Het NPO is bedoeld voor het inhalen van vertragingen en het ondersteunen van leerlingen die het moeilijk hebben als gevolg van schoolsluitingen door corona. Er wordt gestart met een fase van inventarisatie en planvorming, die de basis is voor verdere invulling in de lokale context.


Lees ook

  • Welbevinden essentieel voor schoolleiders

    Welbevinden: essentieel voor de schoolleider

    Welbevinden van schoolleiders is voor AVS een belangrijk thema. Daarom ontwikkelde zij de Whitepaper ‘Werken vanuit visie & talenten’ over het welbevinden van de schoolleider. Alleen als de schooldirecteur in zijn of haar kracht staat, kan deze de voorwaarden creëren voor het welbevinden van medewerkers en leerlingen. ...

  • Onderzoek arbeidsmarkttoelage: positief en ongemak

    Het Arbeidsmarktplatform PO presenteerde afgelopen week twee onderzoeken over de impact van de arbeidsmarkttoelage en drijfveren om in het onderwijs te werken. Hoewel onderwijspersoneel -waaronder schoolleiders - overwegend positief is over de toelage is men kritisch op de selectieve toekenning en effecten van deze financiële prikkel. In februari 2021 werd het Nationaal Programma Onderwijs geïntroduceerd om de impact en achterstanden van de coronacrisis in het onderwijs aan te pakken....

  • Vragenlijst effecten NP Onderwijs

    Hoe gaat het met de uitvoering van het Nationaal Programma Onderwijs op jouw school? Wat gaat goed en wat kan beter? Vul de periodieke vragenlijst van het ministerie van OCW in. Zo is het mogelijk te leren van het programma en bij te sturen indien nodig. Alle schoolleiders in het funderend onderwijs hebben de afgelopen periode daarom een uitnodiging ontvangen om de periodieke vragenlijst over het NP Onderwijs in te vullen. Je kunt de vragenlijst tot half september invullen. Heb je geen...

Al het nieuws over nationaal programma onderwijs

Veelgestelde vragen: Vragen

  • Waarom is er gekozen voor lumpsumbekostiging? Hoe wordt ervoor gezorgd dat het geld echt bij de medewerkers terechtkomt (Arbeidsmarkttoelage)?

    – Bijzondere en aanvullende bekostiging via de lumpsum beperkt de administratieve lasten ten opzichte van bijvoorbeeld een subsidie waarvoor scholen een aanvraag moeten indienen.

    – Als normatieve Rijksbijdrage zijn de middelen voor de arbeidsmarkttoelage geen onderwerp van een specifieke (accountants)controle. Niet of anders bestede middelen kunnen niet worden teruggevorderd.

    – Personeelsleden kunnen op de website inzien of extra bekostiging voor de arbeidsmarkttoelage is toegekend aan de vestiging waar hij/zij werkzaam is. De PGMR in het primair onderwijs en de PMR in het voortgezet onderwijs moet vervolgens instemmen met de hoogte van de arbeidsmarkttoelage. Op die wijze wordt verwacht dat het onderwijspersoneel het niet laat gebeuren dat deze extra middelen ergens anders terecht komen.

    – Om de inzet van de middelen en de effectiviteit te volgen, laat OCW een monitorings- en evaluatieonderzoek uitvoeren.

  • Waaraan mag ik de arbeidsmarkttoelage besteden en waaraan niet (Arbeidsmarkttoelage)?

    – De bekostiging voor de arbeidsmarkttoelage is bedoeld om tijdens het Nationaal Programma Onderwijs het werk op scholen met een groter risico op onderwijsachterstanden aantrekkelijker te maken. Om op die wijze het herstel van kansengelijkheid te bevorderen.

    – Daarom is het de bedoeling dat de bekostiging wordt besteed aan een extra beloning voor al het personeel op die vestigingen waarvoor het schoolbestuur de extra bekostiging ontvangt voor een arbeidsmarkttoelage. Op de website van het NP Onderwijs is op te zoeken welke vestigingen dit zijn.

    – Het is niet de bedoeling dat de middelen gaan naar personeel op vestigingen waarvoor OCW géén extra bekostiging voor de arbeidsmarkttoelage heeft toegekend of naar andere doelen. Dit wordt geïllustreerd met het volgende voorbeeld:

    Voorbeeld 1: Een schoolbestuur heeft twee vestigingen in dezelfde (achterstands)wijk. De ene vestiging komt in aanmerking voor extra bekostiging voor de arbeidsmarkttoelage, de andere niet. Elke vestiging geeft les aan een verschillende groep leerlingen. Het is niet de bedoeling dat het schoolbestuur de extra bekostiging voor de toelage verdeelt over beide vestigingen.


    -Het bevoegd gezag kan met instemming van de PGMR in het primair onderwijs en de PMR in het voortgezet onderwijs in specifieke situaties ervoor kiezen het bedrag net iets anders te verdelen over haar vestigingen. Doordat bekostiging op basis van het aantal fte niet mogelijk is, kan het immers voorkomen dat de arbeidsmarkttoelage niet optimaal aansluit bij een specifieke vestiging en haar personeel.

    Voorbeeld 2: Een schoolbestuur heeft twee vestigingen. Beide vestigingen komen in aanmerking voor extra bekostiging voor de arbeidsmarkttoelage: de ene kan met het verstrekte geld een toelage van 6% toekennen, de andere een toelage van 10%. Als de PGMR in het primair onderwijs  en de PMR in het voortgezet onderwijs instemt, kan het schoolbestuur 8% toekennen aan beide vestigingen die in aanmerking komen voor de arbeidsmarkttoelage.


    Voorbeeld 3: Een schoolbestuur heeft twee vestigingen in hetzelfde gebouw. De ene vestiging komt in aanmerking voor extra bekostiging voor de arbeidsmarkttoelage, de andere niet. Personeel op beide vestigingen werkt met dezelfde groep leerlingen. Als de PGMR in het primair onderwijs en de PMR in het voortgezet onderwijs instemt, kan het schoolbestuur de extra bekostiging voor de toelage verdelen over beide vestigingen.

  • Met welk medezeggenschapsorgaan in het voortgezet onderwijs wordt overleg over een arbeidsmarkttoelage gevoerd (Arbeidsmarkttoelage)?

    In het voortgezet onderwijs voert het bestuur overleg met de personeelsgeleding van de medezeggenschapsraad (PMR), op grond van artikel 12, eerste lid, onderdeel g, van de Wet medezeggenschap op scholen. Als binnen uw schoolbestuur meerdere vestigingen voor voortgezet onderwijs in aanmerking komen voor de toelage, kan het zijn dat de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad (PGMR) bevoegd is. Het bestuur betrekt de PGMR als er sprake is van een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang voor alle scholen of een meerderheid van de scholen (artikel 16, eerste lid, van de Wet medezeggenschap op scholen). Wanneer dat in het voortgezet onderwijs het geval is, hangt af van de specifieke situatie binnen het schoolbestuur.

  • Met welk medezeggenschapsorgaan in het primair onderwijs wordt overleg over een arbeidsmarkttoelage gevoerd (Arbeidsmarkttoelage)?

    – In het primair onderwijs voert het schoolbestuur dit overleg met het personeelsdeel van de gemeenschappelijke medezeggenschap (PGMR). Dit is zo geregeld in de CAO PO 2019 – 2020, artikel 6.15.


    – Het is waardevol het goede gesprek over de inzet en verdeling van de toelage ook breder te voeren in de omgeving van de vestigingen die behoren tot de 15% (bijvoorbeeld met de PMR van deze vestigingen).

  • Welk personeel heeft recht op de arbeidsmarkttoelage? (Arbeidsmarkttoelage)

    – Het schoolbestuur krijgt voor personeel op vestigingen met het grootste risico op onderwijsachterstanden extra bekostiging voor een arbeidsmarkttoelage. Dit doet het meeste recht aan het doel om de kansengelijkheid te bevorderen.

    – De basis voor de verdeling is de relatieve achterstandsscore of het relatief hoogste aantal CUMI-leerlingen per vestiging. Deze indicatoren worden al gebruikt voor het verdelen van het geld voor onderwijsachterstanden. Scholen met een groter risico op onderwijsachterstanden krijgen namelijk meer geld, zowel binnen de reguliere bekostiging als binnen het NP Onderwijs.

    – In alle schoolsoorten wordt voor 15% van de vestigingen bekostiging ontvangen voor een arbeidsmarkttoelage. Dit geldt dus voor zowel het regulier onderwijs als het speciaal basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs.

    – Niet voor alle vestigingen (met een risico op onderwijsachterstanden) is er recht op bekostiging voor de arbeidsmarkttoelage, maar uitsluitend voor de 15% vestigingen met het grootste risico op onderwijsachterstanden. Het verdelen van de middelen over een groter aantal vestigingen zou leiden tot een lagere toelage en daarmee wordt het doel van de arbeidsmarkttoelage lastiger te realiseren. Daarom is de keuze gemaakt voor een arbeidsmarkttoelage op vestigingen met een groter risico op onderwijsachterstanden, om in te zetten op herstel van kansengelijkheid voor alle leerlingen.

  • Wat is het doel van de extra arbeidsmarkttoelage? (Arbeidsmarkttoelage)

    – De arbeidsmarkttoelage is bedoeld om tijdens het Nationaal Programma Onderwijs het werk op scholen met het grootste risico op onderwijsachterstanden aantrekkelijker te maken. Om op die wijze het herstel van kansengelijkheid te bevorderen.
    -Alle scholen staan voor een grote opgave om leervertragingen door de coronacrisis in te halen. Op scholen met een groter risico op onderwijsachterstanden is deze uitdaging nog groter.
    – Deze scholen hebben de meeste moeite met het lerarentekort: het verloop van personeel is hoger en zij krijgen vacatures moeilijker vervuld. Terwijl goed personeel juist nu hard nodig is om alle leerlingen een kans op een volwaardige toekomst te geven.
    – Daarom maken we het mogelijk om middels extra bekostiging het personeel op deze scholen twee jaar extra te belonen.

  • Hoe worden de ouders betrokken bij het Nationaal Programma Onderwijs?

    De ouderorganisatie Voor werkende ouders en Ouders & Onderwijs, hebben op hun websites hierover de informatie op een rijtje gezet. Zie hiervoor https://www.voorwerkendeouders.nl/ouders-nationaal-programma-onderwijs/en  https://oudersenonderwijs.nl/nieuws/vraag-antwoord-nationaal-programma-onderwijs/


    Verder is er ook informatie te vinden op https://www.nponderwijs.nl/ouders

  • Helpt een toelage bij het inlopen van de leervertraging (Arbeidsmartktoelage)?

    De toelage is bedoeld om medewerkers te behouden en om het voor potentiële medewerkers financieel aantrekkelijker te maken op scholen met extra uitdagingen aan de slag te gaan of te blijven. Zo draagt de toelage bij aan het voorkomen van verdergaande leervertraging bij kwetsbare leerlingen op deze scholen en het bevorderen van kansengelijkheid.

  • Waarom is de arbeidsmarkttoelage tijdelijk (Arbeidsmartktoelage)?

    De arbeidstoelage is een van de maatregelen binnen het NP Onderwijs. Dit programma is bedoeld om de urgente problematiek aan te pakken die als gevolg van corona is ontstaan. Dit vraagt om maatregelen op korte termijn. Daarom heeft het kabinet voor 2,5 jaar middelen beschikbaar gesteld. In het voorjaar van 2022 vindt een tussentijdse evaluatie van het gehele programma plaats. Het is aan een volgend kabinet om zo nodig een vervolg te geven aan het NP Onderwijs.

  • Er is een lerarentekort. De toelage trekt personeel van andere scholen aan. Wordt het probleem daarmee niet verplaatst (Arbeidsmartktoelage)?

    De vraag naar onderwijspersoneel is groter dan het aanbod. De mate waarin dit wordt ervaren verschilt per regio maar ook tussen vestigingen. Vestigingen met een uitdagende leerlingpopulatie hebben meer moeite personeel te vinden en te behouden dan andere vestigingen. Vacatures worden er moeilijker vervuld, het verloop en het percentage leraren dat een school verlaat voor een andere school zijn er hoger dan gemiddeld.
    Met de toelage wil de minister dit probleem aanpakken en komen tot een gelijkere verdeling van het personeel. De toelage is dus met name bedoeld om personeel op deze ‘moeilijke’ vestigingen te behouden. Dit beantwoordt aan de signalen van scholen over het risico dat het NP Onderwijs de problematiek voor deze scholen zou kunnen verergeren in plaats van verbeteren.

  • Hoe weet ik of mijn vestiging in aanmerking komt voor de extra bekostiging voor een toelage (Arbeidsmartktoelage)?

    In een speciale informatietool ziet u of uw vestiging in aanmerking komt voor extra bekostiging, en welk bedrag uw vestiging dan krijgt.

  • Waar is de selectie van de vestigingen op gebaseerd (Arbeidsmartktoelage)?

    Primair onderwijs
    In het reguliere basisonderwijs komt 15% van de vestigingen met de hoogste achterstandsscore op basis van de CBS-indicator po in aanmerking voor de bijzondere bekostiging. In het speciaal basisonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs gaat het om 15% van de vestigingen met de hoogste CUMI-cijfers per leerling.

    Voortgezet onderwijs
    In het voortgezet onderwijs komt 15% van de praktijkonderwijs(pro)-vestigingen en 15% van de overige vo-vestigingen met de hoogste achterstandsscore op basis van de CBS-indicator vo in aanmerking voor de aanvullende bekostiging.

  • Komen EOA’s, AZC’s en ISK’s in het voortgezet onderwijs in aanmerking (Arbeidsmartktoelage)?

    Ja. 53 vestigingen waar een ISK, EOA of AZC is gevestigd zijn apart meegenomen, naast de geselecteerde 15% pro-vestigingen en 15% overige vo-vestigingen. Al deze 53 vestigingen vallen namelijk conform de CBS-systematiek onder de 15% vestigingen met de relatief hoogste achterstandsscores.

  • Heeft leraar/werknemer invloed op het krijgen van een toelage (Arbeidsmartktoelage)?

    De leraar/werknemer kan terecht bij het personeelsdeel van de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad, de P(G)MR. De P(G)MR heeft instemmingsrecht op het vaststellen van de regeling van de toelage.

  • Krijgt een individuele werknemer net zoveel als zijn collega (Arbeidsmartktoelage)?

    Het is aan de werkgever om, met instemming van het personeelsdeel van de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad, de P(G)MR, invulling te geven aan de arbeidsmarkttoelage. Het uitgangspunt is dat al het personeel binnen de aangewezen vestigingen in aanmerking komt voor een toelage. Het kan zijn dat het percentage per vestiging verschilt, maar voor elke vestiging is een toelage van minimaal 5% en gemiddeld 8% van de bruto beloning naar verwachting realiseerbaar. Als de toelage succes heeft en er substantieel meer personeel bijkomt kan dit effect hebben op de hoogte van het toelagepercentage.

  • Hoe kan het dat een collega-docent op een andere school met een minder uitdagende leerlingpopulatie een hogere toelage krijgt (Arbeidsmartktoelage)?

    De arbeidsmarkttoelage kan per vestiging verschillen, omdat ze mede afhankelijk is van het aantal werknemers in verhouding tot het aantal leerlingen op de vestiging en de inkomensniveaus. Het schoolbestuur maakt afspraken met het personeelsdeel van de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad over de verdeling en de inzet van de middelen.

  • Wanneer kan de werknemer de toelage verwachten (Arbeidsmartktoelage)?

    De toelage wordt uitbetaald aan het personeel nadat het schoolbestuur afspraken heeft gemaakt met het personeelsdeel van de medezeggenschapsraad. Wanneer dit gebeurt, kan per vestiging verschillen. Werkgevers kunnen de toelage met terugwerkende kracht vanaf 1 augustus 2021 aan het personeel toekennen.

  • Stopt de toelage van de werknemer ook als de leervertragingen nog niet zijn ingelopen (Arbeidsmartktoelage)?

    De toelage stopt in juli 2023. De middelen voor de toelage zijn beschikbaar in de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023, als onderdeel van het NP Onderwijs. Het is aan een volgend kabinet om een eventueel vervolg te geven aan het NP Onderwijs.

  • Waarom is deze toelage niet centraal geregeld in een cao-afspraak (Arbeidsmartktoelage)?

    De sociale partners (werkgeversverenigingen en vakbonden) hebben geen akkoord gesloten over een cao-afspraak. Volgens hen is een cao-afspraak niet nodig en biedt de regelgeving al een mogelijkheid voor scholen om een toelage uit te keren. Er is een ondersteunende richtlijn van de PO-Raad en de VO-raad voor scholen, het personeelsdeel van de (gemeenschappelijke) medezeggenschap en werkgevers.

  • Waarom is de bekostiging gebaseerd op het aantal leerlingen en niet op het aantal personeelsleden en het inkomensniveau (Arbeidsmartktoelage)?

    De hoogte van het bedrag hangt af van het aantal leerlingen. Hiermee sluiten we aan bij de bestaande bekostigingssystematiek en ons onderwijsstelsel, waarin bijvoorbeeld de leerling-leraarratio niet wordt voorgeschreven. Bekostiging op basis van het aantal fte is daardoor niet mogelijk, ook omdat wij niet beschikken over betrouwbare gegevens over onderwijspersoneel. Dat is wel het geval met (door de accountant gecontroleerde) leerlingaantallen. De hoogte van de arbeidsmarkttoelage voor het personeel kan daardoor tussen vestigingen iets verschillen, omdat er tussen vestigingen verschillen kunnen zijn in de verhouding tussen het aantal leerlingen en het aantal personeelsleden en inschaling van personeelsleden. Zo krijgen scholen met grotere klassen (relatief meer leerlingen) meer middelen voor een arbeidsmarkttoelage.
    Met de beschikbare middelen kan een toelage van gemiddeld 8% (en minimaal 5%) worden gerealiseerd. We accepteren deze verschillen, omdat ze horen bij een bekostiging per leerling en een stelsel waarin bijvoorbeeld de leerling-leraarratio niet wordt voorgeschreven.

  • Waar zijn de percentages van gemiddeld 8%, en minimaal 5% op gebaseerd (Arbeidsmartktoelage)?

    Werkgevers ontvangen gemiddeld 8% extra op de aan de vestiging toegerekende  (genormeerde) personele bekostiging. Van de personele bekostiging wordt onder meer het salaris betaald, maar ook andere zaken rond personeels- en arbeidsmarktbeleid.

  • Bij wie kan de werknemer terecht met vragen over mijn toelage (Arbeidsmartktoelage)?

    De werknemer kan terecht bij het schoolbestuur en het personeelsdeel van de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad, de P(G)MR.

  • Waarom moet elke vestiging nog afspraken maken? Kan OCW de toelage niet regelen (Arbeidsmartktoelage)?

    Het gaat hier om middelen voor een toelage op het salaris. Dat is een arbeidsvoorwaarde. De arbeidsvoorwaarden in het onderwijs zijn gedecentraliseerd. Het gesprek over arbeidsvoorwaarden wordt gevoerd tussen werkgever en werknemers (bestuur en personeelsdeel van de medezeggenschapsraad). Daarom kan OCW niet centraal bepalen hoe hoog en voor wie de toelage bestemd is.

  • Kan het bestuur eenzijdig de toelage vaststellen als er geen overeenstemming met de MR is bereikt (Arbeidsmartktoelage)?

    Het bestuur kan de toelage niet eenzijdig vaststellen. Als het bestuur een besluit neemt over de toelage zonder de instemming van het personeelsdeel van de medezeggenschapsraad, dan is het besluit nietig (artikel 32, derde lid, van de Wet medezeggenschap op scholen). De medezeggenschapsraad moet wel binnen zes weken na het besluit een beroep doen op de nietigheid. Als de medezeggenschapsraad niet instemt met de regeling over de toelage, kan het bestuur ook de Landelijke Commissie voor Geschillen WMS (LCG WMS) vragen een besluit te nemen.

  • Is er onderscheid mogelijk in hoogte van de toelage tussen docenten en ondersteunend personeel (Arbeidsmartktoelage)?

    Het is uiteindelijk aan de vestiging om, met instemming van het personeelsdeel van de medezeggenschap, invulling te geven aan de middelen voor de arbeidsmarkttoelage. Het uitgangspunt bij het verstrekken van de middelen is wel dat voor elk personeelslid, ongeacht functie, een gelijk toelagepercentage van minstens 5% en gemiddeld 8% van de bruto beloning gerealiseerd kan worden.

  • Kan er worden gekozen voor een toelage voor alleen docenten (Arbeidsmartktoelage)?

    Het uitgangspunt bij het verstrekken van de middelen is dat voor elk personeelslid een gelijk toelagepercentage van minstens 5% van de bruto beloning gerealiseerd kan worden. Goed onderwijs vereist namelijk een goed en stabiel team, van ondersteuners, leraren en schoolleider(s).

  • Kan de toelage jaarlijks worden uitgekeerd of moet dit maandelijks (Arbeidsmartktoelage)?

    Het moment van uitkeren van de toelage is vrij. Het maandelijks uitkeren van de toelage sluit beter aan bij de gedachte om personeel gedurende de periode dat de toelage wordt gegeven aan te trekken en te behouden. Een jaarlijkse toelage sluit wellicht beter aan bij de tijdelijkheid ervan.

  • Wanneer ontvangen de werkgevers de bekostiging (Arbeidsmartktoelage)?

    De beschikking wordt naar verwachting uiterlijk in november 2021, op basis van de definitieve leerlingtelling van 1 oktober 2020, ontvangen.
    De eerste betaling is ook in november 2021. Het bestuur ontvangt dan 5/12e deel van het bedrag. In deze maand wordt de bekostiging voor de maanden augustus tot en met december van het jaar 2021 uitbetaald.
    Uiterlijk februari 2022 volgt een tweede betaling voor 7/12e deel. Het bestuur ontvangt dan de bekostiging voor de maanden januari tot en met juli 2022.

    Voor het schooljaar 2022-2023 geldt een vergelijkbare cyclus.

  • Waar is de selectie van vestigingen die geld voor de toelage ontvangen op gebaseerd (Arbeidsmartktoelage)?

    Vestigingen met relatief veel leerlingen met risico op onderwijsachterstand krijgen extra middelen voor een arbeidsmarkttoelage. De selectie van deze vestigingen gebeurt aan de hand van verschillende indicatoren. Voor het reguliere basis- en voortgezet onderwijs is dat de CBS-indicator voor het risico op onderwijsachterstanden. Voor speciale scholen voor basisonderwijs en voor scholen in het (voortgezet) speciaal onderwijs wordt de CUMI-indicator gehanteerd. 15% van de vestigingen met de hoogste achterstandsscore en 15% van de vestigingen met het hoogste CUMI-cijfer per leerling ontvangen extra bekostiging.
    Op vestigingen met een uitdagende leerlingpopulatie zien we dat vacatures moeilijk worden vervuld en het verloop hoger is dan gemiddeld. Het percentage switchers (leraren die een school verlaten voor een andere school) is hoger, maar ook de uitstroom van leraren (<59 jaar) uit het beroep is hoger op scholen met een hogere gewogen achterstandsscore. Ook zien we dat, hoewel de leerling-leraar ratio nog steeds lager ligt bij scholen met een hogere gewogen achterstandsscore, de ontwikkeling in de leerling-leraar ratio op deze scholen ongunstiger is geweest over de laatste vijf jaar (2016-2020).

  • Eén of meer vestigingen komen in aanmerking. Hoeveel extra bekostiging ontvangen ze (Arbeidsmartktoelage)?

    Het bedrag is afhankelijk van het aantal leerlingen op de vestiging(en) waarvoor u in aanmerking komt voor een arbeidsmarktoelage:

    Primair onderwijs
    – Vestigingen van basisscholen met minder dan 145 leerlingen: een vast bedrag van € 523,80 per leerling, en daarbovenop een bedrag van € 17.333,45 met aftrek van € 119,96 per leerling.
    – Vestigingen van basisscholen met 145 leerlingen of meer: € 523,80 per leerling.
    – Vestigingen van speciale scholen voor basisonderwijs: € 1.054,18 per leerling.
    – Vestigingen van scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs: € 2.215,12 per leerling.

    Voortgezet onderwijs
    – Pro-vestigingen: € 748,67 per leerling.
    – Overige vestgingen van scholen in het voortgezet onderwijs: € 607,17 per leerling.