Vanaf 1 januari 2019 heeft Paul de functie van adviseur Internationalisering. Hij organiseert en verzorgt de studiereizen samen met Marina Vijlbrief. Paul heeft ruime management ervaring binnen het onderwijs. (PO, MBO, ROC). Binnen het PO heeft hij ervaring met de bouw van nieuwe scholen, opzetten van IKC (Integraal Kind Centrum), ICT in de klas en fusies. Daarnaast heeft hij ruime ervaring met de opvang van Asielzoekers. Als directeur van diverse centra in Nederland. Maar ook met het opzetten van nieuwe centra, contacten met gemeentebesturen, organiseren van voorlichtingsavonden en contacten met de media. Hij vertegenwoordigt de AVS o.a. in de volgende werkgroepen: Ringen Inspectie, Lerarentekort, Arbeidsplatform schoolleiders, brede werkgroep P.O., ESHA, Project 45+, Meer muziek in de klas. Daarnaast voert hij Decentraal Georganiseerd Overleg (DGO) in de provincies Brabant, Limburg en Utrecht.

Berichten

Hoe om te gaan met de pauzetijd voor medewerkers?

In deze bijzondere en snel veranderende tijden komen er bij de AVS Helpdesk praktische vragen binnen over andere schooltijden en andere roosters en pauzes voor de medewerkers. De pauzetijd maakt onderdeel uit van het werkverdelingsplan. In het cao-artikel 2.2 lid 7 staat onder andere dat er tenminste in het werkverdelingsplan moet zijn geregeld:

  • de momenten waarop er op school door werknemers pauze wordt genoten;
  • de momenten waarop het team vindt dat werknemers aanwezig moeten zijn op school.

Voor het vaststellen van het werkverdelingsplan is het nodig om te bepalen wanneer besluiten van het team geldig zijn. Meestal is het besluit geldig als de meerderheid voor is. De PMR heeft instemmingsrecht bij het vaststellen van het werkverdelingsplan. De Arbeidstijdenwet bepaalt dat bij een werkdag van meer dan vijfeneenhalf uur er een pauze van dertig minuten moet worden gehouden. Deze mag met instemming van de PMR verdeeld worden in twee maal vijftien minuten.

In de vorige cao stond dat de pauze moest vallen tussen 10.00 en 14.00 uur. Deze bepaling is komen te vervallen. De pauze(s) hoeven dus niet meer binnen de vijfeneenhalf uur te vallen, maar kan bij een meerderheid op andere tijdstippen worden vastgelegd, met instemming van de PMR. Dat kan dan bijvoorbeeld ook om 14.30 uur zijn. Bij de laatste mogelijkheid om na de vijfeneenhalf uur pauze te nemen (meestal eind van de lesdag), moet er alleen heel duidelijk naar ouders gecommuniceerd worden dat er het eerste half uur na schooltijd geen gelegenheid is om medewerkers te spreken, omdat zij pauze hebben.

Cicero leest Covey

Kijkje in een omdenkend onderwijsbrein

Welke kaders zijn leidend voor werkzaamheden in het licht van het werkverdelingsplan die zijn vastgesteld door het schoolbestuur?

Deze periode zijn schooldirecteuren in het primair onderwijs onder andere druk bezig met het komen tot een werkverdelingsplan. De AVS heeft hiervoor onlangs een handreiking verspreid en de helpdesk krijgt hierover verschillende vragen. Een daarvan is: welke kaders zijn leidend voor werkzaamheden die zijn vastgesteld door het schoolbestuur? (zie artikel 2.2 Werkverdeling op schoolniveau) 
Waar moet je dan aan denken?
 
De kaders voor de werkzaamheden zijn:
1. De jaartaak van 1.659 uur die bestaat uit de componenten: lesgeven (lestijd), (lesgebonden) tijd voor en na het werk (opslagfactor), duurzame inzetbaarheid, professionalisering en overige taken;
2. Waar de werkzaamheden plaatsvinden met daarbij afspraken over niet plaats- en tijdgebondenheid op school;
3. Het jaarlijks vastleggen van de afspraken over de werkzaamheden vanuit het werkverdelingsplan, toegespitst op iedere afzonderlijke collega, rekening houdend met privé- en organisatiebelang;
4. De werkzaamheden moeten binnen de gestelde werktijd mogelijk zijn en de verdeling van taken gebeurt jaarlijks als onderdeel van het werkverdelingsplan.

Onderwerp Artikel (nieuw)   Artikel (oud)
Meerjarenformatieplan  2.1.1/2.1 lid 2    2.15
Bestuursformatieplan  2.1.1/2.1 lid3  2.15
Begeleiding startende medewerkers  2.1 lid 4 2.7 lid 2
In kaart brengen 2.2 lid 1 2.7 meerdere leden
Tijdig op de hoogte stellen 2.2 lid 2  2.9 lid 2/2.14 lid 2
Draagvlak 2.2 lid 4  –
Voor zomervakantie team in gesprek 2.2 lid 5
Werkverdeling 2.2 lid 7 2.9/2.14
Conceptverdelingsplan maken  2.2 lid 8
Voorleggen aan team/PMR 2.2 lid 9
Inzet werknemer  2.3 leden 1 t/m 5 2.9/2.14

Overzicht verschillen Hoofdstuk 2 per 1 augustus 2018 en 
Hoofdstuk 2 per 1 augustus 2019 (CAO PO)
 
Meer weten?
Handreiking Werkverdelingsplan: www.avs.nl/artikelen/handreiking-werkverdelingsplan

Een luizenbaan

Zijn er nieuwe bekwaamheidseisen voor leraren?

Per 1 augustus 2017 zijn de nieuwe bekwaamheidseisen voor leraren in werking getreden. De voorgaande bekwaamheidseisen waren ondergebracht in zeven competenties, de nieuwe bekwaamheidseisen zijn daaruit gelicht. Dit omdat er veel spraakverwarring was tussen competenties en competentiebenaderingen van bekwaamheid. De SBL-competenties (Stichting Beroepskwaliteit Leraren) vormen niet een concreet en eenduidig kader voor de interpretatie van de bekwaamheidseisen.

vgv-kp3-2017_0.png

De nieuwe eisen aan de bekwaamheid van leraren staat in het besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel. In artikel 2.2 staan de volgende drie bekwaamheidseisen:
a) Vakinhoudelijke bekwaamheid
b) Vakdidactische bekwaamheid
c) Pedagogische bekwaamheid

In de daarop volgende artikelen staan de eisen en aanvullende eisen. Zij gelden voor:
• basisonderwijs, special basisonderwijs en speciaal onderwijs
• voorgezet onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs
• beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Leraren moeten voldoen aan de bekwaamheidseisen. Zij die niet voldoen moeten de gelegenheid krijgen om de bekwaamheidseisen aan te leren. Scholen moeten voldoen aan de wettelijke eisen voor de bekwaamheid van leraren en zijn verplicht om van iedere leraar een bekwaamheidsdossier bij te houden. Hierin staan de afspraken tussen werkgever (directeur) en leraar. Bij de werving van nieuw personeel mogen scholen alleen leraren benoemen/aanstellen die aan de bekwaamheidseisen voldoen. De school mag zelf aanvullende normen opstellen.

De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de kwaliteit van het onderwijs van de school. Zij houdt zich niet bezig met de kwaliteit van de individuele leraar. Maar als de school niet voldoet aan de eisen voor de onderwijskwaliteit, kijkt de inspectie wel naar de bekwaamheidsdossiers op de school.
Meer informatie: http://wetten.overheid.nl/ BWBR0018692/2017-08-01

Geluk werkt door

Wat zijn de verschillen tussen de bedrijfsarts en de arbodienst?

Werkgevers zijn verantwoordelijk voor een gezond arbeidsbeleid. Denk aan het beleid rond ziekteverzuim en arbeidsomstandigheden. Ondersteuning door een deskundige is hierbij verplicht. Dat kan een bedrijfsarts of een arbodienst zijn. Voor sommige taken is een bedrijfsarts verplicht. Aansluiten bij een arbodienst is niet verplicht. Maar verzekeraars eisen soms wel van werkgevers dat zij zich aansluiten bij een arbodienst.

Verschillen arbo-arts en bedrijfsarts
Een arbo-arts:
• is in dienst bij een arbodienst
• is een basisarts
• is geen arbeidskundig specialist
• mag alleen doorverwijzen na goedkeuring door een bedrijfsarts
• mag niet oordelen over de arbeidsgeschiktheid of -ongeschiktheid van de werknemer
• moet zijn ingeschreven in het BIG-register
 
Een bedrijfsarts:
• huurt de werkgever zelf in
• is een arbeidskundig specialist
• mag een werknemer doorverwijzen naar een specialist
• mag medicijnen voorschrijven
• mag medische gegevens opvragen over de werknemer (na toestemming van werknemer)
• moet zich iedere vijf jaar herregistreren en daarvoor aan verschillende eisen voldoen
• is (daarom) verplicht zich continu bij te scholen en wordt regelmatig gecontroleerd
• moet oordelen over de arbeidsgeschiktheid of -ongeschiktheid van de werknemer
• moet zijn ingeschreven in het BIG-register en in een specialistenregister
 
Wat mogen arbodienst en bedrijfsarts allebei?
• advies geven over arbeidsomstandigheden, arbobeleid, preventie en verzuimbeleid
• begeleiden van re-integratie van de zieke werknemer
• een RI&E toetsen (Risico Inventarisatie en -Evaluatie)
• werknemers periodiek onderzoeken (PAGO)
• een arbeidsomstandighedenspreekuur houden
• de aanstellingskeuring doen van een werknemer
• beroepsziektes melden bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten
 
Wat mag alleen de bedrijfsarts?
• vaststellen of de werknemer door ziekte echt niet meer kan werken
• beoordelen wat de werknemer nog wel kan doen
• de ziekte binnen zes weken bespreken met de werknemer, een probleemanalyse opstellen en de werkgever adviseren over re-integratie en werkhervatting
 
UWV
Voor het UWV telt alleen het oordeel van arbeidsongeschiktheid door de bedrijfsarts. De bedrijfsarts moet een goed dossier aanleggen. Daarbij hoort onder andere het opvragen van medische gegevens van een werknemer. Goede dossiervorming is ook belangrijk voor een deskundigenoordeel door het UWV.

De klassiek-moderne school; onderwijzen en leren in de 21e eeuw

De duidelijke directeur

Survivalkit voor schoolleiders

Wat moet/mag nu wel en wat niet als het gaat om informatie verstrekken aan gescheiden ouders?

Uit wetsartikelen blijkt dat het in eerste instantie aan de (gescheiden) ouders is om elkaar te informeren over de vorderingen en ontwikkelingen van hun kind. In sommige gevallen is de relatie tussen de ouders echter zo vertroebeld, dat goede onderlinge communicatie niet meer aan de orde is. Dan komt de school in beeld. De AVS Helpdesk raadt scholen aan om beleid te formuleren over informatieverstrekking aan gescheiden ouders. Dit kan door de school worden opgenomen in de schoolgids. Ook bij aanmelding van nieuwe leerlingen is het raadzaam om de juridische status met betrekking tot gezag, omgang en informatievoorziening van ouders in kaart te brengen. Verder kan er op het aanmeldingsformulier standaard worden gevraagd naar namen en adressen van de beide ouders.

Hieronder een overzicht van de wetteksten waaraan de school zich dient te houden:

Burgerlijk Wetboek
Artikel 1:377b BW bepaalt dat de met het gezag belaste ouder verplicht is de andere, niet met gezag belaste ouder op de hoogte te houden van belangrijke zaken die het kind aangaan (zoals schoolrapporten en  informatie over extra begeleiding).
 
Artikel 1:377c BW bepaalt dat de school verplicht is een ouder die niet het ouderlijk gezag heeft, als hij of zij daarom vraagt, van beroepshalve beschikbare informatie te voorzien over belangrijke feiten en omstandigheden die het kind of de verzorging en opvoeding van het kind betreffen. Er zijn op deze regel twee uitzonderingen:
• de informatie wordt niet verstrekt als de school de informatie niet op dezelfde manier aan de ouder met het ouderlijk gezag zou verstrekken;
• de informatie wordt niet verstrekt als het belang van het kind zich tegen
het verschaffen van de informatie verzet.
 
WPO en WVO
Artikel 11 van de Wet op het Primair Onderwijs (WPO) en artikel 23b van de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO) bepalen dat de school over de vorderingen van de leerlingen rapporteert aan hun ouders. De school moet altijd neutraal zijn.
• Een school moet voorkomen partij te worden in een echtscheidingsconflict en moet alle schijn van partijdigheid vermijden.
• De school hoeft soms geen informatie te verstrekken als zij daardoor haar neutraliteit verliest. Bijvoorbeeld wanneer een ouder vraagt of er een verschil is in de leerprestaties van de kinderen in de weken dat ze bij de vader en de weken dat ze bij de moeder zijn.

Adviezen LKC

Veel scholen zijn aangesloten bij de Landelijke Klachtencommissie Onderwijs (LKC) van Onderwijsgeschillen. Deze heeft veel klachten behandeld over informatieverstrekking aan gescheiden ouders. Enkele belangrijke punten uit de adviezen van de LKC:
• De school heeft een actieve informatieplicht. Zij moet ouders dezelfde mondelinge en schriftelijke informatie geven. De school heeft hierin een eigen verantwoordelijkheid.
• Als de school weet dat er geen omgang is tussen een ouder en het kind, mag de school geen genoegen nemen met de mededeling van de ouder dat die de andere ouder wel zal informeren. De school moet dit controleren.
• Wanneer in een echtscheidingsconvenant is vastgelegd dat de ene ouder de andere ouder moet informeren en dit vervolgens niet gebeurt, moet de school de betreffende informatie aan de andere ouder verschaffen.
• Als de school informatie in tweevoud aan het kind meegeeft, voldoet de school in principe aan haar informatieplicht. Wanneer vervolgens blijkt dat de informatie een van de ouders niet bereikt, moet de school een andere manier zoeken om de informatie te verstrekken.
• Als een van de ouders geen gezamenlijk oudergesprek wil, moet de school de mogelijkheid bieden voor afzonderlijke gesprekken met beide ouders.
• De school moet de ouder zonder gezag informatie geven over belangrijke zaken over het kind of diens verzorging of opvoeding. De ouder moet daar wel zelf om vragen, de school hoeft dit dus niet uit eigen beweging te doen. De informatie kan gaan over de cognitieve en/of sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind zoals leerprestaties of medische kwesties. Hieronder valt bijvoorbeeld een schoolrapport, maar niet een uitnodiging voor een algemene ouderavond of een schoolfoto.
• Op de informatieplicht kan een uitzondering worden gemaakt als het belang van het kind zich verzet tegen het verstrekken van de informatie. De school moet een eigen afweging over dat belang maken. De school moet de gezaghebbende ouder over een verzoek tot informatieverstrekking op de hoogte brengen. Als de ouder met gezag zich verzet tegen het verstrekken van informatie aan de andere ouder of dit niet in het belang van het kind acht, is dit onvoldoende. Deze ouder zal dit moeten onderbouwen, bij voorkeur met een gerechtelijke uitspraak waarin een beperking van de informatieplicht is opgenomen. De veiligheid
van het kind speelt een rol bij de afweging of de school informatie verstrekt .
 
Meer informatie: https://onderwijsgeschillen.nl/thema/informatieverstrekking-aan-gescheiden-ouders