‘Basisvaardigheden en kansenongelijkheid zijn grote zorgen’

Inspecteur-generaal Alida Oppers van de inspectie van het onderwijs put hoop uit brede draagkracht

Door corona werd 2020 zacht gezegd een raar jaar voor het onderwijs. Maar de crisis biedt volgens de Onderwijsinspectie ook kansen. Dat lezen we in Staat van het Onderwijs 2021, deze lente gepresenteerd door inspecteur-generaal Alida Oppers. ‘Corona biedt het onderwijs de mogelijkheid om niet te repareren, maar te renoveren.’

Hoe was het om in een coronajaar een Staat van het Onderwijs te moeten maken?
“Zoals het hele onderwijs moesten ook wij uit onze routines stappen. Uiteraard hebben we extra onderzoek gedaan naar de gevolgen van corona, maar – en daar ben ik heel blij mee – het gaat niet uitsluitend over corona. We hebben een volledige Staat van het Onderwijs waarin we een totaalbeeld geven van hoe het onderwijs ervoor staat. Dat is dit jaar voor de 204e keer en die traditie wilden we ondanks corona niet breken.”

Wat valt afgezien van corona het meest op aan 2020, afgezet tegen voorgaande jaren?
“Wat wij het meest indringend vinden, zijn de achterblijvende onderwijsopbrengsten op basisvaardigheden: op taal, op rekenen, maar ook op sociale competenties. Ruim een kwart van de leerlingen in het basisonderwijs voldoet niet aan de afgesproken minimumeisen voor schrijven. Bij rekenen geldt dat ook voor een te grote groep. En uit internationaal onderzoek blijkt dat van alle vijftienjarigen bijna een kwart niet op basisniveau kan lezen. Dat zagen we al voor corona, maar we zien het nu allemaal uitvergroot worden. Nou was het met deze crisis niet te verwachten dat het ineens allemaal waanzinnig veel beter zou gaan. Wat we wel hebben gezien is dat er door corona bij ouders meer belangstelling ontstaan voor het onderwijs en wat er allemaal speelt.”

Die onderwijs-belangstelling zal niet bij alle ouders even sterk zijn geweest. Wordt hierdoor de kansenongelijkheid nog extra vergroot?
“Dat klopt. Niet voldoen aan basisvaardigheden is een grote zorg, toenemende kansenongelijkheid is een andere. We zien dat alle schade die afgelopen jaar is ontstaan onevenredig neerslaat en een nog grotere tweedeling veroorzaakt. En dat samen leidt weer tot vragen over vervolgopleidingen. Als we bijna honderd procent geslaagden in het vo hebben, hoe komen die dan het mbo en het hbo binnen? Als er geen eindtoets is en kinderen komen de brugklas in, wat nemen ze dan mee aan bagage? Zicht op hun kennis, kunde en basisvaardigheden en wat ons dan te doen staat is nog veel belangrijker geworden.”

Jullie stellen ook een toename aan particulier en aanvullend onderwijs vast. Is dat zorgwekkend?
“We zien daar de laatste twee decennia een behoorlijke groei, vooral in het vo. We stellen vast dat koopkracht er toe doet. Daarom noemen we het ook wel een vrije markt. Het is daarmee een uitvergroting van kansenongelijkheid. Niemand wil een ouder het recht ontnemen om het beste te doen voor zijn kind, maar de compensatie voor ouders die zich dat niet kunnen permitteren moet uit de publieke sector komen. Dus dat moet het onderwijs leveren. Het idee is: als dat op orde is, zou het schaduwonderwijs niet nodig moeten zijn.”

In hoeverre speelt het lerarentekort een rol?
“Uiteraard speelt dat mee, maar gelukkig zien we daar allerlei positieve tendensen, zoals een toename aan pabostudenten. Maar voor sommige scholen is het inderdaad een enorme worsteling om voldoende leerkrachten voor de klas te krijgen. Wat nog wel eens onderschat wordt is het toenemende tekort aan schoolleiders. Als je echt een integrale aanpak wilt op de basisvaardigheden, dan hebben schoolleiders een cruciale rol. Niet alleen onderwijskundig, maar ook als schakel tussen besturen en leerkrachten in om de randvoorwaarden te optimaliseren waarin dat kan gebeuren.”

Wat moet er gebeuren om het tij te keren?
“Dat is misschien wel het positieve van deze crisis: het is ook een kans. Corona biedt het onderwijs de mogelijkheid om niet te repareren, maar te renoveren. We roepen iedereen op daaraan mee te werken door te focussen op de basisvaardigheden taal, lezen en rekenen. Dat betekent dat andere dingen die interessant en belangrijk zijn nu toch even minder belangrijk zijn. We zien al voorbeelden van scholen die dat gedaan hebben en die nu heel veel meters kunnen maken. Het begint in de klas met leraren die voldoende en goed toegerust zijn om hun werk te doen. Wij zien in de laatste peilingsonderzoeken over rekenen en schrijven dat van sommige leerkrachten de vakdidactiek tekort schiet. Dus: besteed daar aandacht aan. Voor schoolleiders en rectoren betekent het dat zij in hun onderwijskundige sturing goed moeten focussen. Tegelijk moeten ze ook leraren kunnen beschermen tegen overvraging. Vanuit allerlei hoeken, zeker ook uit de politiek, wordt een beroep op scholen gedaan. Daar moeten schoolleiders nu een buffer voor zijn. En als ik kijk naar de besturen, zie ik toch nog steeds dat twintig procent van de besturen de kwaliteitszorg niet op orde heeft. Dat is natuurlijk veel te veel, daar valt ook wat te doen. Voor de besteding van de 8,5 miljard euro waarmee het kabinet het onderwijs ondersteunt, roepen wij op om ongelijk te investeren. Het meeste geld moet gaan naar de plekken waar de nood het hoogst is.”

Hoe optimistisch bent u over de toekomst?
“Ik ben wel hoopvol. Wat nodig is om corona-achterstanden in te lopen, is ook nodig om de basisvaardigheden op orde te krijgen. Ik zie allerlei signalen dat dit breed gedragen wordt. Het advies van de Onderwijsraad aan de informateur is een voorbeeld. Ik hoop wel dat we de fase overslaan van het rondspelen van de bal, waarbij er altijd iemand anders is die iets moet doen. Het is zoveel efficiënter voor de leerlingen en studenten als iedereen begint bij de eigen bijdrage. We kunnen wel zeggen dat er eerst structureel geld moet komen of dat het stelsel anders moet, maar dat zijn zaken die bewegen op grotere afstand van het belang van de leerling. Als onderwijsinspectie proberen we daarin meer te doen dan alleen de spiegel te laten zien. We hebben dit jaar bewust ook voor een dialoog gekozen met alle partners die hier een bijdrage aan kunnen leveren. Dat is niet per se onze taak, maar ik denk dat het verstandig is dat we dat wel doen.”

Zijn er naast alle zorgen ook lichtpuntjes?
“Zeker wel. Het meest positieve is natuurlijk de enorme flexibiliteit die scholen hebben getoond om het onderwijsaanbod zo goed mogelijk doorgang te laten vinden. Schoolleiders hebben hier een prominente rol in gespeeld. Dat is een groot compliment waard.”