de WPO en WEC bij algemene maatregel van bestuur zijn vastgesteld en gericht zijn op het handelen in het onderwijsleerproces.

    Werknemers zonder wettelijke lesbevoegdheid verrichten werkzaamheden in het onderwijsproces onder toezicht en verantwoordelijkheid van een bevoegde leerkracht.

     

  • Mogen gemeenten voor het realiseren van combinatiefuncties ook een eigen bijdrage vragen aan de scholen?

    Nee, dat is niet de bedoeling. Het gaat hier om een Impuls van overheidswege (rijk en gemeenten). Een eigen bijdrage zou een extra belasting voor de scholen zijn.

  • Zijn de gemeenten verplicht deze verdeling te volgen?

    Nee, het gaat om een richtlijn. Er is ook ruimte voor lokaal maatwerk. In de monitoring wordt de verdeling op landelijk niveau bekeken.

  • Hoe zijn de combinatiefuncties verdeeld onder de sectoren?

    De 2.500 fte´s aan combinatiefuncties worden volgens de volgende verdeling gerealiseerd:

    1. 850 fte´s in het primair onderwijs;
    2. 250 fte´s in het voortgezet onderwijs;
    3. 1.250 fte´s in de sportsector;
    4. 150 fte´s in de cultuursector.

    Deze verdeling heeft te maken met de herkomst van de beschikbare middelen op de rijksbegroting (onderwijs, sport en cultuur) en het behalen van de verschillende doelen van de Impuls.

     

  • Wat is een combinatiefunctie?

    Een combinatiefunctie is een functie waarbij een werknemer in dienst is bij één werkgever, maar werkzaam is voor twee of meer sectoren: in dit geval onderwijs, sport en/of cultuur. Met combinatiefuncties wordt de verbinding en samenwerking tussen de sectoren versterkt. Hierdoor wordt het binnen- en buitenschoolse onderwijsaanbod, sport en cultuur verrijkt en beter op elkaar afgestemd.

  • Hoe ziet de regeling kinderopvang eruit?

    Sinds 1 januari 2007 geldt op grond van de Wet kinderopvang een verplichte werkgeversbijdrage in de kosten van kinderopvang. De regeling, die is opgenomen in de artikelen 8 en 9 van de Wet kinderopvang, houdt in dat de overheid de verstrekking van de werkgeversbijdrage voor haar rekening neemt en de werkgevers zorg dragen voor de bekostiging daarvan in de vorm van een heffing. De verstrekking van de werkgeversbijdrage vindt plaats door middel van een vermeerdering van de kinderopvangtoeslag, die – evenals de kinderopvangtoeslag – wordt uitbetaald door de Belastingdienst/Toeslagen. De vermeerdering bedraagt voor een werkende ouder met een werkende partner een derde deel van de kosten van kinderopvang. Voor een alleenstaande werkende ouder bestaat de vermeerdering uit een zesde deel van de kosten van kinderopvang, die op grond van de bestaande regeling in het Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in kosten van kinderopvang wordt aangevuld met een toeslag voor alleenstaande ouders; daarmee is de uitgangspositie van alleenstaande ouders dezelfde als van echtparen, namelijk een vaste vergoeding ter hoogte van een derde deel van de kosten van kinderopvang. Voor een werkende ouder met een partner die behoort tot een van de doelgroepen van de gemeente of het Uitvoeringinstituut werknemersverzekeringen (UWV) ten slotte, bedraagt de vermeerdering van de kinderopvangtoeslag eveneens een zesde deel van de kosten van kinderopvang.

    Recht op bovengenoemde vermeerdering van de kinderopvangtoeslag geldt voor alle ouders met inkomen uit tegenwoordige arbeid, ongeacht of zij dat als werknemer of als zelfstandige verwerven.

    De kosten voor de vermeerdering, voor zover deze aan werknemers wordt verstrekt, worden opgebracht met een door werkgevers af te dragen heffing op de loonsom (de vermeerdering voor zelfstandigen wordt bekostigd uit de algemene middelen).

    De heffing is vormgegeven door middel van een opslag op de premie ten behoeve van de sectorfondsen. Hiermee wordt bereikt dat de heffing over dezelfde loonsom wordt afgedragen als de sectorpremies. De heffing voor overheidswerkgevers bestaat uit een gelijkwaardige opslag op de premie voor het Uitvoerings Fonds voor de Overheid (UFO). De hoogte van de opslag wordt op grond van artikel 9, derde lid, van de Wet kinderopvang vastgesteld bij ministeriële regeling.

    Bij aanvang van het huidige kabinet is de extra premieopslag geraamd op 0,34%, voor zowel de sectorpremie als de UFO-premie. Voor 2009 is dit percentage niet veranderd.

     

  • Hoe ziet de regeling kinderopvang eruit?

    Sinds 1 januari 2007 geldt op grond van de Wet kinderopvang een verplichte werkgeversbijdrage in de kosten van kinderopvang. De regeling, die is opgenomen in de artikelen 8 en 9 van de Wet kinderopvang, houdt in dat de overheid de verstrekking van de werkgeversbijdrage voor haar rekening neemt en de werkgevers zorg dragen voor de bekostiging daarvan in de vorm van een heffing. De verstrekking van de werkgeversbijdrage vindt plaats door middel van een vermeerdering van de kinderopvangtoeslag, die – evenals de kinderopvangtoeslag – wordt uitbetaald door de Belastingdienst/Toeslagen. De vermeerdering bedraagt voor een werkende ouder met een werkende partner een derde deel van de kosten van kinderopvang. Voor een alleenstaande werkende ouder bestaat de vermeerdering uit een zesde deel van de kosten van kinderopvang, die op grond van de bestaande regeling in het Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in kosten van kinderopvang wordt aangevuld met een toeslag voor alleenstaande ouders; daarmee is de uitgangspositie van alleenstaande ouders dezelfde als van echtparen, namelijk een vaste vergoeding ter hoogte van een derde deel van de kosten van kinderopvang. Voor een werkende ouder met een partner die behoort tot een van de doelgroepen van de gemeente of het Uitvoeringinstituut werknemersverzekeringen (UWV) ten slotte, bedraagt de vermeerdering van de kinderopvangtoeslag eveneens een zesde deel van de kosten van kinderopvang.Recht op bovengenoemde vermeerdering van de kinderopvangtoeslag geldt voor alle ouders met inkomen uit tegenwoordige arbeid, ongeacht of zij dat als werknemer of als zelfstandige verwerven.De kosten voor de vermeerdering, voor zover deze aan werknemers wordt verstrekt, worden opgebracht met een door werkgevers af te dragen heffing op de loonsom (de vermeerdering voor zelfstandigen wordt bekostigd uit de algemene middelen).De heffing is vormgegeven door middel van een opslag op de premie ten behoeve van de sectorfondsen. Hiermee wordt bereikt dat de heffing over dezelfde loonsom wordt afgedragen als de sectorpremies. De heffing voor overheidswerkgevers bestaat uit een gelijkwaardige opslag op de premie voor het Uitvoerings Fonds voor de Overheid (UFO). De hoogte van de opslag wordt op grond van artikel 9, derde lid, van de Wet kinderopvang vastgesteld bij ministeriële regeling.Bij aanvang van het huidige kabinet is de extra premieopslag geraamd op 0,34%, voor zowel de sectorpremie als de UFO-premie. Voor 2009 is dit percentage niet veranderd.