Ferdinand

Normaal gesproken ben ik niet zo van ‘sequels’ – behalve als deze ‘Die Hard’ betreffen of de heerlijkheden van Stallone. Want om een vervolg te gaan schrijven op je vorige column, omdat deze zo goed gelezen is, is louter zelfverheerlijking. Als dat het al niet was.

Maar mensen, dit keer ontkomen we er niet aan. Het onderwerp blijkt te ‘hot and happening’ te zijn: hoe krijgen we, op verantwoorde wijze, meer mensen* in het onderwijs?

De vorige column hierover is belachelijk veel gelezen en voorzien van gerichte commentaar. Het onderwerp leeft enorm. Ik zie ook andere publicaties over dit onderwerp, veelal geschreven door veel wijzere mensen, met eender commentaar. Het water staat het onderwijs onderhand tot ver boven de lippen, daar kan geen goedbedoeld NPO-programma tegenop. We hebben nu mensen nodig, het ontbreekt ons aan handen (uit de mouwen) en schouders (om te dragen).

En als we met z’n allen dat gegeven hebben vastgesteld, raken we een diepere laag van het probleem – zijn al die handen en schouders eigenlijk wel bevoegd?

En daar moeten we het ook over hebben.

Zo gauw ideeën ontstaan – en die zijn nooit tot vier cijfers achter de komma doorgedacht – om meer mensen toe te laten in het onderwijs (denk aan zij-instromers, herintreders, mensen uit het bedrijfsleven, pensionado’s) komt het punt van ‘kwaliteit’ op tafel te liggen. Wat we ook gaan bedenken, het mag niet ten koste gaan van onze hoge kwaliteitsstandaarden. Links en rechts lees ik dat we lessen moeten trekken uit het verleden, toen we in een soortgelijke nood mensen van de straat trokken en hen voor de klassen zetten. Ons werk in het onderwijs is niet zomaar door Jan en alleman te doen en verbrede toelating op onze opleidingen is een no-go, de lat moet hoog blijven liggen.

Onderhand vind ik daar dus iets van.

We hebben van tijd tot tijd de extra mensen die vanuit grote noodzaak zijn toegetreden tot ons vak benaderd alsof zij het waren die de lat lager gelegd hebben. Niet bevoegd of nog niet bevoegd, dus niet bekwaam, dus niet geschikt voor het werk in het onderwijs. Alsof wij, met al onze bevoegdheden, certificaten, masters en BHV-herhalingen, altijd voldoende bekwaam waren én geschikt om de lat hoog te houden.

Toen ik als 14-jarige jongeling meeliep met een timmerman, leerde ik onbevoegd hoe ik een kozijn moest stellen en bekwaamde ik mij gaandeweg in het vak. Ik had een strenge mentor, die mij onderwees in alle kneepjes van het vak. Die de lat, een ruwhouten panlat, altijd hoog legde. Maar nooit onbereikbaar.

We moeten inderdaad niet verbreed toelaten op onze opleidingen, nee, we moeten verbreed toelaten in onze scholen. Laat jonge mensen, net van de HAVO, VWO of Gymnasium, direct meelopen in het onderwijs. Laat hen van meet af aan meekijken in ons werk – bij ons moeten ook kozijnen worden gesteld. Door op jonge leeftijd mee te lopen – net zoals vroeger bij de gildes – kunnen er weloverwogen keuzes worden gemaakt om goed te worden opgeleid voor het werk in het onderwijs. Kijk ook eens naar de opleidingsmogelijkheden in de zorg en politie – direct het werk in en geleidelijk bekwamen of zelfs specialiseren.

De hoogte van de lat – of de lat zelf – is een complex en gelaagd fenomeen geworden in onze discussies. Enerzijds willen we vasthouden aan bepaalde standaarden, anderzijds belemmert deze lat ons om anders te gaan denken.

Ik pleit voor een andere manier van doen in deze. Hup, direct jonge mensen – of andere geïnteresseerden – het onderwijs in. En dat de wijze van opleiden én het curriculum van onze opleidingen daarop worden afgestemd.

Uiteraard voorzien van bereikbare (pan)latten.

* Indertijd, volgens mij in een ALV van de PO-Raad, had ik ook een idee geponeerd meer mannen het onderwijs in te krijgen door op de Pabo’s reflectieverslagen af te schaffen en hen daar een wielrenner aan te bieden in plaats van een blokfluit. Het idee kreeg weinig gehoor.