Het antwoord op deze vraag luidt: ja, dat mag.
Hieronder volgt enige tekst en uitleg. Opmerking vooraf: alle uren die worden genoemd, gelden voor een fulltime medewerker (werktijdfactor 1,000). Voor deeltijders gelden de uren naar rato van hun werktijdfactor.
“Iedere werknemer van 57 jaar en ouder heeft, in aanvulling op de PDI-uren genoemd in artikel 9.4, jaarlijks recht op een bijzonder PDI-budget oudere werknemers van 130 uur naar rato van de werktijdfactor.” Aldus artikel 9.6 lid 1 CAO PO. “De werknemer van 57 jaar en ouder kan het PDI-budget oudere werknemers en 40 uur van het PDI-budget van artikel 9.4 lid 4 in overleg met de werkgever op basis van een vooraf ingediend plan maximaal vijf jaar sparen,” staat in lid 10 van hetzelfde artikel.
Let op: “Als het recht op het PDI-budget oudere werknemers lager is dan 45 uur, vervalt het recht op deze uren,” schrijft lid 9 voor… Met andere woorden, medewerkers die 57 jaar of ouder zijn en een werktijdfactor van 0,346 of lager hebben, komen niet in aanmerking voor het PDI-budget oudere werknemers.
Even terug naar de tijd vóór de CAO PO 2024-2025. Er was toen geen sprake van één budget voor professionalisering en duurzame inzetbaarheid (PDI-budget). Professionalisering en duurzame inzetbaarheid waren twee gescheiden potjes. In het potje duurzame inzetbaarheid zat een zogenaamd basisbudget van 40 uur waarover elke medewerker kon beschikken. Daarnaast beschikte elke medewerker over 83 uur voor professionalisering (2 uur per werkweek).
Met ingang van de CAO PO 2024-2025 zijn deze budgetten samengevoegd tot één budget: het PDI-budget. Maar die 40 uur basisbudget duurzame inzetbaarheid uit de vorige cao’s komt nog wel terug in het spaarverhaal…
Werknemers van 57 jaar en ouder hebben recht op een extra PDI-budget van 130 uur per jaar. Dat budget mogen zij gedurende maximum vijf jaar sparen om het vervolgens op te nemen als verlof. Daarbij geldt dat maximaal 340 uur per jaar verlof mag worden opgenomen.
Nu moet een medewerker niet verplicht al die 130 uur sparen. Hij of zij kan er ook voor kiezen om bijvoorbeeld maar 100 uur te sparen en 30 uur toe te voegen aan het jaarlijkse PDI-budget van 123 uur. Als een medewerker hiervoor kiest, beperkt het sparen zich tot die 100 uur. Als de medewerker wel het volledige PDI-budget oudere werknemers spaart, dan mag hij of zij daar nog 40 uur aan toevoegen uit het vaste PDI-budget van 123 uur (waardoor er van dat budget jaarlijks maar 83 uur overblijft).
Het maakt niet uit hoeveel uur een medewerker wil sparen: er moet wel een concreet plan liggen over wanneer en hoe de gespaarde uren weer worden opgenomen! De gespaarde uren mogen niet gebruikt worden om eerder te stoppen met werken.
Over de opgenomen uren van het PDI-budget oudere werknemers betalen de medewerkers 50% eigen bijdrage (40% eigen bijdrage voor OOP’ers in salarisschaal 8 of lager).
Als medewerkers hun volledige PDI-budget oudere medewerkers én de toegestane 40 uur uit het vaste PDI-budget sparen, dan hoeft er over die 40 uur géén eigen bijdrage te worden betaald.
We kiezen voor een eenvoudig voorbeeld. Stel dat een medewerker vijf jaar maximaal heeft gespaard. Vanaf het zesde jaar kan hij/zij dan verlof opnemen. In dat zesde jaar heeft de medewerker uiteraard gewoon recht op de opname als verlof van 130 uur PDI-budget oudere werknemers plus 40 uur van het vaste PDI-budget, samen 170 uur. Omdat er een maximum van 340 uur verlofopname per jaar is vastgesteld, kan er nog 170 uur uit het spaarpotje worden toegevoegd. Die uren bestaan eveneens uit 130 uren PDI-budget oudere werknemers plus 40 uur van het vaste PDI-budget. Over 130 + 130 = 260 uur dient de medewerker een eigen bijdrage te betalen (50% of 40%, zie hierboven). Over 40 + 40 = 80 uur hoeft geen eigen bijdrage te worden betaald.
Dit antwoord is geactualiseerd op 30 oktober 2025