Relevante onderwerpen
De vernieuwde Wegwijzer Seksualiteit online ondersteunt schoolleiders in het primair en voortgezet onderwijs bij het voorkomen en aanpakken van online seksueel grensoverschrijdend gedrag zoals sexting. De wegwijzer biedt direct toepasbare handvatten voor beleid, teamprofessionalisering en communicatie met ouders. Bovendien kan de wegwijzer eenvoudig worden toegevoegd aan het veiligheidsplan van de school. Waarom belangrijk? Sexting en ander online seksueel gedrag maken deel uit van de...
Vanaf 1 juli 2024 volstaat een VOG-kinderopvang voor werknemers in het primair onderwijs, zonder dat daar een wetswijziging voor nodig is. Deze beslissing, gesteund door brancheorganisaties en bonden, vermindert administratieve rompslomp en kosten voor zowel personeel als werkgevers, zonder de veiligheid in het gedrang te brengen. Dit is vooral handig als je OOP’er ook in de kinderopvang werkt, wat in IKC’s vaak het geval is. ...
Hoe kan jij als schoolleider zo vroeg mogelijk toekomstig verzuim herkennen? En wat geeft jou zelf energie? Wil je alles weten over het voorkomen van verzuim en hoe je regie krijg op je eigen vitaliteit? Kom dan naar een themabijeenkomst, georganiseerd door AVS samen met het Vervangings- en Participatiefonds, in diverse regio’s: Zwolle, Utrecht, Den Bosch en Rotterdam. Data: 26 maart en 23 april. Meld je snel aan. ...
Een precies antwoord op deze vraag is niet te geven, enerzijds omdat de wet- en regelgeving geen harde normen hanteert, anderzijds omdat veel afhangt van de omstandigheden op jouw school (denk aan isolatie, airco, luchtverversing, grootte van de lokalen, stedelijke of landelijke omgeving enzovoort).
Dit is wat het Arbeidsomstandighedenbesluit zegt over de temperatuur (artikel 6.1).
1. Rekening houdend met de aard van de werkzaamheden die door de werknemers worden verricht en de fysieke belasting die daar het gevolg van is, veroorzaakt de temperatuur op de arbeidsplaats geen schade aan de gezondheid van de werknemers.
2. Indien door de temperatuur op de arbeidsplaats of door ongunstige weersomstandigheden toch schade aan de gezondheid van de werknemers kan ontstaan, worden persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking gesteld. Indien de ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen schade aan de gezondheid niet kunnen voorkomen, wordt de duur van de arbeid in een zodanige mate beperkt of wordt de arbeid met een zodanige frequentie afgewisseld door een tijdelijk verblijf op een plaats waar een temperatuur heerst als bedoeld in het eerste lid, dat geen schade aan de gezondheid ontstaat.
Ook in de Arbocatalogus PO is er aandacht voor de temperatuur in het klaslokaal. Daar vind je meer wet- en regelgeving, maar ook allerlei praktische informatie. Opvallend is dat voorheen een temperatuur van 30 graden werd genoemd. Nu zegt de Arbocatalogus dat werken in een temperatuur van boven de 25 graden al een negatief effect heeft… Op warme dagen met vijfentwintig ‘kacheltjes’ van 37 graden in een klaslokaal, kom je daar al gauw!
Bij een te hoge temperatuur moet je wel degelijk maatregelen nemen om de belasting voor leerlingen en leraren zo laag mogelijk te houden. Een tropenrooster is dan een optie. Een tropenrooster houdt in dat je de schooltijden naar voren haalt, bijvoorbeeld door een uur eerder te beginnen (en dus ook een uur eerder te eindigen).
Je kunt, in overleg met je bestuur, zelf besluiten om een tropenrooster in te stellen bij extreem warm zomerweer. Hou wel in de gaten dat je je moet houden aan het minimum aantal lesuren per schooljaar (artikel 8.7 WPO, verplichte onderwijstijd). De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de onderwijstijd.
Andere mogelijke maatregelen zijn:
– kortere dagen (let op onderwijstijd),
– zo veel mogelijk aaneengesloten werken (let op verplichte pauzetijd werknemers),
– pauzeren in koele ruimtes,
– extra ventilatie en
– extra drinken ter beschikking stellen.
De school stelt de maatregelen op met instemming van de medezeggenschapsraad (MR).
– In het primair onderwijs heeft de oudergeleding van de MR (OMR) instemmingsbevoegdheid met betrekking tot de onderwijstijd en de invulling hiervan (artikel 13 lid 1 sub h WMS). Een protocol over hoe om te gaan met warme temperaturen hoort daarom ter instemming aan de OMR te worden voorgelegd als het invloed heeft op de onderwijstijd.
– In het voortgezet onderwijs heeft de MR adviesbevoegdheid met betrekking tot het lesrooster, waar ook het tropenrooster onder valt (artikel 11 lid 1 sub a WMS).
– Wijzigingen van het veiligheids-, gezondheids- en welzijnsbeleid vallen onder het instemmingsrecht voor de MR als geheel (artikel 10 sub e WMS).
Informeer de ouders zo snel mogelijk, als je een tropenrooster overweegt. Hebben de ouders geen opvang voor hun kinderen? Dan moet je als school een alternatief programma (opvang) aanbieden tijdens de uren waarop de lessen vervallen.
Heb je als school beleid met betrekking tot een tropenrooster? Neem hierover een stukje op in je schoolgids.
Tot slot. Om te voorkomen dat je ad hoc een besluit moet nemen, is het handig om in goed overleg met alle partijen helder beleid te maken (en daarover iets te melden in je schoolgids). Kijk daarbij ook uitdrukkelijk naar de mogelijkheden om te voorkomen dat je met een tropenrooster moet gaan werken, bijvoorbeeld door aanpassingen te doen aan het gebouw (denk aan zonwering, klimaatbeheersing enzovoort). Voor informatie en met vragen kun je terecht bij Ruimte OK, een onafhankelijke, uitvoerende kennisorganisatie voor scholen en gemeenten als het gaat om de financiering en de huisvesting van scholen.
Het antwoord op deze vraag is geactualiseerd op 31 maart 2026
Vaak lees je dat je met je team en/of met een individueel teamlid “het goede gesprek” moet voeren… Schoolleiders hebben doorgaans wel beeld bij wat hier wordt bedoeld, maar uit onderzoek van het Arbeidsplatform PO (AP-PO) blijkt dat dit voor leraren en onderwijsondersteuners niet zo vanzelfsprekend is. Opleidingen focussen met name op het voeren van gesprekken met leerlingen en ouders, maar het voeren van het goede (professionele) gesprek onderling en/of met jou als leidinggevende, roept bij medewerkers vaker twijfel en spanning op dan je zou verwachten. Het is daarom niet verkeerd om als schoolleider met je medewerkers aan dit onderwerp aandacht te besteden.
Voor achtergrondinformatie kun je de verkenning over dit onderwerp, uitgevoerd door het Arbeidsmarktplatform PO in 2025, er eens bij pakken. Het AP-PO heeft bovendien een handige toolbox ontwikkeld die je kunt inzetten.
12 december 2025
Het antwoord op deze vraag luidt: dat hangt ervan af… Het is echter wel van belang dat je je als directeur van een IKC verdiept in deze materie.
Iedereen die werkt op een plek waar kinderen worden opgevangen, moet zich registreren in het Personenregister kinderopvang (PRK), zegt de wet (artikel 1.48d lid 2 Wet kinderopvang).
Wie moet zich inschrijven?
– bestuurders en eigenaren van kinderopvangorganisaties (alleen natuurlijke personen);
– gastouders en hun volwassen huisgenoten;
– vaste en tijdelijke medewerkers, uitzendkrachten, stagiairs, vrijwilligers en zelfstandigen;
– administratief personeel met toegang tot gegevens van kinderen;
– iedereen die structureel aanwezig is tijdens opvanguren.
Onder “structureel aanwezig” wordt verstaan: minstens één keer in de drie maanden minimaal een halfuur tijdens opvanguren op de locatie aanwezig zijn (bijvoorbeeld de schoonmaakster maar ook een onderhoudsmedewerker van een installatiebedrijf die met enige regelmaat in de opvangtijd werkzaamheden komt uitvoeren).
Het betreft hier een richtlijn voor het begrip “structureel” – en dat is geen beleidsregel of definitie die antwoord geeft op alle voorkomende situaties. Je zult in de praktijk geregeld situaties meemaken die vragen om maatwerk. Wat altijd geldt is dat de kinderopvanghouder verantwoordelijk is voor het bieden van verantwoorde en veilige kinderopvang.
Wanneer de houder personen toegang verleent tot het kindcentrum, zal hij of zij zich altijd moeten afvragen wat dit betekent voor (de veiligheid van) de kinderen. Oók wanneer het om incidentele aanwezigheid gaat. Een houder heeft de mogelijkheid om een VOG te verlangen van iedereen met wie hij (op wat voor manier dan ook) voor de kinderopvang samenwerkt. Ziet de houder van deze mogelijkheid af, omdat hij of zij meent dat de veiligheid van de kinderen niet in het geding komt, dan moet hij of zij dit kunnen onderbouwen.
Het is niet de bedoeling dat de onderwijsmedewerkers van een IKC zich registreren in het PRK, ook al zou je kunnen denken dat die toch structureel op de locatie aanwezig zijn als kinderopvang en school zich in hetzelfde gebouw bevinden. De GGD GHOR Nederland heeft een Denklijn personenregister kinderopvang uitgewerkt. Daarin staan twee voorbeelden van situaties waarin de onderwijsmedewerker zich wel degelijk moet registreren in het PRK.
1. Een kindcentrum en een school zijn gevestigd op dezelfde locatie. Ze werken op diverse vlakken samen. Het onderwijspersoneel komt regelmatig op het kindcentrumdeel, bijvoorbeeld in het kader van gezamenlijke activiteiten. De onderwijsmedewerker die hierbij betrokken is, moet zich inschrijven in het PRK.
2. Een aantal peuters van het kindcentrum heeft regelmatig een activiteitenuurtje met de kinderen van groep 1 van de naastgelegen school. Daarvoor gaan ze naar de school toe. Tijdens de activiteit is de leerkracht er voor de kinderen uit groep 1 en begeleidt de beroepskracht zelf de peuters. De leerkracht moet zich inschrijven in het PRK.
Twijfel je? Neem contact op met de GGD GHOR Nederland (https://ggdghor.nl).
Heb je medewerkers die zich moeten inschrijven in het personenregister (PRK)? Dat kunnen zij alleen met een geldige Verklaring omtrent het gedrag (VOG). De VOG mag bij de inschrijving niet ouder zijn dan twee maanden. De VOG moet zijn afgegeven voor functieaspect 84 (zorg voor minderjarigen) en functieaspect 86 (kinderopvang). Als je medewerker ingeschreven is, moet hij of zij via het register een koppelverzoek naar de kinderopvangorganisatie sturen. Pas als de koppeling tot stand is gebracht, is de inschrijving in het PRK compleet.
Zorg ervoor dat je medewerker zich bewust is dat na inschrijving continue screening plaatsvindt door de Justitiële Informatiedienst (Justid). Er wordt doorlopend gecontroleerd of iemand strafbare feiten heeft gepleegd die niet samengaan met werken in de kinderopvang. Als een geregistreerde medewerker een strafbaar feit heeft gepleegd, dan krijgt DUO een signaal en wordt de kinderopvanghouder gewaarschuwd.
Continue screening gebeurt niet voor iemand die een VOG heeft aangevraagd voor en werkt in het onderwijs! Daarin zit ‘m dus een groot verschil met de kinderopvang.
Het antwoord op deze vraag is geactualiseerd op 2 oktober 2025
De Arbeidstijdenwet én het Arbeidstijdenbesluit gelden voor alle werkgevers in Nederland en dus ook voor alle werkgevers in het openbaar en het bijzonder onderwijs.
De Arbeidstijdenwet heeft tot doel het voorkomen van overbelasting van werknemers. De wet reguleert de maximale arbeidstijd (tijd waarin ononderbroken arbeid mag worden verricht), en schrijft voor welke rusttijd tussen de werkzaamheden in acht moet worden genomen. Het gaat de wetgever dus niet zozeer om de vraag hoeveel uren er in een week, in een maand of in een jaar wordt gewerkt, als wel om de vraag of de werknemer tussen de werktijden voldoende in de gelegenheid wordt gesteld periodes van rust te nemen.
Het Arbeidstijdenbesluit bevat vele aanvullende bepalingen over ploegendienst, nachtdienst, zondagsdienst enzovoort. Het bevat eveneens bijzondere bepalingen voor diverse beroepsgroepen met onregelmatige of bijzondere werktijden als schoonmakers, verplegend en verzorgend personeel, brandweer enzovoort.
Een werknemer mag
– per dienst: maximaal 12 uur en
– per week: maximaal 60 uur
werken.
Let op: een werknemer mag niet iedere week het maximaal aantal uren werken. Als je de arbeidstijd over een langere periode bekijkt, zien de werkuren er zo uit:
– per week per vier weken: gemiddeld 55 uur per week. In een collectieve regeling (bijvoorbeeld een cao) kunnen hierover afwijkende afspraken gemaakt zijn, maar toch mag een werknemer nooit meer dan 60 uur per week werken;
– per week per zestien weken: gemiddeld 48 uur per week.
Voor kinderen onder de 16 en jongeren van 16 en 17 jaar gelden aparte regels. Ook gelden er enkele bijzondere regels voor zwangere vrouwen en voor vrouwen die pas bevallen zijn.
Na een werkdag moet je werknemer 11 uur aaneengesloten rust hebben. Deze rustperiode mag wel eens in de zeven dagen ingekort worden tot 8 uur als de aard van het werk of de bedrijfsomstandigheden dit nodig maken.
Bij een vijfdaagse werkweek geldt dat de werknemer na een werkweek recht heeft op 36 uur aaneengesloten rust. Een werkweek van meer dan vijf dagen is ook mogelijk, mits de werknemer in een periode van 14 dagen minimaal 72 uur aaneengesloten rust heeft. Deze rustperiode mag gesplitst worden in twee perioden van minimaal 32 uur (maar samen dus minimaal 72 uur).
Werkt je werknemer langer dan 5,5 uur op een dag werkt, dan heeft hij of zij recht op minimaal 30 minuten pauze. Die pauze mag worden gesplitst in twee keer een kwartier. Werkt je werknemer langer dan 10 uur op een dag (bijvoorbeeld als er een rapportavond is gepland na een reguliere werkdag van 8 uur), dan is de pauze minstens 45 minuten lang. Die pauze mag worden gesplitst in meer pauzes van minimaal een kwartier.
Pauzes die korter zijn dan een kwartier, zijn niet toegestaan.
Van enkele voorschriften (bijvoorbeeld van de maximale arbeidstijd en de pauzeregeling, maar weer niet van de rusttijdenregeling) kan alleen worden afgeweken bij cao of bij publiekrechtelijke regeling. Afwijking kan ook via een regeling tussen de werkgever en het medezeggenschapsorgaan, indien en voor zover de cao of de publiekrechtelijke regeling die mogelijkheid heeft geopend.
Voor de zwangere werknemer gelden specifieke bepalingen. Zwangere werknemers hebben recht op extra pauze(s): in totaal voor ten hoogste een achtste deel van de voor haar geldende arbeidstijd (bij een werkdag van 8 uur heeft een zwangere medewerker dus recht op een uur extra pauze). Deze extra pauze valt onder werktijd, in tegenstelling tot de reguliere pauze die in de eigen tijd valt (= onbetaald).
Je zwangere werknemer van 18 jaar of ouder kan niet worden verplicht meer arbeid te verrichten dan:
– 10 uren per dienst,
– gemiddeld 50 uren per week in elke periode van 4 aaneengesloten weken, en
– gemiddeld 45 uren per week in elke periode van 16 aaneengesloten weken.
Als een zwangerschapsonderzoek onder werktijd valt, wordt er doorbetaald.
Na de bevalling mag de werknemer gedurende de eerste negen levensmaanden van haar kind het werk onderbreken om te kolven of om borstvoeding te geven, zo vaak en zo lang als nodig, echter wel met een maximum van een vierde van de arbeidstijd per dienst (dus maximum 2 uur op een werkdag van 8 uur). Deze tijd wordt doorbetaald en is geen onderdeel van de reguliere pauze! Je overlegt met je vrouwelijke werknemer hoe je een en ander het beste kunt organiseren…
Ook heeft de bevallen werknemer gedurende de eerste zes maanden na de bevalling het recht om het werk af te wisselen met één of meer pauzes. En net als bij de zwangere werknemer, geldt dat deze extra pauze(s) samen ten hoogste één achtste deel van de arbeidstijd per dienst bedragen (betaald).
Leidinggevenden en hoger personeel met een inkomen van tenminste drie keer modaal zijn van arbeidsurenregistratie vrijgesteld. Het Centraal PlanBureau (CPB) schat voor 2025 het modaal inkomen op € 46.500 per jaar (bruto, inclusief vakantiegeld).
Op grond van hoofdstuk 2 van de CAO PO stel je als werkgever een werkverdelingsplan op. Onderdeel van dit plan is onder andere een pauzeregeling die moet voldoen aan de wettelijke vereisten. In je pauzeregeling staat ook of er wordt gekozen voor een half uur dan wel tweemaal een kwartier pauze, wanneer op een dag meer dan 5,5 uur gewerkt wordt*.
Een jaartaak bedraagt 1659 uur voor een fulltime werknemer. Parttime werknemers werken een aantal uren naar rato van hun werktijdfactor. Artikel 3.30 van de CAO PO bepaalt dat de arbeidsduur in een voltijds dienstbetrekking 40 uur per week bedraagt. (Dit wordt herhaald of zo je wilt bevestigd in artikel 6.1). De consequentie hiervan is dat werknemers in het onderwijs jaarlijks (afgerond) 41,5 weken werken. Hoe de uren worden verdeeld over de week en over het jaar, leg je eveneens vast in het werkverdelingsplan.
*Noch de wet noch de CAO PO schrijft voor wanneer de pauze moet vallen. De pauze mag alleen niet aan het begin of het einde van de werkdag worden gepland. In theorie kun je dus iemand die op een dag 8 uur moet werken, al na een uur zijn of haar wettelijke pauze laten opnemen. Zo’n keuze getuigt natuurlijk niet van goed werkgeverschap… Werknemers hebben hun pauzes echt nodig om even op te laden. Kies dus, binnen de mogelijkheden van het (les)rooster, voor een zo optimaal mogelijk tijdstip.
Het antwoord op deze vraag is geactualiseerd op 30 september 2025
Er is een heel grote kans dat er op jouw school medewerkers rondlopen die niet bij jou, maar bij een intermediair (een uitleenbedrijf) in dienst zijn en die jij dus inhuurt. Denk bijvoorbeeld aan de schoonmaker, maar ook aan de invaller die je via een uitzendorganisatie hebt binnengehaald.
Een groot deel van de werkgeversverplichtingen ligt bij het bedrijf waar jij de medewerker inhuurt. Denk aan de personeels- en loonadministratie. Jij bent (mede) verantwoordelijk voor de veiligheid van de medewerker en de kwaliteit van het werk.
Gezondheid en veiligheid: je bent verantwoordelijk voor de arbeidsomstandigheden en moet zorgen voor een veilige en gezonde werkomgeving voor het ingehuurde personeel, net als voor je eigen personeel. Dit geldt ook voor de naleving van de Arbeidstijdenwet.
Informatieplicht: vóór de start van het werk check je of de ingehuurde medewerker door de intermediair is geïnformeerd over de risico’s waarmee hij of zij te maken kan krijgen. Het is altijd goed om specifieke, context gerelateerde informatie te delen met de ingehuurde medewerker voordat hij of zij op jouw school aan het werk gaat.
Aansprakelijkheid bij ongevallen: je bent aansprakelijk als de ingehuurde werknemer een ongeluk krijgt of een beroepsziekte oploopt en je niet kunt bewijzen dat je aan je werkgevers-zorgplicht hebt voldaan. Je moet aantonen dat je de juiste aanwijzingen hebt gegeven, voldoende toezicht hebt gehouden, noodzakelijke veiligheidsmaatregelen hebt getroffen, gecontroleerd hebt of de ingehuurde medewerker de werkzaamheden veilig uitvoert.
Loonheffingen en premies: verrassend wellicht, maar je kunt hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de juiste uitbetaling van het loon en het afdragen van loonheffingen en sociale premies. Natuurlijk is de intermediair hiervoor in eerste instantie verantwoordelijk, maar als de intermediair deze verplichtingen niet nakomt, kan de Belastingdienst de school/ het bestuur aanspreken. Zoiets kan zich voordoen als er bijvoorbeeld sprake is van een fictieve dienstbetrekking.
Inlenersaansprakelijkheid: om boetes te voorkomen, moet je controleren of de intermediair staat ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Gebruik hiervoor de Waadi-check.
Zowel inhuren/inlenen als uitzenden of bemiddelen van personeel is gebonden aan regels uit de Wet allocatie arbeid door intermediairs (Waadi). Iemand die buitenlands personeel inhuurt of uitleent, moet behalve aan de regels van de Waadi ook aan de regels van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) voldoen.
De Nederlandse Arbeidsinspectie houdt toezicht op de naleving van de Waadi.
Voor meer informatie kun je terecht op de website van de Nederlandse Arbeidsinspectie.
Het antwoord op deze vraag is geactualiseerd op 30 september 2025
De Nederlandse Arbeidsinspectie is een overheidsdienst die toezicht houdt op de naleving van de Nederlandse wet- en regelgeving op het gebied van arbeid. Deze inspectiedienst valt onder het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Wat mogen deze inspecteurs allemaal doen?
– Alle onderzoeken en handelingen in verband met opsporing;
– het betreden van alle ruimten waar arbeid wordt verricht;
– het geven van aanwijzingen en het stellen van eisen teneinde een nadere uitleg te geven van in abstracte termen gestelde voorschriften en regels;
– het verzegelen van ruimten en toestellen;
– het stilleggen van werk in ernstige gezondheidsbedreigende situaties;
– het in beslag nemen of in bewaring nemen van voorwerpen;
– het opmaken van proces-verbaal bij constateren van een overtreding;
– vragen stellen aan iedereen op een werkplaats;
– identiteitsdocumenten, werktijdregistraties, loonadministraties en andere documenten inzien;
– gegevens en documenten (waaronder computerbestanden) kopiëren of meenemen;
– voorwerpen en monsters meenemen, verpakkingen openen en foto’s maken;
– medewerking eisen van de werkgever, bijvoorbeeld bij het vaststellen van de identiteit van de personen die bij hem aan het werk zijn;
– spreken met de medezeggenschapsraad (personeelsgeleding) ook als de bestuurder daarbij niet aanwezig is.
De inspecteur kan bij een controle met de werkgever in gesprek gaan over de thuiswerkvoorzieningen. Dat doet hij of zij op basis van de informatie uit de risico-inventarisatie of -evaluatie (RI&E), en aan de hand van gesprekken met medewerkers. Realiseer je dat je als werkgever verantwoordelijk bent voor een veilige en gezonde thuiswerkplek en moet zorgen voor passende middelen en een veilige omgeving, zoals een ergonomisch bureau en stoel. De kosten voor het inrichten van een geschikte thuiswerkplek komen voor rekening van de werkgever.
De Arbeidsinspectie ziet ook toe op de naleving van de Wet flexibel werken. Als werkgever ben je niet verplicht thuiswerken toe te staan, maar je medewerkers hebben wel het recht om een verzoek daartoe te doen. Je mag een aanvraag voor thuiswerken alleen afwijzen met een goede reden.
Het kijken naar en onderzoeken van de dagelijkse praktijk op de werkvloer en op de thuiswerkwerkplek, helpt de inspecteurs van SZW om oneerlijk, onveilig of ongezond werk op te sporen en tegen te gaan.
Het antwoord op deze vraag is geactualiseerd op 30 september 2025
Op scholen hangen steeds vaker camera’s, bijvoorbeeld om vernielingen of diefstal tegen te gaan. Maar de inbreuk op de privacy van leerlingen, leerkrachten en bezoekers is groot. Daarom mag je alleen camera’s ophangen als je aan een aantal voorwaarden voldoen. Je moet er onder andere voor zorgen dat de inbreuk op de privacy zo klein mogelijk is. Zo gaat het ophangen van een camera in bijvoorbeeld een toilet of kleedhokje veel te ver, ook al worden daar wel eens vernielingen of diefstallen gepleegd!
De school moet een gerechtvaardigd belang hebben voor het cameratoezicht. Het cameratoezicht moet noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld om diefstal tegen te gaan of leerlingen, leerkrachten en bezoekers te beschermen. Cameratoezicht is een uiterste middel, je moet allereerst nagaan of je je doel niet op een andere, minder ingrijpende manier bereiken. Ook mag het cameratoezicht niet op zichzelf staan. Het is altijd een onderdeel van een totaalpakket aan maatregelen.
Je moet eerst een privacytoets uitvoeren. Dit betekent dat je de belangen van de leerlingen, leerkrachten en bezoekers afweegt tegen het belang van de school. Ook moet je de plannen vooraf met de medezeggenschapsraad bespreken.
Scholen moeten volgens de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) privacyrisico’s in kaart brengen bij het gebruik van persoonsgegevens. Bij nieuwe software, grote updates of nieuwe samenwerkingen is een risicobeoordeling, een zogeheten DPIA verplicht. Met een pre-DPIA kun je als school vooraf vaststellen of er sprake is van een hoog privacyrisico. Als dat het geval is, dan moet je een volledige DPIA uitvoeren.
Zet je systematisch cameratoezicht in om diefstal tegen te gaan of leerlingen, leerkrachten en bezoekers te beschermen? Dan moet je sowieso een DPIA uitvoeren.
Een verborgen camera mag normaal gesproken niet. Maar is er bijvoorbeeld vaak sprake van diefstal of fraude op het werk? Dan mag je als werkgever onder strenge voorwaarden een verborgen camera gebruiken. Een DPIA is dan altijd verplicht. Ook als het heimelijk cameratoezicht incidenteel is.
De school moet ervoor zorgen dat de leerlingen, leerkrachten en bezoekers weten dat er een camera hangt en voor welk doel deze er hangt, bijvoorbeeld door bordjes op te hangen. De AVG kent de volgende privacyrechten toe aan betrokkenen:
– het recht om gegevens (camerabeelden) in te zien;
– het recht om vergeten te worden;
– het recht op beperking van de verwerking;
– het recht om bezwaar te maken tegen het gebruik van persoonsgegevens.
Je mag de camerabeelden niet langer bewaren dan nodig. De richtlijn hiervoor is maximaal vier weken. Maar is er een incident vastgelegd, bijvoorbeeld een diefstal? Dan mag je de betreffende beelden bewaren tot dit incident is afgehandeld.
Wil je meer informatie? De website van de Autoriteit Persoonsgegevens heeft een aparte themapagina over cameratoezicht. Heb je een (zeer) specifieke vraag? Neem dan contact op met de AVS Helpdesk (alleen voor leden).
Het antwoord op deze vraag is geactualiseerd op 3 september 2025
Ruimte-OK is een onafhankelijke, uitvoerende kennisorganisatie die gemeenten en schoolbesturen kan ondersteunen als het gaat om huisvestingsproblematiek. Op haar website heeft Ruimte-OK onder andere informatie over ventilatie en binnenklimaat in schoolgebouwen. De belangstelling voor goede ventilatie van schoolgebouwen nam een vlucht tijdens de corona pandemie. Tot veel meer dan het beschikbaar stellen van een relatief klein budget en de verplichting om in elk klaslokaal een CO2-meter te hebben, heeft die belangstelling vooralsnog niet geleid…
AVS heeft de afgelopen jaren op haar website veel nieuwsitems geplaatst over het onderwerp ventilatie en lobbyt doorlopend voor meer aandacht voor betere schoolgebouwen.
Het antwoord op deze vraag is geactualiseerd op 20 augustus 2025
Mediation is niets meer en niets minder dan met elkaar in gesprek gaan onder begeleiding van een mediator. Mediation kan een manier zijn om als directeur weer in gesprek te komen met een ouder of een medewerker met wie de vertrouwensrelatie een flinke deuk heeft gehad. Of om weer in gesprek te komen met je bestuurder als er sprake is van een conflict.
Voor mediation gelden belangrijke uitgangspunten zoals vertrouwelijkheid en vrijwilligheid. Het vooraf stellen van voorwaarden is niet toegestaan. Waarschijnlijk haakt de mediator zelfs af als je dat doet…
Vrijwilligheid
Deelname aan mediation is vrijwillig, en dat geldt voor beide partijen! Zodra een van de partijen niet meer verder wil, stopt de mediation.
Vertrouwelijkheid
Alles wat je tijdens de mediation met elkaar bespreekt, is vertrouwelijk. Met een ander hierover praten – bijvoorbeeld een collega, een vriend of zelfs je partner – mag alleen als partijen hiervoor toestemming geven. Vaak heb je wel behoefte om samen met een vertrouwd iemand over het gesprek na te praten: maak je behoefte dan ook kenbaar! Gespreksverslagen zijn eveneens vertrouwelijk.
Veiligheid
Tijdens een mediationgesprek moeten beide partijen in alle openheid met elkaar kunnen praten en het achterste van hun tong kunnen laten zien. Wat wordt gezegd mag (later) niet tegen je gebruikt worden, hoe ingewikkeld dat soms ook kan zijn… Alleen schriftelijk vastgelegde afspraken zijn tijdens en na mediation geldig. Mondelinge dus niet. Laat de mediator een eindverslag opstellen waarin helder is verwoord wat er is afgesproken en wanneer dit mag gebruikt worden (bijvoorbeeld: wat mag er worden opgenomen in het personeelsdossier).
Verantwoordelijkheid
Je bent zelf verantwoordelijk voor de manier waarop je het conflict oplost. De mediator begeleidt partijen hierbij, maar dwingt niets af.
Bij de AVS Helpdesk zien we dat de bedrijfsarts soms mediation adviseert om een conflictueus re-integratieproces weer vlot te trekken. Dat is meestal geen vrijblijvend advies. Werk je niet mee, dan kan dat beschouwd worden als het frustreren van je re-integratieproces, met alle nare consequenties vandien. Neem in een dergelijke situatie altijd contact op met de AVS Helpdesk. De collega’s kunnen je begeleiden en schakelen zo nodig een van onze juristen in!
Meer informatie: AVS Helpdesk (alleen voor leden, gratis).
AVS Academie werkt samen met coaches die ook mediation doen. Neem gerust contact op met AVS Academie: bel 030-2361010 of mail naar academie@avs.nl.
Het antwoord op deze vraag is geactualiseerd op 20 augustus 2025
In de CAO PO staat over dit onderwerp niets opgenomen. Het is de Arbeidstijdenwet die dit regelt en die is ook in het onderwijs van kracht.
De tekst van artikel 4.8 van de Arbeidstijdenwet luidt als volgt:
In de praktijk is het zo dat je samen in redelijkheid de wederzijdse belangen afweegt, zodat je voorkomt dat er onbillijke situaties ontstaan. Maak dus samen goede afspraken over
Voorbeeld. Een vrouwelijke medewerker heeft een aanstelling van 0,800. Elke dag moet ze tweemaal kolven en daar is ze ongeveer een uur per keer mee bezig: twee uur per werkdag dus. Dat mag, want lid 3 van artikel 4.8 geeft aan dat (maximaal) een vierde van de werktijd per dienst mag gekolfd worden. Gevolg: deze medewerker is dus elke dag zes in plaats van acht uur beschikbaar. Is deze medewerker leerkracht, dan zal je wellicht dagelijks iemand beschikbaar moeten hebben om een uur haar groep over te nemen, maar ook voor het werk na schooltijd zal je met elkaar afspraken moeten maken in de vorm van extra ondersteuning.
Het antwoord op deze vraag is geactualiseerd op 15 augustus 2025
Ja, de Wet op het primair onderwijs (WPO) schrijft dit voor (zie artikel 45 lid 1a).
Scholen moeten van álle medewerkers een geldige VOG in het bezit hebben. Dat geldt ook voor de (vrijwillige) medewerkers die met het toezicht op leerlingen bij de tussenschoolse opvang zijn belast.
De medewerker overhandigt aan het bevoegd gezag een originele VOG (dus geen kopie), die niet ouder is dan 2 maanden.
Meer informatie vind je op de website van School en Veiligheid.
Het antwoord op deze vraag is geactualiseerd op 12 augustus 2025
Nee, dat mag niet: je moet de Arbeidsinspectie ongehinderd toegang verlenen. De Arbeidsinspectie controleert of werkgevers en werknemers zich houden aan de verschillende wetten, besluiten en regelingen op het terrein van arbeid.
Het toezicht op de aan arbeid gerelateerde wetgeving gebeurt door middel van inspecties en onderzoeken naar aanleiding van klachten en ongevallen. De Arbeidsinspectie richt zich onder andere op de volgende ontwikkelingen en risico’s:
– werk- en rusttijden;
– betaling onder het minimumloon;
– illegale werknemers (arbeidsmarktfraude);
– naleving van de wetgeving in het algemeen;
– overige risico’s voor de veiligheid of gezondheid van werknemers.
Op de website van de Arbeidsinspectie kunnen werkgevers en werknemers een melding of klacht indienen over de veiligheid van de werkplek, arbeidsongevallen, arbeidsuitbuiting en andere Arbo-gerelateerde onderwerpen. De Arbeidsinspectie kan alleen meldingen in behandeling nemen die betrekking hebben op de wetgeving waarop de Arbeidsinspectie toezicht houdt.
Om de inspecties en onderzoeken goed uit te kunnen voeren, hebben de inspecteurs de volgende bevoegdheden:
– toegang tot alle plaatsen waar wordt gewerkt, ook in woningen als het gaat om onderzoek naar thuiswerk;
– aan iedereen op de werkplaats vragen stellen of als getuige horen;
– inzage in identiteitsdocumenten, werktijdregistraties, loonadministraties en andere documenten;
– gegevens en documenten (waaronder computerbestanden) kopiëren of meenemen;
– voorwerpen en monsters meenemen, verpakkingen openen en foto’s maken;
– medewerking eisen van de werkgever, bijvoorbeeld bij het vaststellen van de identiteit van de personen die bij hem aan het werk zijn.
Het antwoord op deze vraag is geactualiseerd op 7 augustus 2025
Het antwoord is klip en klaar: NEE.
Werknemers hebben recht op een rookvrije werkplek. Het beleid met betrekking tot roken is vastgelegd in de Tabaks- en rookwarenwet. Uitgangspunt is dat de overheid een niet-rokenbeleid uitvoert. Dat geldt dus ook voor onderwijsinstellingen.
Roken is in het onderwijs overal verboden, zowel binnen als buiten.
– Onder het rookverbod valt ook de buitenruimte van de school (schoolplein, fietsenstalling enz.).
– Het roken van e-sigaretten en waterpijp is eveneens verboden.
– Ook speciaal ingerichte ruimtes (‘rookruimtes’) zijn verboden.
Meer informatie over dit onderwerp vind je op de website van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.
Het antwoord op deze vraag is geactualiseerd op 4 augustus 2025
De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) controleert op scholen of het rookverbod wordt nageleefd. De controles worden steekproefsgewijs uitgevoerd bij alle soorten onderwijs, van basisschool tot universiteit. Gekeken wordt of de scholen het rookverbod correct hebben ingesteld en aangegeven, en of ze het goed handhaven. Als de inspecteur een overtreding vaststelt, kunnen er (forse) boetes worden opgelegd.
Op school ben je als directeur eindverantwoordelijk voor de handhaving van het rookverbod. Instrueer je medewerkers dat ook zij het rookverbod moeten handhaven… in de school, maar ook in de buitenruimte. Maak bij elke ingang duidelijk dat er overal op school – ook op het schoolplein – 24/7 een absoluut rookverbod geldt!
Informatie over het rookbeleid is te vinden op de website van de NVWA.
Het antwoord op deze vraag is geactualiseerd op 4 augustus 2025