Relevante onderwerpen

Lees ook

  • Behoud je medewerkers

    Inspiratiesessie duurzame inzetbaarheid en strategische personeelsplanning Hoe zet je duurzame inzetbaarheid (DI) en strategische personeelsplanning in om je schoolteam toekomstbestendig te maken? Waarom is DI zo belangrijk voor jou, je team en je school? Als schoolleider wil je ervoor zorgen dat je medewerkers zich optimaal kunnen ontplooien, gelukkig zijn in hun werk en een passende plek hebben die aansluit bij de schoolvisie. Maar hoe doe je dat? De AVS en VfPf inspireren je graag om...

  • Sectoranalyse primair onderwijs geeft handvatten voor beleid over duurzame inzetbaarheid

    Vitaal en met plezier aan het werk blijven tot je pensioen: dat is ook in de onderwijssector belangrijk. Hoe is het gesteld met de duurzame inzetbaarheid van medewerkers in het primair onderwijs? Het Arbeidsmarktplatform PO en Vervangingsfonds/Participatiefonds (VfPf) onderzochten dit in het kader van de Maatwerkregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden (MDIEU). De resultaten van dit onderzoek staan in de recent gepubliceerde Sectoranalyse primair onderwijs. De belangrijkste...

  • ‘Soms gaan mensen zelfs meer werken’

    De een werkt nog vol energie door na zijn pensioen, terwijl de ander de dagen tot dat pensioen aftelt. Ard Nieuwenbroek weet hoe leraren én schoolleiders in plaats van te verzuren hun kennis en ervaring kunnen verzilveren. “Het is angstaanjagend dat hoe je je carrière afsluit, een voorspellende waarde lijkt te hebben op de tijd erna”, begint Ard Nieuwenbroek, zelf net 69 en nog met veel plezier aan het werk als psychotherapeut, coach en trainer in het onderwijs. “Het valt mij op dat...

Veelgestelde vragen: Vragen

  • Mag het bijzondere budget voor ouderen worden gespaard?

    Het antwoord op deze vraag luidt: ja, dat mag.

    Hieronder volgt enige tekst en uitleg. Opmerking vooraf: alle uren die worden genoemd, gelden voor een fulltime medewerker (werktijdfactor 1,000). Voor deeltijders gelden de uren naar rato van hun werktijdfactor.

    Wat zegt de CAO PO?

    “Iedere werknemer van 57 jaar en ouder heeft, in aanvulling op de PDI-uren genoemd in artikel 9.4, jaarlijks recht op een bijzonder PDI-budget oudere werknemers van 130 uur naar rato van de werktijdfactor.” Aldus artikel 9.6 lid 1 CAO PO. “De werknemer van 57 jaar en ouder kan het PDI-budget oudere werknemers en 40 uur van het PDI-budget van artikel 9.4 lid 4 in overleg met de werkgever op basis van een vooraf ingediend plan maximaal vijf jaar sparen,” staat in lid 10 van hetzelfde artikel.

    Let op: “Als het recht op het PDI-budget oudere werknemers lager is dan 45 uur, vervalt het recht op deze uren,” schrijft lid 9 voor… Met andere woorden, medewerkers die 57 jaar of ouder zijn en een werktijdfactor van 0,346 of lager hebben, komen niet in aanmerking voor het PDI-budget oudere werknemers.

    Een lesje geschiedenis

    Even terug naar de tijd vóór de CAO PO 2024-2025. Er was toen geen sprake van één budget voor professionalisering en duurzame inzetbaarheid (PDI-budget). Professionalisering en duurzame inzetbaarheid waren twee gescheiden potjes. In het potje duurzame inzetbaarheid zat een zogenaamd basisbudget van 40 uur waarover elke medewerker kon beschikken. Daarnaast beschikte elke medewerker over 83 uur voor professionalisering (2 uur per werkweek).

    Met ingang van de CAO PO 2024-2025 zijn deze budgetten samengevoegd tot één budget: het PDI-budget. Maar die 40 uur basisbudget duurzame inzetbaarheid uit de vorige cao’s komt nog wel terug in het spaarverhaal…

    PDI-budget oudere werknemers

    Werknemers van 57 jaar en ouder hebben recht op een extra PDI-budget van 130 uur per jaar. Dat budget mogen zij gedurende maximum vijf jaar sparen om het vervolgens op te nemen als verlof. Daarbij geldt dat maximaal 340 uur per jaar verlof mag worden opgenomen.

    Nu moet een medewerker niet verplicht al die 130 uur sparen. Hij of zij kan er ook voor kiezen om bijvoorbeeld maar 100 uur te sparen en 30 uur toe te voegen aan het jaarlijkse PDI-budget van 123 uur. Als een medewerker hiervoor kiest, beperkt het sparen zich tot die 100 uur. Als de medewerker wel het volledige PDI-budget oudere werknemers spaart, dan mag hij of zij daar nog 40 uur aan toevoegen uit het vaste PDI-budget van 123 uur (waardoor er van dat budget jaarlijks maar 83 uur overblijft).

    Het maakt niet uit hoeveel uur een medewerker wil sparen: er moet wel een concreet plan liggen over wanneer en hoe de gespaarde uren weer worden opgenomen! De gespaarde uren mogen niet gebruikt worden om eerder te stoppen met werken.

    Wat kost het de medewerker?

    Over de opgenomen uren van het PDI-budget oudere werknemers betalen de medewerkers 50% eigen bijdrage (40% eigen bijdrage voor OOP’ers in salarisschaal 8 of lager).

    Als medewerkers hun volledige PDI-budget oudere medewerkers én de toegestane 40 uur uit het vaste PDI-budget sparen, dan hoeft er over die 40 uur géén eigen bijdrage te worden betaald.

    Opnemen

    We kiezen voor een eenvoudig voorbeeld. Stel dat een medewerker vijf jaar maximaal heeft gespaard. Vanaf het zesde jaar kan hij/zij dan verlof opnemen. In dat zesde jaar heeft de medewerker uiteraard gewoon recht op de opname als verlof van 130 uur PDI-budget oudere werknemers plus 40 uur van het vaste PDI-budget, samen 170 uur. Omdat er een maximum van 340 uur verlofopname per jaar is vastgesteld, kan er nog 170 uur uit het spaarpotje worden toegevoegd. Die uren bestaan eveneens uit 130 uren PDI-budget oudere werknemers plus 40 uur van het vaste PDI-budget. Over 130 + 130 = 260 uur dient de medewerker een eigen bijdrage te betalen (50% of 40%, zie hierboven). Over 40 + 40 = 80 uur hoeft geen eigen bijdrage te worden betaald.

  • Welke professionaliseringsgelden zijn er voor jou als (adjunct-)directeur beschikbaar?

    Voor leidinggevenden in een A- en D-schaal is de professionalisering anders geregeld dan voor leraren (OP) en onderwijs ondersteunend personeel (OOP).

    Individueel scholingsbudget

    Elk directielid (dus jij ook!) beschikt over een bedrag van € 3.330 per jaar (sinds 1 augustus 2026). Dit bedrag is niet afhankelijk van de werktijdfactor, dus je hebt als (adjunct-)directeur recht op het volledige bedrag.

    Met jouw eigen leidinggevende maak je afspraken over jouw professionalisering in het kader van de door Ascenda (voorheen: Schoolleidersregister PO) vastgestelde bekwaamheidseisen. De afspraken zijn ook in lijn met de ontwikkelingsdoelen van de organisatie. Je kunt je budget bovendien besteden aan de doelen die in artikel 9.4 lid 5 CAO PO worden genoemd:

    • activiteiten die bijdragen aan het bijhouden van de vakbekwaamheid en professionele ontwikkeling;
    • activiteiten die helpen om ook op langere termijn het werk goed, gezond en met plezier te blijven doen;
    • activiteiten die bijdragen aan de (duurzame) inzetbaarheid van de werknemer, in de zin van breed inzetbaar en aantrekkelijk blijven voor de interne en externe arbeidsmarkt.

    Strikt genomen (uitgaande van Europese wetgeving d.d. 2 augustus 2022) kun je je individuele scholingsbudget voor andere zaken inzetten dan voor de verplichte (her)registratie bij Ascenda. Immers, scholing die wordt opgelegd door bijvoorbeeld een collectieve arbeidsovereenkomst (cao), zoals de (her)registratie, moet de werkgever sowieso vergoeden (BW7 artikel 611a).

    Terugbetalingsregelingen

    Besturen willen nog wel eens een terugbetalingsregeling opstellen voor professionaliseringsactiviteiten die worden betaald uit het individuele scholingsbudget voor (adjunct-)directeuren en voor professionaliseringsactiviteiten voor (her)registratie bij Ascenda. Maar dat kan niet!

    Bekostiging professionalisering en begeleiding startende leraren en schoolleiders

    Voor de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023, en de kalenderjaren 2023, 2024 en 2025 is de “Regeling bijzondere bekostiging professionalisering en begeleiding starters en schoolleiders” van toepassing. Deze aanvullende bekostiging is bedoeld voor de professionalisering van personeel en de begeleiding van startende leraren én schoolleiders. De regeling is in de plaats gekomen van de bedragen in de Prestatiebox en loopt officieel tot 1 januari 2029. Een deel van dit geld wordt ingezet voor de Onderwijsregio’s.

    Voor alle duidelijkheid: dit geld is niet uitsluitend voor schoolleiders beschikbaar. Als schoolleider kan je wel het gesprek aangaan met je bestuur om de middelen op schoolniveau in te zetten . In de toelichting op de wet staat het volgende:

    “Professionalisering en begeleiding van startende leraren en schoolleiders moeten worden ingebed in het bredere (strategisch) personeelsbeleid van de school dat bijdraagt aan de professionele ontwikkeling en duurzame inzetbaarheid van de medewerkers en aansluit op ontwikkelingen buiten de school en de wensen en behoeften binnen de organisatie. (…) Het is daarbij niet zo dat de middelen per se binnen de schoolomgeving moeten worden uitgegeven. Het kan zijn dat wordt besloten middelen op bestuursniveau in te zetten omdat zo meer bereikt kan worden op het gebied van professionalisering en begeleiding van startende leraren en schoolleiders. Daarbij geldt dat behoeftes en problemen voor elke school anders zijn en de mogelijkheid er moet zijn om de middelen op bestuursniveau te kunnen inzetten.”

  • Wat gebeurt er met de PDI-uren ‘voor oudere werknemers’ als iemand ziek wordt?

    Als een oudere werknemer de PDI-uren inzet om verlof op te nemen en hij/zij tijdens het verlof ziek wordt, dan geldt artikel 9.6 lid 7 CAO PO. Dat bepaalt dat bij ziekte de uren van het verlof niet worden opgeschort, met andere woorden: als je ziek bent op een verlofdag, ben je die dag kwijt. Is de medewerker voor lange tijd ziek? Dan wordt het verlof nog steeds niet opgeschort en blijft hij/zij tijdens het eerste ziektejaar toch de eigen bijdrage betalen. Na het eerste ziektejaar vervalt de eigen bijdrage.

  • Mag je werknemer zelf bepalen waaraan hij/zij het PDI-budget besteed, zowel binnen als buiten de school?

    Artikel 9.4 lid 2 CAO PO zegt het volgende: “De werknemer bepaalt na overleg met de leidinggevende hoe hij/zij het PDI-budget (geld en uren) inzet, passend bij de bestedingsdoelen genoemd in lid 5.”

    Nota bene. Dit geldt ook voor schoolleiders; het antwoord op deze vraag is dus ook op jou van toepassing.

    Regie

    De formulering in de CAO PO geeft aan dat de medewerker veel ruimte en verantwoordelijkheid krijgt om zelf regie te pakken over zijn of haar professionele ontwikkeling en duurzame inzetbaarheid, en uiteindelijk bepaalt de werknemer (goed beargumenteerd) de inzet van het budget. De doelen, genoemd in artikel 9.4 lid 5, bevatten de criteria op basis waarvan je met elkaar de professionele dialoog voert. Vervolgens stem je af op welk tijdstip de uren worden benut, waarbij je de belangen van de werknemer en van de school goed afweegt.

    Doelen

    In lid 5 staat de volgende opsomming:

    • activiteiten die bijdragen aan het bijhouden van de vakbekwaamheid en professionele ontwikkeling;
    • activiteiten die helpen om ook op langere termijn het werk goed, gezond en met plezier te blijven doen;
    • activiteiten die bijdragen aan de (duurzame) inzetbaarheid van de werknemer, in de zin van breed inzetbaar en aantrekkelijk blijven voor de interne en externe arbeidsmarkt.

    Het is zaak om met elkaar de wensen van de medewerker (professionalisering, duurzame inzetbaarheid of beide) te bespreken en achteraf zeker ook de opbrengst van het budget te toetsen aan genoemde doelen: terugkoppeling, verantwoording én reflectie.

    Pijn en onbegrip

    De werknemer moet zich realiseren dat hij/zij het budget van 123 uur (naar rato van de werktijdfactor) moet realiseren náást de lesgebonden en/of behandeltaken, het voor- en nawerk en de overige taken. Voor de invulling ervan kan de OOP’er en de leraar geen vrijstelling van lesgeven krijgen. Het zijn uren waar je als werknemer voor wordt betaald en die gewoon vallen binnen je jaartaak, naast alle andere componenten van je jaartaak. Als je een kleine(re) werktijdfactor hebt, kan het voorkomen dat je deze uren invult op een dag die niet je reguliere werkdag is.

    AVS merkt dat hier soms pijn en onbegrip zit bij OOP’ers en leraren. Het kan (!) helpen als je uitlegt dat we uitgaan van een jaartaak van 1659 uren, een vijfdaagse werkweek en werkdagen van acht uren, maar dat een werkdag, na aftrek van de PDI-uren, in feite slechts 7,4 uren telt. Dit is een afgerond getal, verkregen door eerst de netto jaartaak te berekenen (1659 – 123 = 1536) en dat getal te delen door 207,5 werkdagen (1659 / 40 / 5 = 207,5).

    Tip: maak in de jaartaak duidelijk op welke dag(del)en je medewerker zijn of haar PDI-uren inzet. Daarvoor is het wel nodig dat je medewerker goed weet waarvoor, hoe en wanneer hij/zij de uren wil gebruiken.

    Spaarmogelijkheid

    De werknemer kan er ook voor kiezen om uren te sparen, maximaal drie jaar, om aan een bepaald doel te kunnen werken (artikel 9.4 lid 7). Afspraken hierover moet je altijd schriftelijk vastleggen!

    Factsheet

    Het Arbeidsplatform Primair Onderwijs (AP-PO) heeft een factsheet dat praktische handvatten biedt voor het gesprek over duurzame inzetbaarheid en behoud van medewerkers. Lees voor meer informatie over levens- en loopbaanfasebewust personeelsbeleid ook het rapport Levens- en loopbaanfasebewust HRM in het primair onderwijs van het AP-PO.

  • Hoe verhoudt de PDI-regeling voor 57+’ers zich tot een generatiepactregeling?

    In feite is de PDI-regeling voor 57+’ers een mini-generatiepactregeling: je werkt +/- 90%, krijgt +/- 95% uitbetaald en bouwt 100% pensioen op. De percentages liggen bij een generatiepactregeling doorgaans wat anders, bijvoorbeeld
    > 80% werken tegen 90% loon met 100% pensioenopbouw, of
    > 60% werken tegen 80% loon met 100% pensioenopbouw.

    De DI-regeling voor 57+’ers kan gebruikt worden om de generatiepact regeling aan te vullen. Of als uitgangspunt voor een ruimere regeling.

  • Kan ik het PDI-budget van mijn medewerkers inzetten voor teamscholing?

    Het antwoord op deze vraag luidt: dat mag niet.

    Professionele ontwikkeling

    Professionalisering is hartstikke belangrijk: dat blijkt uit artikel 9.1 over professionaliseringsbeleid. Lid 1 van dit artikel schrijft voor: “Doorlopend en op alle niveaus in de organisatie is aandacht voor professionele ontwikkeling. Dit betreft zowel door werkgever opgedragen professionalisering als professionalisering aansluitend bij de eigen behoefte van werknemer. Werkgever en werknemer spannen zich daartoe maximaal in.”

    Artikel 9.4 Individueel bepaalde PDI-activiteiten

    Artikel 9.4 van de CAO PO gaat onder andere over de hierboven genoemde “professionalisering aansluitend bij de eigen behoefte van werknemer”: individueel bepaalde PDI-activiteiten. PDI staat voor professionalisering en duurzame inzetbaarheid. Leraren en OOP’ers hebben allen recht op een PDI-budget dat bestaat uit 123 uur en 525 euro per jaar (naar rato van de werktijdfactor) (artikel 9.4 lid 3 en lid 4). Dit budget (in tijd en geld) is een persoonlijk budget en mag niet worden ingezet voor teamscholing.

    N.B. Hetzelfde geldt voor het persoonlijke scholingsbudget van de directeuren (3.150 euro, artikel 9.7 CAO PO). Dat mag op bestuursniveau niet worden ingezet voor teamscholing van de directeuren.

    Teamscholing

    Voor teamscholing moet je als directeur in je begroting een apart budget opnemen. Teamscholingsactiviteiten (en dan gaat het vooral om studiedagen) zijn meestal ‘verplichte kost’ en moet je daarom in de jaartaak apart vernoemen (in jaartaakprogramma’s vallen ze dan onder overige taken).

  • Wat staat er in de CAO PO over professionalisering van leraren en OOP?

    Artikel 9.4 van de CAO PO bepaalt sinds 1 oktober 2024 dat leraren en onderwijsondersteunend personeel (OOP) voor hun professionele ontwikkeling én duurzame inzetbaarheid jaarlijks beschikken over
    –  
    123 uren (deeltijders naar rato van hun werktijdfactor) en
    –   500 euro per jaar* (deeltijders naar rato van hun werktijdfactor).

    *Dit bedrag wordt geïndexeerd bij elke salarisverhoging. Uitgaande van de CAO PO 2025-2027 is er nu 555 euro beschikbaar (deeltijders naar rato van hun werktijdfactor).

    Leraren en OOP’ers kunnen het geld en de uren (samen het PDI-budget genoemd) inzetten voor activiteiten in het kader van professionalisering en/of duurzame inzetbaarheid. Zo kunnen ze ervoor kiezen het ene jaar het geld en alle PDI-uren in te zetten voor professionalisering, het jaar daarna deels voor professionalisering en deels voor activiteiten in het kader van duurzame inzetbaarheid, en een volgend jaar volledig voor duurzame inzetbaarheid.

    Dit vraagt wel wat van de medewerker en de schoolleider: jullie moeten tijdig met elkaar het professionele gesprek hierover voeren. De organisatorische consequenties verwerk je in de jaartaak van de individuele medewerker.

    Hoofdstuk 9 van de CAO PO 2024-2025 is helemaal gewijd aan professionalisering en duurzame inzetbaarheid.

  • Mag een werknemer het PDI-budget in één schooljaar voor meerdere doelen inzetten?

    Ja, dat mag.

    N.B. Dit geldt dus ook voor de directeur want die is zelf ook een werknemer!

    Als voorbeeld nemen we een werknemer die fulltime werkt en op jaarbasis beschikt over een urenbudget van 123 uur. Deze werknemer kan er voor kiezen om bijvoorbeeld gedurende drie jaar 50 uur per jaar te sparen (artikel 9.4 lid 7 CAO PO), en lopende het schooljaar 50 uur professionaliseringsactiviteiten te ondernemen alsook nog 23 uren in te zetten voor zijn of haar duurzame inzetbaarheid.

  • Mag je uren sparen uit het PDI-budget?

     Ja, dat mag.

    Werknemer en werkgever kunnen in overleg afspreken dat de werknemer (een deel van) het geld en/of de uren gedurende maximaal drie jaar spaart (artikel 9.4 lid 7 CAO PO). N.B. Directeuren mogen maximaal vier jaar sparen (artikel 9.7 lid 3).

    Voorheen schreef de cao voor dat dit met een bepaald doel moest. Dat staat niet meer in de tekst. AVS adviseert om dit desondanks wel vast te leggen zodat je er op kunt sturen.

    Artikel 9.4 lid 8 bepaalt dat leidinggevenden hun werknemers stimuleren om het PDI-budget te benutten. Datzelfde lid geeft aan dat de uren uit het PDI-budget die niet benut zijn, bij uitdiensttreding alleen worden uitbetaald als het gespaard budget betreft en de werknemer uit dienst gaat op initiatief van de werkgever.

  • Wat houdt het PDI-budget voor oudere werknemers in? 

    Hoofdstuk 8A van de CAO PO ging helemaal over duurzame inzetbaarheid. Dat hoofdstuk is met ingang van de CAO PO 2024-2025 opgegaan in het nieuwe hoofdstuk 9 Professionalisering en duurzame inzetbaarheid (PDI).

    Werknemers hebben vanaf hun 57ste recht op het zogenaamd PDI-budget oudere werknemers van 130 extra uur per jaar (naar rato van de werktijdfactor). Artikel 9.6 in de CAO PO gaat hierover. In de praktijk is er weinig veranderd ten opzichte van de eerdere regeling voor oudere werknemers.

    Leraren en OOP’ers minder inzetbaar!

    Allereerst betekent dit dat jouw medewerkers van 57 jaar en ouder 130 uur minder inzetbaar zijn dan hun jongere collega’s (naar rato van hun werktijdfactor).

    Immers, standaard is een fulltime medewerker 1659 uur (bruto jaartaak) – 123 (PDI-budget) = 1536 uur inzetbaar voor 1) lesgevende en/of behandeltaken, 2) voor- en nawerk en 3) overige taken.
    Uitgangspunt daarbij is dat deze fulltime medewerker 940 uur onderwijs verzorgt, en voldoende tijd heeft voor het voor- en nawerk (ook wel de opslagfactor* genoemd) en voor overige taken.

    Medewerkers van 57 jaar en ouder zijn 1659 (bruto jaartaak) – 123 (PDI-budget) – 130 (budget oudere werknemers) = slechts 1406 uur inzetbaar. Het totaalbudget voor professionalisering en duurzame inzetbaarheid (PDI) bedraagt voor hen immers (123 + 130 =) 253 uur.

    Artikel 9.6 lid 6 bepaalt dat de oudere werknemer, die leraar is of OOP’er met lesgevende en/of behandeltaken, en die het extra PDI-budget opneemt voor verlof, minder inzetbaar is in de klas.

    Uit de CAO PO blijkt niet duidelijk of dit ook geldt voor de oudere medewerker die zijn/haar extra PDI-budget niet in verlof opneemt. Deze medewerker kan dus nog steeds 940 uur lesgeven maar zal dan minder ingezet kunnen worden voor overige taken. De hamvraag is: wat sluit het beste aan bij de behoeften van de oudere OOP’er of leraar; hoe blijft die vitaal & inzetbaar? Realiseer je dat bepaalde keuzes van invloed kunnen zijn op je formatie!

    N.B. Iedere medewerker van 57 jaar en ouder heeft dus recht op het extra budget van 130 uur (naar rato van de werktijdfacto). Het is aan de medewerker zelf of hij/zij gebruikmaakt van dit recht. Leg goed vast als de medewerker besluit af te zien van zijn of haar recht.

    *Het begrip opslagfactor is in 2019 uit de cao gehaald. Momenteel wordt  het functioneren van het werkverdelingsplan onderzocht en het begrip opslagfactor is meegenomen in het onderzoek. Logisch, want jaartaakprogramma’s werken met bepaalde percentages die in feite niets meer en niets minder dan een opslagfactor zijn…  De resultaten van het onderzoek worden wellicht in de CAO PO 2025-2026 verwerkt.

    En hoe zit het met schoolleiders?

    Ook schoolleiders zijn werknemers en hebben dus recht op het bijzonder PDI-budget voor oudere werknemers als zij 57 jaar of ouder zijn. Bespreek met je bestuurder wat dit voor jou en voor de school betekent! In principe ben je 130 uur (naar rato van je werktijdfactor) minder beschikbaar… Wie gaat een deel van jouw werk opvangen? Is daar (voldoende) geld voor gereserveerd?

    Doelen

    Dit bijzonder budget kun je grofweg op twee manieren inzetten:

    1. Je zet het in voor de doelen die staan vermeld in artikel 9.4 lid 5 CAO PO:
    – activiteiten die bijdragen aan het bijhouden van de vakbekwaamheid en professionele ontwikkeling;
    – activiteiten die helpen om ook op langere termijn het werk goed, gezond en met plezier te blijven doen;
    -activiteiten die bijdragen aan de (duurzame) inzetbaarheid van de werknemer, in de zin van breed inzetbaar en aantrekkelijk blijven voor de interne en externe arbeidsmarkt.

    2. Het extra budget van 130 uren (naar rato van de werktijdfactor) mag de medewerker ook inzetten voor verlof (bijvoorbeeld een sabbatical, extra zorgverlof, recuperatieverlof enz.). Hij of zij betaalt dan wel een eigen bijdrage (40% voor OOP’ers t/m schaal 8; 50% voor OOP’ers in schaal 9 en hoger, voor leraren en directeuren). Als je medewerker alle uren van het bijzonder budget opneemt als verlof, mag hij/zij maximaal 40 uren (naar rato van de werktijdfactor) aan het bijzonder budget toevoegen – hiervoor geldt géén eigen bijdrage. In totaal kan je oudere medewerker dus jaarlijks 170 uur verlof (naar rato van de werktijdfactor) opnemen.

    Sparen

    De 130 uren (naar rato van de werktijdfactor) van het bijzonder budget en 40 uur (naar rato van de werktijdfactor) van het PDI-budget kun je gedurende vijf jaar sparen. Je medewerker moet dit van tevoren kenbaar maken aan jou en moet daarbij ook aangeven hoe en wanneer hij/zij de uren opneemt, zodat jij hiermee in je begroting rekening kunt houden. (Dat geldt natuurlijk ook voor jou richting je bestuur.)

    Nota bene

    1. Als medewerkers ervoor kiezen om door te werken nadat ze de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, dan vervalt het recht op dit verlof (artikel 9.6 lid 5).
    2. Als het recht op het PDI-budget oudere werknemers lager is dan 45 uur, dan vervalt het recht op deze uren (artikel 9.6 lid 9).
    3. Je kunt het extra budget ook gedeeltelijk sparen (artikel 9.6 lid 10).

    Wat kan AVS voor je betekenen?

    De AVS Helpdesk krijgt veel vragen over dit onderwerp (alle aspecten van professionalisering en duurzame inzetbaarheid). Heb je zelf vragen en ben je lid van AVS? Neem dan gerust contact op met de AVS Helpdesk (gratis)!

  • Wie is er verantwoordelijk voor de professionalisering van de werknemer?

    Elke werknemer is verantwoordelijk voor zijn of haar eigen professionalisering – dat geldt zowel voor leraren en OOP’ers als voor schoolleiders. Elke werknemer maakt hierover jaarlijks afspraken met zijn of haar leidinggevende. De afspraken hierover worden vastgelegd, bijvoorbeeld in het verslag van een functioneringsgesprek of in een persoonlijk ontwikkelingsplan (POP).

    Voorheen was hoofdstuk 9 van de CAO PO uitsluitend aan professionalisering gewijd. Sinds 1 oktober 2024 gaat hoofdstuk 9 over professionalisering én duurzame inzetbaarheid. Het budget dat daarvoor is vastgesteld (uren en geld) noemen we het PDI-budget.

    In het PDI-budget zijn de voormalige (uren)budgetten voor professionalisering en duurzame inzetbaarheid samengevoegd. Medewerkers kunnen flexibel met het geld en deze uren omgaan, en zo beter inspelen op hun behoeften: de ene periode kan de focus meer of helemaal liggen op professionalisering, in een andere periode kan de medewerker het geld en de uren meer of helemaal inzetten voor duurzame inzetbaarheid.

    Nota bene: voor schoolleiders (schaal A11 t/m A13 en D12 t/m D15) is een regeling opgenomen voor professionaliseringsmiddelen in geld die afwijkt van die van leraren en OOP’ers (zie artikel 9.7 CAO PO). Schoolleiders hebben dus geen geldbedrag beschikbaar voor duurzame inzetbaarheid.

    Om ervoor te zorgen dat dit gaat werken, is het nodig dat medewerker en leidinggevende jaarlijks een professionele dialoog voeren. Er moet echt ruimte zijn voor de wensen van de werknemer en tegelijkertijd moeten het geld en de uren bijdragen aan de doelen van het PDI-budget. Als medewerker moet je dus goed weten wat je nodig hebt en dat afstemmen met je leidinggevende.

    Voor leraren en OOP’ers geldt: de uren van het PDI-budget worden ingezet naast de lesgevende en/of behandeltaken, het voor- en nawerk en de overige taken. Voor schoolleiders geldt natuurlijk ook dat de PDI-uren onderdeel zijn van hun jaartaak, waarvan de omvang wordt bepaald door hun werktijdfactor.

    Heb je nog vragen? Neem contact op met de AVS Helpdesk.

  • Waar mag je het PDI-budget aan besteden?

    Elke medewerker (OOP’er, leraar en directeur) kan het budget van 123 uur inzetten voor de volgende doelen:

    • activiteiten die bijdragen aan het bijhouden van de vakbekwaamheid en professionele ontwikkeling;
    • activiteiten die helpen om ook op langere termijn het werk goed, gezond en met plezier te blijven doen;
    • activiteiten die bijdragen aan de (duurzame) inzetbaarheid van de werknemer, in de zin van breed inzetbaar en aantrekkelijk blijven voor de interne en externe arbeidsmarkt.

    De CAO PO geeft daarmee veel ruimte en verantwoordelijkheid aan medewerkers om zelf de regie te nemen over hun professionele ontwikkeling en duurzame inzetbaarheid, passend bij de levensfase waarin ze zich bevinden. 

    Artikel 9.4 lid 2 geeft aan dat de werknemer bepaalt na overleg met de leidinggevende hoe hij/zij het budget inzet. Lid 6 schrijft voor dat werknemer en werkgever in overleg bepalen wanneer (op welk tijdstip) de werknemer de uren benut. Meestal is de directeur de leidinggevende van een OOP’er en een leraar, en is de bestuurder de leidinggevende van de directeur.

    AVS adviseert om als team het gesprek aan te gaan over de bestedingsdoelen met betrekking tot (duurzame) inzetbaarheid: interpreteer je de bestedingsdoelen zo ruim mogelijk of stel je met elkaar toch zekere grenzen? Accepteer je als team na schooltijd een uurtje tennissen of dagelijks een kwartiertje (hard)lopen ‘in de tijd van de baas’ als activiteit waardoor je gezond kunt blijven werken? En wat met een cursus kantklossen? Deze voorbeelden komen niet uit de lucht vallen: de AVS helpdesk wordt er geregeld over geraadpleegd! De tekst van de CAO PO geeft geen duidelijke grenzen, dus in theorie mag het allemaal.

  • Hoe hoog is de eigen bijdrage als je het PDI-budget inzet voor verlof?

    Alleen als je je PDI-budget inzet voor verlof, betaal je een eigen bijdrage. En dat geldt alleen voor de oudere (vanaf 57 jaar) werknemers (OOP’er, leraar, directeur) die hun PDI-uren kunnen opnemen in vrije tijd (artikel 9.6 CAO PO).

    – 40% dagsalaris voor werknemers in salarisschaal 8 en lager;
    – 50% dagsalaris voor de overige werknemers.

    Neemt een oudere werknemer alle uren van het budget voor oudere werknemers op in vrije tijd (130 uur naar rato van de werktijdfactor)? Dan mag hij/zij maximaal 40 uur (naar rato van de werktijdfactor) extra opnemen uit het PDI-budget waarvoor geen eigen bijdrage geldt.

    In totaal kan de oudere werknemer (57 jaar en ouder) dus jaarlijks 170 uur (naar rato van de werktijdfactor) in vrije tijd opnemen. Deze uren kunnen deze werknemers trouwens ook sparen (artikel 9.6 lid 10 CAO PO).