Vraag van de maand

  • Hoe dient deze arbeidstijdenregistratie plaats te vinden?

    In de Arbeidstijdenwet (ATW) is bepaald dat een werkgever een “deugdelijke registratie” moet voeren voor de arbeids- en rusttijden van zijn werknemers.

    Onderwijsgevend personeel en directieleden:

    1. Van de werkgever wordt verwacht dat er goed wordt nagedacht over de arbeidstijden en het taakbeleid in relatie tot de belasting van de leerkrachten en de directieleden dat de jaartaak reëel wordt verdeeld over de verschillende taken en werkweken. Dit sluit aan bij de afspraken in de CAO PO en CAO VO. 
    2. Er kan mee worden volstaan dat de schooladministratie de thuis te werken uren (lesvoorbereiding en correctiewerk) vooraf aangeeft op het rooster van de groepsleerkracht c.q. docent.
    3. De school (werkgever) houdt tevens de wijzigingen in het rooster bij, dus ook een toe- of afname van het aantal thuiswerkuren. De school is verantwoordelijk voor het maken van goede afspraken met de groepsleerkrachten c.q. docenten om tijdig substantiële afwijkingen te kunnen verwerken. 
    4. Dit tezamen moet volledig en deugdelijk zijn. De registratie vindt per schooljaar (1 augustus tot 1 augustus) plaats. De leerkrachten en docenten hoeven niet langer zelf de uren die zij thuiswerken bij te houden, zij hoeven dus niet meer een registratie van het aantal thuisgewerkte uren bij de werkgever in te leveren. 

    Onderwijsondersteunend personeel:
    Ook voor het onderwijsondersteunend personeel dient een deugdelijke arbeidstijdenregistratie plaats te vinden. De registratie vindt per kalenderjaar plaats. Om problemen gedurende het schooljaar/kalenderjaar te voorkomen dient voorafgaande aan het nieuwe schooljaar/kalenderjaar overleg met iedere individuele betrokkene plaats te vinden en het rooster te laten ondertekenen.

    Er zijn geen voorschriften gegeven hoe de registratie van de arbeidstijden er uit moet zien. Deze is vormvrij. De werkgever kan zelf beslissen hoe hij de tijden registreert, zolang uit de registratie is af te leiden of zijn organisatie zich aan de voorschriften houdt.

    De werkgever moet in principe voor elke werknemer een registratie bijhouden. Maar als er een vast basisrooster op papier staat en werknemers altijd op dezelfde tijden werken, hoeft de werkgever alleen afwijkende arbeidstijden te registreren.

    De werkgever is verplicht om de arbeids- en rusttijdenregistratie te bewaren. Hiervoor geldt een termijn van ten minste 52 weken. Die termijn van 52 weken begint te lopen vanaf het moment waarop de geregistreerde arbeids- en rusttijden plaatsvinden. Uit de bepaling blijkt dat die termijn ook kan gelden voor zelfstandigen.
    Controle van de arbeidstijdenregistratie kan plaatsvinden door de Inspectie SZW. De controle is er op geënt dat zij in staat is te controleren of werkgevers en werknemers de Arbeidstijdenwet op de juiste manier naleven. Ontbreekt de registratie of is de registratie niet op de juiste wijze uitgevoerd, dan heeft Inspectie SZW de mogelijkheid om een boete op te leggen.

    Sommige sectoren hebben afwijkende registratieregels

    Voor een correcte registratie moet Inspectie SZW de arbeids- en rusttijden van individuele werknemers kunnen achterhalen. In de registratie zijn de feitelijke begin- en eindtijden van het werk en het totaal aan pauze te zien. Registratie is mogelijk door bijvoorbeeld (over)werkbriefjes of een urenregistratiesysteem. Mist de urenregistratie, dan probeert Inspectie SZW op een andere manier vast te stellen of de organisatie aan de ATW voldoet (tools). In het ATB zijn voor sommige sectoren wel aparte registratieregels opgenomen, zoals voor het onderwijs en wegvervoer.

    In de rubriek ‘De kleine lettertjes van’ behandelt Rendement een bijzondere bepaling uit een wet, besluit of regeling. In deze editie: de bewaartermijn van de registratie van arbeids- en rusttijden.

  • Hoe is de inning van de sectorale arbeidsmiddelen PO en GOVAK-middelen geregeld?

    In het kader van de decentralisatie van de arbeidsvoorwaardenmiddelen door het ministerie van OCW zijn ook afspraken gemaakt over de inning van de sectorale arbeidsmarktmiddelen primair onderwijs en de Govak-middelen.

    De vergoeding voor deze middelen werd tot 1 januari 2018 rechtstreeks door het ministerie vergoed aan de Stichting Financiering Structureel Vakbondsverlof Onderwijs (SFSVO) en de Stichting Arbeidsmarktplatform primair onderwijs (Appo).
    Vanaf genoemde datum worden de gelden voor genoemde middelen door het ministerie van OCW gestort in de lumpsumvergoeding en is het aan genoemde instellingen de taak deze gelden te innen.
    Om een en ander te realiseren is de kop-cao Arbeidsmarktmiddelen po en G.O. en Vakbondsfaciliteiten afgesloten. Deze kop-cao is in februari 2019 geactualiseerd.
    Aan het APG is de opdracht verstrekt deze middelen te innen.
    Met ingang van 1 januari 2022 zal de inning van de gelden door WW+ plaatsvinden.
    De kop-cao Arbeidsmarktmiddelen po en G.O. en Vakbondsfaciliteiten is hieronder te downloaden.

    Downloads

  • Welke gevolgen heeft de invoering van de Wet vereenvoudiging grondslagen bekostiging po?

    Scholen voor het basisonderwijs en speciaal onderwijs krijgen vanaf 1 januari 2023 een basisbedrag per leerling en school. Schoolbesturen kunnen dit geld naar eigen inzicht besteden. Ook wordt het volledige bedrag vanaf dat moment per kalenderjaar vastgesteld. Zodat de volledige bekostiging op hetzelfde moment bekend is.

    Het doel van de vereenvoudiging van de bekostiging in het basisonderwijs onderwijs en speciaal onderwijs op een rijtje:

    – duidelijker maken: scholen krijgen 1 basisbedrag per leerling en per school. Zij krijgen niet langer aparte budgetten voor personeel en materieel. Materieel is onder andere leermiddelen en onderhoud van de gebouwen.

    – eenvoudiger maken: de 130 rekenregels moeten naar ongeveer 30 regels. Dat maakt de berekening en de verdeling van het geld eenvoudiger voor de scholen. Ook wordt het voor de medezeggenschapsraad of de Raad van Toezicht van de school eenvoudiger om de bekostiging te controleren.

    – beter voorspelbaar maken: De bekostiging wordt per kalenderjaar (in plaats van schooljaar) vastgesteld. Zo krijgen scholen op hetzelfde moment inzicht in de volledige bekostiging. Het aantal leerlingen dat een school heeft, is belangrijk voor de hoogte van het bedrag dat scholen krijgen. De teldatum gaat naar 1 februari van het vorige kalenderjaar. Voorbeeld: het bedrag voor het kalenderjaar 2023 wordt vastgesteld met de teldatum op 1 februari 2022. 

    De invoering van de vereenvoudiging bekostiging verandert de manier van berekenen van het geld dat een schoolbestuur krijgt. Door deze andere berekening kan een schoolbestuur vanaf 2023 iets meer of iets minder geld krijgen.
    Voor de eerste 3 jaren is er een overgangsregeling. Hierdoor krijgen scholen de tijd om hun uitgaven aan te passen aan de nieuwe situatie. Met een rekenmodel kunnen scholen het nieuwe basisbedrag per school en per schoolbestuur berekenen.

    wv-vereenvoudiging-bekostiging-po-k23.pdf

    Vereenvoudiging-bekostiging-po-Stb.-2021-171.pdf

    infografic-vereenvoudiging-bekostiging-po.pdf

  • Hoe ziet de Regeling programma’s van eisen materiële instandhouding PO 2022 er uit?

    Op 8 oktober 2021 is de Regeling vaststelling programma’s van eisen basisonderwijs en (v)so en bekostiging materiële instandhouding samenwerkingsverbanden PO en VO 2021 gepubliceerd.

    Regeling vaststelling programma’s van eisen 2022 basisonderwijs

  • Waarom is er gekozen voor lumpsumbekostiging? Hoe wordt ervoor gezorgd dat het geld echt bij de medewerkers terechtkomt (Arbeidsmarkttoelage)?

    – Bijzondere en aanvullende bekostiging via de lumpsum beperkt de administratieve lasten ten opzichte van bijvoorbeeld een subsidie waarvoor scholen een aanvraag moeten indienen.

    – Als normatieve Rijksbijdrage zijn de middelen voor de arbeidsmarkttoelage geen onderwerp van een specifieke (accountants)controle. Niet of anders bestede middelen kunnen niet worden teruggevorderd.

    – Personeelsleden kunnen op de website inzien of extra bekostiging voor de arbeidsmarkttoelage is toegekend aan de vestiging waar hij/zij werkzaam is. De PGMR in het primair onderwijs en de PMR in het voortgezet onderwijs moet vervolgens instemmen met de hoogte van de arbeidsmarkttoelage. Op die wijze wordt verwacht dat het onderwijspersoneel het niet laat gebeuren dat deze extra middelen ergens anders terecht komen.

    – Om de inzet van de middelen en de effectiviteit te volgen, laat OCW een monitorings- en evaluatieonderzoek uitvoeren.

  • Waaraan mag ik de arbeidsmarkttoelage besteden en waaraan niet (Arbeidsmarkttoelage)?

    – De bekostiging voor de arbeidsmarkttoelage is bedoeld om tijdens het Nationaal Programma Onderwijs het werk op scholen met een groter risico op onderwijsachterstanden aantrekkelijker te maken. Om op die wijze het herstel van kansengelijkheid te bevorderen.

    – Daarom is het de bedoeling dat de bekostiging wordt besteed aan een extra beloning voor al het personeel op die vestigingen waarvoor het schoolbestuur de extra bekostiging ontvangt voor een arbeidsmarkttoelage. Op de website van het NP Onderwijs is op te zoeken welke vestigingen dit zijn.

    – Het is niet de bedoeling dat de middelen gaan naar personeel op vestigingen waarvoor OCW géén extra bekostiging voor de arbeidsmarkttoelage heeft toegekend of naar andere doelen. Dit wordt geïllustreerd met het volgende voorbeeld:

    Voorbeeld 1: Een schoolbestuur heeft twee vestigingen in dezelfde (achterstands)wijk. De ene vestiging komt in aanmerking voor extra bekostiging voor de arbeidsmarkttoelage, de andere niet. Elke vestiging geeft les aan een verschillende groep leerlingen. Het is niet de bedoeling dat het schoolbestuur de extra bekostiging voor de toelage verdeelt over beide vestigingen.


    -Het bevoegd gezag kan met instemming van de PGMR in het rimair onderwijs en de PMR in het voortgezet onderwijs in specifieke situaties ervoor kiezen het bedrag net iets anders te verdelen over haar vestigingen. Doordat bekostiging op basis van het aantal fte is niet mogelijk is, kan het immers voorkomen dat de arbeidsmarkttoelage niet optimaal aansluit bij een specifieke vestiging en haar personeel.

    Voorbeeld 2: Een schoolbestuur heeft twee vestigingen. Beide vestigingen komen in aanmerking voor extra bekostiging voor de arbeidsmarkttoelage: de ene kan met het verstrekte geld een toelage van 6% toekennen, de andere een toelage van 10%. Als de PGMR in het primair onderwijs  en de PMR in het voortgezet onderwijs instemt, kan het schoolbestuur 8% toekennen aan beide vestigingen die in aanmerking komen voor de arbeidsmarkttoelage.


    Voorbeeld 3: Een schoolbestuur heeft twee vestigingen in hetzelfde gebouw. De ene vestiging komt in aanmerking voor extra bekostiging voor de arbeidsmarkttoelage, de andere niet. Personeel op beide vestigingen werkt met dezelfde groep leerlingen. Als de PGMR in het primair onderwijs en de PMR in het voortgezet onderwijs instemt, kan het schoolbestuur de extra bekostiging voor de toelage verdelen over beide vestigingen.

  • Met welk medezeggenschapsorgaan in het voortgezet onderwijs wordt overleg over een arbeidsmarkttoelage gevoerd (Arbeidsmarkttoelage)?

    In het voortgezet onderwijs voert het bestuur overleg met de personeelsgeleding van de medezeggenschapsraad (PMR), op grond van artikel 12, eerste lid, onderdeel g, van de Wet medezeggenschap op scholen. Als binnen uw schoolbestuur meerdere vestigingen voor voortgezet onderwijs in aanmerking komen voor de toelage, kan het zijn dat de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad (PGMR) bevoegd is. Het bestuur betrekt de PGMR als er sprake is van een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang voor alle scholen of een meerderheid van de scholen (artikel 16, eerste lid, van de Wet medezeggenschap op scholen). Wanneer dat in het voortgezet onderwijs het geval is, hangt af van de specifieke situatie binnen het schoolbestuur.

  • Met welk medezeggenschapsorgaan in het primair onderwijs wordt overleg over een arbeidsmarkttoelage gevoerd (Arbeidsmarkttoelage)?

    – In het primair onderwijs voert het schoolbestuur dit overleg met het personeelsdeel van de gemeenschappelijke medezeggenschap (PGMR). Dit is zo geregeld in de CAO PO 2019 – 2020, artikel 6.15.


    – Het is waardevol het goede gesprek over de inzet en verdeling van de toelage ook breder te voeren in de omgeving van de vestigingen die behoren tot de 15% (bijvoorbeeld met de PMR van deze vestigingen).

  • Welk personeel heeft recht op de arbeidsmarkttoelage? (Arbeidsmarkttoelage)

    – Het schoolbestuur krijgt voor personeel op vestigingen met het grootste risico op onderwijsachterstanden extra bekostiging voor een arbeidsmarkttoelage. Dit doet het meeste recht aan het doel om de kansengelijkheid te bevorderen.

    – De basis voor de verdeling is de relatieve achterstandsscore of het relatief hoogste aantal CUMI-leerlingen per vestiging. Deze indicatoren worden al gebruikt voor het verdelen van het geld voor onderwijsachterstanden. Scholen met een groter risico op onderwijsachterstanden krijgen namelijk meer geld, zowel binnen de reguliere bekostiging als binnen het NP Onderwijs.

    – In alle schoolsoorten wordt voor 15% van de vestigingen bekostiging ontvangen voor een arbeidsmarkttoelage. Dit geldt dus voor zowel het regulier onderwijs als het speciaal basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs.

    – Niet voor alle vestigingen (met een risico op onderwijsachterstanden) is er recht op bekostiging voor de arbeidsmarkttoelage, maar uitsluitend voor de 15% vestigingen met het grootste risico op onderwijsachterstanden. Het verdelen van de middelen over een groter aantal vestigingen zou leiden tot een lagere toelage en daarmee wordt het doel van de arbeidsmarkttoelage lastiger te realiseren. Daarom is de keuze gemaakt voor een arbeidsmarkttoelage op vestigingen met een groter risico op onderwijsachterstanden, om in te zetten op herstel van kansengelijkheid voor alle leerlingen.

  • Wat is het doel van de extra arbeidsmarkttoelage? (Arbeidsmarkttoelage)

    – De arbeidsmarkttoelage is bedoeld om tijdens het Nationaal Programma Onderwijs het werk op scholen met het grootste risico op onderwijsachterstanden aantrekkelijker te maken. Om op die wijze het herstel van kansengelijkheid te bevorderen.
    -Alle scholen staan voor een grote opgave om leervertragingen door de coronacrisis in te halen. Op scholen met een groter risico op onderwijsachterstanden is deze uitdaging nog groter.
    – Deze scholen hebben de meeste moeite met het lerarentekort: het verloop van personeel is hoger en zij krijgen vacatures moeilijker vervuld. Terwijl goed personeel juist nu hard nodig is om alle leerlingen een kans op een volwaardige toekomst te geven.
    – Daarom maken we het mogelijk om middels extra bekostiging het personeel op deze scholen twee jaar extra te belonen.

  • Hoe worden de ouders betrokken bij het Nationaal Programma Onderwijs?

    De ouderorganisatie Voor werkende ouders en Ouders & Onderwijs, hebben op hun websites hierover de informatie op een rijtje gezet. Zie hiervoor https://www.voorwerkendeouders.nl/ouders-nationaal-programma-onderwijs/en  https://oudersenonderwijs.nl/nieuws/vraag-antwoord-nationaal-programma-onderwijs/


    Verder is er ook informatie te vinden op https://www.nponderwijs.nl/ouders

  • Is er een overzicht van het aantal coronabesmettingen per leeftijdscategorie?

    Het RIVM stelt wekelijke een Factsheet COVID-besmettingen op.

    In de downloads zijn de meest recente cijfers te vinden.

    Factsheet COVID-besmettingen 5 oktober 2021

  • Heeft de AVS Academie een coronaprotocol?

    Bij de AVS Academie staat jouw veiligheid voorop. Het is mogelijk om elkaar, met inachtneming van de voorschriften van het RIVM, fysiek te ontmoeten.

    Download ons protocol

    Dit zijn de aanvullende richtlijnen van de AVS Academie

    • Neem zo weinig mogelijk mee naar je opleiding, leergang of training.

    • Mondkapjes zijn niet verplicht maar voel je vrij om een mondkapje te dragen.

    • Bij binnenkomst desinfecteer je je handen bij de dichtstbijzijnde hygiënezuil.

    • Houd bij de keuze van je kleding er rekening mee dat de zaal geventileerd wordt en dat het op sommige momenten koel kan zijn.

    • Maak alleen gebruik van het toilet dat daarvoor is aangewezen.

    • Koffie/thee staat klaar in de opleidingszaal. Je kunt om beurten koffie/thee halen.

    • Desinfecteer je handen bij een hygiënezuil voor je de AVS Academie verlaat.

    Met onze maatregelen sluiten wij aan bij de richtlijnen en adviezen van de overheid. Daarnaast gaan we ervan uit dat deelnemers die niet zijn gevaccineerd zich voorafgaand aan de leergang of training hebben laten testen.

  • Zijn er op de scholen toch nog plekken waar gerookt mag worden?

    Het beleid met betrekking tot roken is vastgelegd in de Tabaks- en rookwarenwet.

    Uitgangspunt is dat de overheid een niet-rokenbeleid uitvoert.

    Voor het onderwijs zijn in genoemde wet de volgende zaken van toepassing:

    – artikel 8: geen tabaksverkoop en verkoop van e-sigaretten aan jongeren onder de 18 jaar.

    – artikel 10, paragraaf 5: het verbod op roken in openbare ruimten, onder andere voor alle onderwijsinstellingen.

    Verder is het verplicht om vanaf 1 augustus 2020 een rookvrij onderwijsterrein te hebben. Dit geldt ook voor e-sigaretten.

    Werknemers hebben recht op een rookvrije werkplek. Een werkgever mag besluiten een rookruimte voor personeel in te richten, maar hij is hiertoe niet verplicht. Zo’n rookruimte moet aan verschillende eisen, vastgelegd in de wet, voldoen.

  • Wie houdt toezicht op het rookbeleid?

    De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) controleert op scholen of het rookverbod wordt nageleefd. De controles worden steekproefsgewijs uitgevoerd bij alle soorten onderwijs van basisschool tot universiteit. Gekeken wordt of de scholen het rookverbod correct hebben ingesteld, aangeduid en handhaven.

    De eerste inspectie wordt vooraf aangekondigd. De inspecteur maakt een afspraak met degene die binnen de onderwijsinstelling verantwoordelijk is voor het rookbeleid.
    Als de inspecteur van de NVWA tijdens een inspectie constateert dat het rookverbod op het schoolterrein niet of onvoldoende is ingesteld, aangeduid of gehandhaafd, dan is er sprake van een overtreding. Bij een eerste overtreding volgt een schriftelijke waarschuwing. Op een later moment wordt een her-inspectie uitgevoerd om te kijken of de overtreding is opgeheven.

    Bij een herhaalde overtreding legt de NVWA een bestuurlijke boete op, beginnend bij € 600. Bij herhaling kan de boete oplopen tot € 4.500 per overtreding.

    Informatie over het rookbeleid is te vinden op https://www.nvwa.nl/onderwerpen/roken-en-tabak/rookverbod-op-schoolpleinen

  • Kan de werkgever een inspecteur SZW de toegang tot de school weigeren?

    De werkgever moet de Inspectie SZW ongehinderd toegang verlenen. De Inspectie SZW controleert of werkgevers en werknemers zich houden aan de verschillende wetten, besluiten en regelingen op het terrein van arbeid.

    Het toezicht op de arbo-gerelateerde wetgevingen door de Inspectie SZW vindt plaats door middel van inspecties en onderzoeken naar aanleiding van klachten en ongevallen. De Inspectie SZW richt zich bij haar inspecties en onderzoeken o.a. op de volgende ontwikkelingen en risico’s:
    – te lange werktijden en/of te korte rusttijden;
    – betaling onder het minimumloon;
    – illegale werknemers laten werken (arbeidsmarktfraude);
    – geen of lage naleving van de wetgeving in het algemeen;
    – overige risico’s voor de veiligheid of gezondheid van werknemers.

    Op https://www.inspectieszw.nl/inspectie-szw/taken kunnen werkgevers en werknemers een melding of klacht indienen over de veiligheid van de werkplek, arbeidsongevallen, arbeidsuitbuiting en andere arbo-gerelateerde onderwerpen. De Inspectie SZW kan alleen meldingen in behandeling nemen die betrekking hebben op de wetgeving waarop de Inspectie SZW toezicht houdt.

    Om de inspecties en onderzoeken goed te kunnen uitvoeren, hebben de inspecteurs de volgende bevoegdheden:
    – toegang tot alle plaatsen waar wordt gewerkt, ook in woningen als het gaat om onderzoek naar thuiswerk;
    – bevoegdheid om iedereen op een werkplaats vragen te stellen of als getuige te horen;
    – inzage in identiteitsdocumenten, werktijdregistraties, loonadministraties en andere documenten;
    – bevoegdheid om gegevens en documenten (waaronder computerbestanden) te kopiëren of mee te nemen;
    – bevoegdheid om voorwerpen en monsters mee te nemen, verpakkingen te openen en foto’s te maken;
    – medewerking eisen van de werkgever, bijvoorbeeld bij het vaststellen van de identiteit van de personen die bij hem aan het werk zijn.

  • Waar kan ik de meest recente corona richtlijnen vinden?

    De meest recente corona richtlijnen (voorheen protocollen) vind je hier

    De meest recente corona richtlijnen

    De meest recente servicedocumenten

    De meest recente protocollen bewegingsonderwijs

  • Waarom is er gekozen voor versoepelingen van de coronamaatregelen?

    Het kabinet vindt onderwijs erg belangrijk voor het cognitieve, emotionele en sociale welzijn van kinderen, adolescenten en jongvolwassenen. Daarom heeft het de hoogste prioriteit om het onderwijs voor alle leerlingen zoveel mogelijk fysiek door te laten gaan, met zo min mogelijk restricties. Vanaf 25 september vervallen vrijwel alle maatregelen die nu nog gelden binnen de onderwijsinstellingen, alleen de basisregels om verspreiding van het coronavirus te voorkomen en de inzet van preventieve zelftesten in het VO en in het PO (voor medewerkers) blijven gelden. Ook de Generieke Kaders (PO/KO en V(S)O)van het RIVM blijven in aangepaste vorm van kracht.

  • Welke coronabasismaatregelen gelden nog (wel)?

    We moeten nog steeds voorzichtig blijven. De basismaatregelen ten aanzien van hygiëne en gezondheid blijven wel van kracht. Dat houdt onder andere in:

    – Regelmatig en goed handen wassen;

    – Niezen en hoesten in de elleboog;

    – Bij klachten passend bij corona thuis blijven en jezelf laten testen bij de GGD;

    NB: deze basisregels gelden ook voor gevaccineerde personen.

    Daarnaast blijven de andere adviezen uit de generieke kaders van het RIVM voor kinderopvang en primair onderwijs en voor voortgezet onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs gelden. Bijvoorbeeld als het gaat om ventilatie en samenwerking met de GGD bij bron- en contactonderzoek.

  • Wat is het beleid voor kinderen met lichte verkoudheidsklachten (de ‘snottebellenrichtlijn’)?

    Per 12 juli 2021 is de handreiking neusverkouden kinderen (de snottebellenrichtlijn) verruimd: bij verkoudheidsklachten zoals keelpijn of niezen mogen kinderen tot en met de basisschoolleeftijd naar school en naar de kinderopvang, en krijgen ze geen testadvies meer.

  • Wat is bron- en contactonderzoek?

    Wanneer iemand positief is getest op het coronavirus, doet de GGD een bron- en contactonderzoek om de verspreiding van het coronavirus te voorkomen. Een besmet persoon wordt gebeld door een GGD-medewerker. Samen gaan zij op zoek naar:

    – door wie de persoon is besmet (de bron);

    – met wie de besmette persoon in contact is geweest (de contacten);

    – welke mensen mogelijk zijn besmet met corona.

    Contacten worden geïnformeerd over hun besmettingsrisico en welke maatregelen zij moeten nemen. BCO is een belangrijk onderdeel van de bestrijding van de pandemie.

  • Hoe zit het met de quarantaine en het bron-en contactonderzoek (BCO) van de GGD?

    Het BCO in het primair onderwijs wordt met ingang van 20 september 2021 versoepeld. In het basisonderwijs en het speciaal onderwijs vervalt het quarantaineadvies voor de hele klas bij een besmette leerling. Het advies om je bij klachten te laten testen bij de GGD blijft gelden. Klasgenoten van het besmette kind kunnen dus in principe allemaal naar school. Eventueel geldt een uitzondering voor kinderen die in nauw contact zijn geweest in de privésfeer. De advisering hierover loopt altijd via de GGD. Bij uitbraken met meerdere besmettingen kan de GGD nog wel aanvullende adviezen geven, waaronder indien nodig een quarantaine- en testadvies voor de hele groep of klas. Het blijft wel van belang om leerlingen en hun ouders te informeren over de besmetting in de groep of klas, zodat in bijzondere omstandigheden, zoals een kwetsbare huisgenoot met een verhoogd risico op ernstig beloop, maatwerk geleverd kan worden in samenspraak met de GGD en eventueel de behandelaar van de huisgenoot.

  • Wat gebeurt er met de quarantaineregels voor leerlingen in het primair onderwijs en het speciaal (basis)onderwijs?

    Per 20 september vervalt het quarantaineadvies voor de hele klas bij een besmette leerling. Bij uitbraken met meerdere besmettingen in een groep kan de GGD nog wel aanvullende adviezen geven, waaronder indien nodig een quarantaineadvies voor de hele groep of klas en individuele nauwe contacten en samenhang met de privé situatie. Het blijft wel van belang om leerlingen en hun ouders te informeren over de besmetting in de groep of klas, zodat in bijzondere omstandigheden, zoals een kwetsbare huisgenoot met een verhoogd risico op ernstig beloop, maatwerk geleverd kan worden in samenspraak met de GGD en eventueel de behandelaar van de huisgenoot.

  • Wat betekenen de versoepelingen voor het besmettingsgevaar in de klassen?

    Het bron- en contactonderzoek (BCO) voor leerlingen is versoepeld. Als een leerling positief getest is, blijft het kind thuis in isolatie. Klasgenoten van de besmette leerling kunnen wel naar school. Ouders ontvangen een brief met het verzoek hun kind nauwlettend in de gaten te houden op het ontstaan van ziekteverschijnselen en te testen bij klachten die passen bij corona. Eventueel kunnen klasgenoten die in nauw contact zijn geweest in de privésfeer (bijvoorbeeld door een speelafspraak bij het besmette kind thuis) wel een quarantaineadvies krijgen. Ook bij een groter aantal besmettingen in de klas kan de GGD er eventueel toe overgaan toch een hele klas een quarantaine- en testadvies te geven. Dit is aan de professionele inschatting van de GGD.

  • Nu de quarantaineregels worden losgelaten zullen kinderen vaker besmet worden. Is de strategie groepsimmuniteit opbouwen?

    Nee. De gevolgen van de maatregel dat een hele klas in quarantaine moet als er één leerling besmet is, weegt in deze fase met een toenemende vaccinatiegraad niet meer op tegen de bescherming die het biedt. Elke dag niet op school, is er één te veel. Jonge kinderen worden niet of minder ernstig ziek: ze hebben een zéér mild ziekteverloop als ze besmet raken. Ook zijn ze minder besmettelijk dan volwassenen. En de meeste volwassenen om hen heen hebben de mogelijkheid gehad zich te laten vaccineren. Bovendien blijft het advies gelden dat kinderen met klachten (verkoudheidsklachten met koorts, benauwdheid en/of veel hoesten) zich laten testen bij de GGD en thuis de uitslag afwachten. Uiteraard blijven kinderen die corona hebben thuis tot ze, na minimaal 7 dagen na de test, 24 uur klachtenvrij zijn.

  • Waarom is het nu wel verantwoord om mogelijk besmette leerlingen naar school te laten gaan?

    Het risico dat een kind zelf ernstig ziek wordt is zeer gering. Jonge kinderen ondervinden over het algemeen nauwelijks ziekteverschijnselen van een besmetting. Daarnaast zijn kinderen minder besmettelijk, is het transmissierisico van kind op volwassene relatief beperkt en is het merendeel van de volwassenen inmiddels gevaccineerd.

  • Als slechts een enkele leerling in quarantaine gaat, blijft dan de verplichting tot het geven van afstandsonderwijs nog in stand?

    Nee. Scholen zijn niet verplicht om afstandsonderwijs te bieden aan een leerling die kortdurend ziek thuis is, dus ook niet aan een individuele leerling die door aan Covid-19 gerelateerde ziekte of quarantaine tijdelijk geen fysiek onderwijs kan volgen. Wel wordt van scholen verwacht dat zij zich inspannen de continuïteit van het onderwijsprogramma te borgen, bijvoorbeeld door huiswerkopdrachten mee te geven. Dit geldt anders voor leerlingen met een kwetsbare gezondheid: daar geldt wel een plicht tot het bieden van een volwaardig programma. Meer informatie hierover staat in het servicedocument voor primair onderwijs.

  • Wanneer wordt iemand als immuun gezien?

    Bij het BCO wordt eenpersoon als immuun voor SARS-CoV-2 beschouwd als deze:

    – 14 dagen of langer geleden een vaccinatieserie heeft afgerond van Comirnaty (Pfizer), Spikevax (Moderna) of Vaxzevria (AstraZeneca); OF

    – 14 dagen of langer geleden 1 dosis van een van deze vaccins heeft gekregen na een doorgemaakte SARS-CoV-2-infectie; OF

    – 28 dagen of langer geleden het Janssen-vaccin heeft gekregen; OF

    – COVID-19 heeft doorgemaakt minder dan 6 maanden geleden.

    Dit geldt in het kader van BCO voorlopig ook voor immuungecompromitteerde personen, totdat er specifiekere adviezen geformuleerd kunnen worden voor patiëntencategorieën waarbij vaccinatie onvoldoende beschermen effect blijkt te hebben.

    Iedereen die niet voldoet aan de criteria van immuun, wordt als niet-immuun beschouwd.

  • Moeten ouders van leerlingen die als ‘nauw contact’ uit BCO komen ook in quarantaine?

    Nee. Contacten van nauwe contacten hoeven niet zelf ook in quarantaine. Let wel op: als een kind dat nauw contact is zelf ook positief test, dan moeten de contacten van deze leerling mogelijk wél in quarantaine. Volg altijd de adviezen van de GGD.

  • Hoe lang duurt de quarantaine?

    Quarantaine duurt 10 dagen. Dat is gerekend vanaf het moment dat zij voor het laatst een tijd dicht in de buurt zijn geweest van degene met corona. In die 10 dagen kan een leerling niet naar school. Op of na dag 5 kunnen leerlingen en leraren zich laten testen bij de GGD. Bij een negatieve testuitslag (en geen klachten) kan de leerling/leraar weer naar school komen. Indien de leerling of leraar niet wordt getest, moeten de volledige 10 dagen thuisquarantaine worden afgemaakt.

  • Hoe lang duurt een isolatie van een besmet persoon?

    Na een besmetting kan een persoon weer naar school wanneer hij/zij 24 uur klachtenvrij is én minimaal 7 dagen zijn verstreken na start van de symptomen.

    Als een besmetting asymptomatisch was (zonder klachten) dan geldt dat niet-immune personen minimaal 5 dagen na de (positieve) testafname in quarantaine blijven; voor immune personen is dit 72 uur.

  • Wat gebeurt er met noodopvang als scholen/klassen in quarantaine gaan?

    Wanneer een leerling in quarantaine zit, kan deze leerling niet naar de noodopvang.

  • Hebben leerlingen in quarantaine recht op onderwijs?

    Als enkele leerlingen tijdelijk in quarantaine zitten, wordt scholen gevraagd om zo mogelijk continuïteit te bieden. Er geldt dan geen ‘recht op onderwijs’. Dit is vergelijkbaar met wanneer kinderen thuisblijven als ze kortdurend ziek zijn. De school is niet verplicht om hybride onderwijs aan te bieden, maar kan leerlingen bijvoorbeeld wel huiswerk meegeven of vragen om op afstand mee te doen, terwijl er op school aan andere leerlingen fysiek onderwijs wordt gegeven.

  • Kan een kind dat vanuit BCO een quarantaineadvies heeft door de school worden geweigerd als de ouders hem of haar alsnog naar school brengen?

    Ja, dit mag de school weigeren met een beroep op de zorgplicht voor een veilig schoolklimaat. Dit is ook het geval als een kind bijvoorbeeld waterpokken heeft. Maak goede afspraken met de medezeggenschap om verrassingen en mogelijke vervelende situaties te voorkomen.

  • Wat wordt er van scholen verwacht qua administratie? Moeten zij bijhouden wie met wie heeft gespeeld en samengewerkt, zodat bepaald kan worden wie in quarantaine moet bij een besmetting?

    De GGD bepaalt wie tot een nauw contact gerekend wordt, en doet dit vooral in samenspraak met de ouders van de besmette leerling. Dat kunnen dan ook klasgenoten zijn, als die bijvoorbeeld bij de besmette leerling thuis zijn geweest. Scholen hoeven hier geen administratie meer voor bij te houden.