Artikel 7.5 CAO PO schrijft voor dat je als werkgever je werknemers in de gelegenheid stelt om deel te nemen aan een fiscale fietsprivéregeling. Je kunt je werknemer op vrijwillige basis ook een leasefietsregeling aanbieden.
Meer informatie vind je:
– op de website van de Rijksoverheid
– op de website van de Belastingdienst (handige informatie voor je werknemer)
– op de website van het Ondernemersplein van de Overheid
Het antwoord op deze vraag is geactualiseerd op 20 oktober 2025
Nee, niet meer.
Sinds 2019 ben je niet meer verplicht om een EHBO-toelage te verstrekken. Echter, EHBO’ers die een toelage ontvangen, behouden die. De toelage hoeft niet geïndexeerd te worden en werkt door in alle grondslagen (uitgezonderd de structurele eindejaarsuitkering – zie tabel op pagina 203 van de CAO PO pdf). De toelichting op artikel 11.5 lid 3b aan geeft aan dat er voor nieuwe EHBO’ers en/ of bedrijfshulpverleners (bhv’ers), via de P(G)MR, voor je werknemers afspraken moet maken over de facilitering (een toelage kán daarbij van toepassing zijn).
Kijk voor meer informatie bij artikel 11.5 van de CAO PO (Veiligheid en het voorkomen van seksuele intimidatie, racisme, agressie en geweld). Of bel de AVS Helpdesk (gratis, alleen voor leden).
Het antwoord op deze vraag is geactualiseerd op 20 oktober 2025
Ja, dat kan, en het wordt geregeld in artikel 5.2 lid 2 van de CAO PO. Lid 3 tot en met 6 gaan in op bijzondere situaties.
Het antwoord op deze vraag is geactualiseerd op 20 oktober 2025
Als je de ambitie hebt om als zelfstandig interim-schoolleider of als zelfstandig onderwijsadviseur aan de slag te gaan, dan ben je een ondernemer en heb je daarmee een bedrijf. We leggen hieronder uit waar je op moet letten.
Een eerste vereiste is dat je je inschrijft bij de Kamer van Koophandel. Heb je een klus gevonden? Voordat je aan je opdracht begint, check je bij de Belastingdienst of zij de voorgenomen arbeidsrelatie niet beoordelen als schijnzelfstandigheid.
Formeel is op 1 mei 2016 de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA) in werking getreden, maar er is de voorbije jaren amper gehandhaafd. Vanaf 2025 verandert dat en kijkt de Belastingdienst of er geen sprake is van schijnzelfstandigheid. Vindt de Belastingdienst dat je als schijnzelfstandige werkt en eigenlijk in loondienst hoort te zijn? Dan kan de Belastingdienst vanaf 2025 een naheffing opleggen. Je opdrachtgever kan eveneens met naheffingen geconfronteerd worden, en vanaf 2026 worden er ook boetes uitgedeeld als blijkt dat de wet is overtreden.
Ga je dus als zelfstandig ondernemend interim-schoolleider een contract aan met een opdrachtgever, kijk dan samen naar jullie arbeidsverhouding. Aan het werken als zelfstandige is een aantal voorwaarden verbonden. Als je daar niet aan voldoet, bestaat de kans dat de belastingdienst concludeert dat er sprake is van schijnzelfstandigheid!
Op de website van de Raad voor Interim Management vind je actuele informatie over de Wet DBA (en andere onderwerpen met betrekking tot interim management).
De regels over inhuur van zzp’ers zijn voor veel opdrachtgevers onduidelijk. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft daarom een webmodule laten maken die kan helpen het karakter van de arbeidsrelatie te bepalen. De webmodule beoordeling arbeidsrelatie is een online vragenlijst die een indicatie geeft of een opdracht buiten dienstbetrekking kan worden uitgevoerd, of niet.
Ook op de website van de Belastingdienst vind je meer informatie.
De Belastingdienst publiceert op zijn website modelovereenkomsten die je kunt gebruiken om buiten de loonbelasting te blijven. Het is niet verplicht om een modelovereenkomst te gebruiken. Een zelf opgestelde overeenkomst kun je eventueel eerst aan de Belastingdienst voorleggen.
AVS gunt in de eerste plaats ieder schoolteam een eigen schoolleider, maar in sommige gevallen (zeker nu er sprake is van een ernstig schoolleiderstekort) kan een interim-schoolleider een noodzakelijke, tijdelijke oplossing zijn. Als interim-schoolleider kun je op verschillende manieren aan opdrachten komen. AVS kan jou en je mogelijke opdrachtgever daarbij helpen. AVS heeft namelijk voor dit doel een platform ingericht en via deze link kun je (contact)informatie vinden en jezelf aanmelden. Via de ‘interim-vindplaats’ brengt AVS vraag en aanbod van interimmers bij elkaar!
Het antwoord op deze vraag is geactualiseerd op 3 oktober 2025
Op scholen hangen steeds vaker camera’s, bijvoorbeeld om vernielingen of diefstal tegen te gaan. Maar de inbreuk op de privacy van leerlingen, leerkrachten en bezoekers is groot. Daarom mag je alleen camera’s ophangen als je aan een aantal voorwaarden voldoen. Je moet er onder andere voor zorgen dat de inbreuk op de privacy zo klein mogelijk is. Zo gaat het ophangen van een camera in bijvoorbeeld een toilet of kleedhokje veel te ver, ook al worden daar wel eens vernielingen of diefstallen gepleegd!
De school moet een gerechtvaardigd belang hebben voor het cameratoezicht. Het cameratoezicht moet noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld om diefstal tegen te gaan of leerlingen, leerkrachten en bezoekers te beschermen. Cameratoezicht is een uiterste middel, je moet allereerst nagaan of je je doel niet op een andere, minder ingrijpende manier bereiken. Ook mag het cameratoezicht niet op zichzelf staan. Het is altijd een onderdeel van een totaalpakket aan maatregelen.
Je moet eerst een privacytoets uitvoeren. Dit betekent dat je de belangen van de leerlingen, leerkrachten en bezoekers afweegt tegen het belang van de school. Ook moet je de plannen vooraf met de medezeggenschapsraad bespreken.
Scholen moeten volgens de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) privacyrisico’s in kaart brengen bij het gebruik van persoonsgegevens. Bij nieuwe software, grote updates of nieuwe samenwerkingen is een risicobeoordeling, een zogeheten DPIA verplicht. Met een pre-DPIA kun je als school vooraf vaststellen of er sprake is van een hoog privacyrisico. Als dat het geval is, dan moet je een volledige DPIA uitvoeren.
Zet je systematisch cameratoezicht in om diefstal tegen te gaan of leerlingen, leerkrachten en bezoekers te beschermen? Dan moet je sowieso een DPIA uitvoeren.
Een verborgen camera mag normaal gesproken niet. Maar is er bijvoorbeeld vaak sprake van diefstal of fraude op het werk? Dan mag je als werkgever onder strenge voorwaarden een verborgen camera gebruiken. Een DPIA is dan altijd verplicht. Ook als het heimelijk cameratoezicht incidenteel is.
De school moet ervoor zorgen dat de leerlingen, leerkrachten en bezoekers weten dat er een camera hangt en voor welk doel deze er hangt, bijvoorbeeld door bordjes op te hangen. De AVG kent de volgende privacyrechten toe aan betrokkenen:
– het recht om gegevens (camerabeelden) in te zien;
– het recht om vergeten te worden;
– het recht op beperking van de verwerking;
– het recht om bezwaar te maken tegen het gebruik van persoonsgegevens.
Je mag de camerabeelden niet langer bewaren dan nodig. De richtlijn hiervoor is maximaal vier weken. Maar is er een incident vastgelegd, bijvoorbeeld een diefstal? Dan mag je de betreffende beelden bewaren tot dit incident is afgehandeld.
Wil je meer informatie? De website van de Autoriteit Persoonsgegevens heeft een aparte themapagina over cameratoezicht. Heb je een (zeer) specifieke vraag? Neem dan contact op met de AVS Helpdesk (alleen voor leden).
Het antwoord op deze vraag is geactualiseerd op 3 september 2025
Personeelsleden in openbare onderwijsinstellingen hebben op dit moment een ambtelijke aanstelling en vallen onder het ambtenarenrecht. Dat gaat bij het aannemen van de wetswijziging veranderen met de invoering van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra). De aanstelling wordt dan vervangen door een privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst. Het private arbeidsrecht uit het Burgerlijk Wetboek gaat gelden. Dit is al zo voor de bijzondere onderwijsinstellingen en voor werknemers in het bedrijfsleven. De streefdatum van invoering is 1 januari 2020.
Om de Wnra te kunnen invoeren, moeten de onderwijswetten, zoals de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs, gewijzigd worden. Deze wijzigingen zijn opgenomen in het wetsvoorstel Wet tot wijzigingen van enige wetten in verband met de normalisering van de rechtspositie van ambtenaren in het onderwijs.
Dit wetsvoorstel zorgt er ook voor dat personeel in het openbaar onderwijs niet gaat vallen onder de Ambtenarenwet 2017. Dit betekent dat voor personeel in openbare en bijzondere scholen dezelfde regels gaan gelden.
De ministerraad is op 29 juni 2018 akkoord gegaan met het wetsvoorstel.
De volgende stap is dat het wetsvoorstel voor advies gezonden wordt aan de Raad van State. Daarna wordt het wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer.
Meer informatie over de normalisering van de rechtspositie van ambtenaren in het onderwijs kunt u vinden op https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/werken-in-het-onderwijs/verandering-rechtspositie-medewerkers-in-het-openbaar-onderwijs en www.werkeninhetonderwijs.nl.
Op weg naar één arbeidsrecht voor de gehele onderwijssector(pdf)
Deze veelgestelde vraag is geactualiseerd op: 19 augustus 2025
In de CAO PO staat over dit onderwerp niets opgenomen. Het is de Arbeidstijdenwet die dit regelt en die is ook in het onderwijs van kracht.
De tekst van artikel 4.8 van de Arbeidstijdenwet luidt als volgt:
In de praktijk is het zo dat je samen in redelijkheid de wederzijdse belangen afweegt, zodat je voorkomt dat er onbillijke situaties ontstaan. Maak dus samen goede afspraken over
Voorbeeld. Een vrouwelijke medewerker heeft een aanstelling van 0,800. Elke dag moet ze tweemaal kolven en daar is ze ongeveer een uur per keer mee bezig: twee uur per werkdag dus. Dat mag, want lid 3 van artikel 4.8 geeft aan dat (maximaal) een vierde van de werktijd per dienst mag gekolfd worden. Gevolg: deze medewerker is dus elke dag zes in plaats van acht uur beschikbaar. Is deze medewerker leerkracht, dan zal je wellicht dagelijks iemand beschikbaar moeten hebben om een uur haar groep over te nemen, maar ook voor het werk na schooltijd zal je met elkaar afspraken moeten maken in de vorm van extra ondersteuning.
Het antwoord op deze vraag is geactualiseerd op 15 augustus 2025
Werknemers mogen niet eindeloos doorwerken: de Arbeidstijdenwet (ATW) steekt daar een stokje voor. Als werknemers te vaak en te lang blijven werken, kan dit uiteindelijk een negatieve impact hebben op hun gezondheid. De Arbeidstijdenwet maakt de grenzen van de arbeidstijden voor zowel werkgevers als werknemers duidelijk. Daarnaast bevat de Arbeidstijdenwet allerlei regels op het gebied van werk- en rusttijden, nachtdiensten en ploegendiensten en voor kwetsbare groepen werknemers, zoals zwangere vrouwen en jongeren.
Artikel 4.3 van de Arbeidstijdenwet bepaalt dat een werkgever een deugdelijke registratie moet voeren voor de arbeids- en rusttijden van zijn werknemers “welke het toezicht op de naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen mogelijk maakt”. Voor alle duidelijkehid: deze verplichting berust dus bij de werkgever!
Over de manier waarop je de registratie vormgeeft, schrijft de ATW niets voor. Je bestuur kan evenwel voorschriften opstellen met betrekking tot de manier waarop de registratie plaatsvindt. In het primair onderwijs geeft de CAO PO enkele aanwijzingen en is het gebruikelijk om een en ander vast te leggen in een jaartaakoverzicht (vaak gegenereerd door een digitale tool bijvoorbeeld de Solvidi Jaartaakplanner, die je als AVS-lid met korting kunt gebruiken).
In artikel 2.2 lid 7 van de CAO PO staat dat je in het werkverdelingsplan een item opneemt over
– de arbeids- en rusttijden (“De momenten waarop er op school door werknemers pauze wordt genoten”);
– afspraken over begin- en eindtijd van de werkdag, en over niet plaats- en/of tijdgebonden taken (“De momenten waarop het team vindt dat werknemers aanwezig moeten zijn op school”).
In het individuele jaartaakoverzicht van elke medewerker worden de werkdagen vastgelegd (regulier = lesdagen, niet-regulier = bijvoorbeeld een studiedag). Ook blijkt uit het jaartaakoverzicht wanneer de medewerker vakantie heeft.
De P(G)MR heeft instemmingsbevoegdheid op basis van de Wet medezeggenschap op scholen (WMS) op onderdelen die raken aan de Arbeidstijdenwet.
1. Het bevoegd gezag behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel is gekozen, voor elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot de volgende aangelegenheden:
d. vaststelling of wijziging van een mogelijk werkreglement voor het personeel en van de opzet en de inrichting van het werkoverleg, voor zover het besluit van algemene gelding is voor alle of een gehele categorie van personeelsleden;
e. vaststelling of wijziging van de verlofregeling van het personeel;
f. vaststelling of wijziging van een arbeids- en rusttijdenregeling van het personeel;
Controle van de arbeidstijdenregistratie kan plaatsvinden door de Inspectie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). De Arbeidsinspectie moet kunnen controleren of werkgevers en werknemers de Arbeidstijdenwet op de juiste manier naleven. Voor een correcte registratie moet Arbeidsinspectie de arbeids- en rusttijden van individuele werknemers kunnen achterhalen. In de registratie zijn de feitelijke begin- en eindtijden van het werk en het totaal aan pauze te zien. Ontbreekt de registratie of is de registratie niet deugdelijk, dan heeft de Arbeidsinspectie de mogelijkheid om een boete op te leggen.
De gegevens met betrekking tot de arbeidstijdenregistratie dien je 52 weken te bewaren.
Voor het onderwijs is in 2001 een afspraak gemaakt tussen de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Onderwijs. Afgesproken werd dat voldaan wordt aan het vereiste van het hebben van een deugdelijke registratie wanneer de instelling het lesrooster weergeeft met daarop de gerealiseerde mutaties. Voor de buiten de instelling gewerkte uren is een registratie van het aantal gewerkte uren voldoende.
Zo gedetailleerd zullen op de meeste scholen voor primair onderwijs de arbeidstijden niet worden geregistreerd. Het is bij AVS niet bekend of er basisscholen zijn die door de Arbeidsinspectie zijn aangesproken op hun urenregistratie. De AVS Helpdesk komt graag in contact met scholen waar wél gedoe is geweest rondom dit onderwerp.
Deze veelgestelde vraag is geactualiseerd op: 4 augustus 2025
De AVS heeft geen eigen rekenprogramma Jaartaak meer.
Vele jaren heeft de AVS een Excel-rekenprogramma uitgebracht voor de formatieberekening op basis van de cao-afspraken; eerst onder de benaming Rekenprogramma normjaartaak en sinds de invoering van de CAO PO 2014 – 2015 Rekenprogramma Jaartaak.
Door voortvarende ontwikkelingen op ICT-gebied was het niet meer mogelijk dit programma op diverse divices te laten werken. Dat heeft er toe geleid dat onze voordeelpartner Axilium, nu Solvidi, bereid werd gevonden om een webbased-versie van de bestaande jaartaak te maken en vervolgens verder te ontwikkelen.
Axilium/Solvidi is bekend binnen het basisonderwijs als leverancier van het softwareprogramma InvalPool, het softwarepakket dat vele scholen en besturen ondersteunt in het optimaal uitvoeren van het vervangingsbeleid.
Wil je gebruikmaken van het webbased softwareprogramma JaartaakPlanner? Kijk dan op www.solvidi.nl.
Er vindt geen ondersteuning vanuit de AVS-helpdesk plaats. Dat gebeurt rechtstreeks door de medewerkers van Solvidi. Er zijn kosten verbonden aan het programma. AVS-leden krijgen korting.
Deze veelgestelde vraag is geactualiseerd op: 4 augustus 2025
Het overzicht van de AOW-gerechtigde leeftijd ziet er als volgt uit:
| U bent geboren: | U krijgt AOW in: | Uw AOW-leeftijd AOW: |
| na 31 augustus 1953 en voor 1 september 1954 | 2020 | 66 + 4 maanden |
| Na 31 augustus 1954 en voor 1 september 1955 | 2021 | 66 + 4 maanden |
| Na 31 augustus 1955 en voor 1 juni 1956 | 2022 | 66 + 7 maanden |
| Na 31 mei 1956 en voor 1 maart 1957 | 2023 | 66 + 10 maanden |
| Na 28 februari 1957 en voor 1 januari 1958 | 2024 | 67 |
| Na 31 december 1957 en voor 1 januari 1958 | 2025 | 67 |
| Na 31 december 1958 en voor 1 januari 1960 | 2026 | 67 |
5 jaar van te voren wordt aangegeven wanneer u AOW krijgt.
Het in 2019 verlopen sponsorconvenant is na een uitgebreide evaluatie in september 2020 vernieuwd. De geüpdatete afspraken zijn een handreiking om scholen te helpen bij het nemen van zorgvuldige en transparante beslissingen over het aangaan van sponsorovereenkomsten. In het Sponsorconvenant 2020 – 2022 zijn enkele spelregels geformuleerd die scholen helpen om sponsorovereenkomsten op een zo positief mogelijke manier in te zetten.
Belangrijke uitgangspunten bij sponsoring in het onderwijs:
– de samenwerking mag de ontwikkeling van kinderen niet schaden;
– de onderwijsinhoud mag niet worden beïnvloed;
– het uitvoeren van de kernactiviteiten van de school mag niet afhankelijk van sponsoring worden;
– de medezeggenschapraad moet ingestemd hebben met de sponsorovereenkomst. Dit is ook geregeld bij wet.
Voor het Sponsorconvenant is ook een handige factsheet gemaakt (zie downloads).
Per 1 augustus 2019 is het verboden gezichtsbedekkende kleding te dragen in onderwijsinstellingen, het openbaar vervoer, overheidsinstellingen en zorginstellingen.
De Wet Gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding bepaalt dat het dragen van kleding die het gezicht geheel bedekt of zodanig bedekt dat alleen de ogen onbedekt zijn, of onherkenbaar maakt, verboden is. Het verbod geldt voor alle vormen van gezichtsbedekking zoals bivakmutsen, boerka’s, niqabs en integraalhelmen. Een hoofddoek, een geschminkt gezicht, een sluier die het gezicht niet bedekt of een hoofddeksel vallen niet onder het verbod. Ook gezichtsbedekkende kleding die nodig is voor de veiligheid of de gezondheid, is toegestaan.
Downloads en links
Het wetsvoorstel Gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding
Meer informatie over hoe om te gaan met het verbod, Stichting School & Veiligheid
Per 1 augustus verbod gezichtsbedekkende kleding
Meer informatie van Rijksoverheid over het verbod op gezichtsbedekkende kleding
Gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding (nieuwsbericht)(pdf)
Wetsvoorstel verbod gezichtsbedekkende kleding(pdf)