Werkloosheid

Nieuws

Al het nieuws over werkloosheid

Veelgestelde vragen

  • Wat is de stand van zaken met betrekking tot de bovenwettelijke uitkeringen?

    De afgelopen weken is er bij de AVS Helpdesk veel navraag gedaan over de stand van zaken met betrekking tot de bovenwettelijke uitkeringen. AVS-leden worden door hun besturen en/of juristen tot haast gemaand met betrekking tot besluitvorming over het beëindigen van hun betrekking via het afsluiten van een vaststellings- of beëindigingsovereenkomst. Nemen de schoolleiders dit besluit niet, dan kan dat nadelige gevolgen hebben voor hun uitkering, beweren sommige schoolbesturen en/of juristen.

    De Werkloosheidsregeling Onderwijspersoneel Primair Onderwijs (WOPO, bijlage XVI van de CAO PO 2016-2017) geeft aan dat als er aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, er recht kan bestaan op een bovenwettelijke uitkering. Deze uitkering komt bovenop een werkloosheidsuitkering. De gelden die hiermede gemoeid zijn, behoren tot de zogenoemde arbeidsvoorwaardengelden en daarmee officieel tot de besprekingen aan de cao-tafel.

    In het regeerakkoord is een bepaling opgenomen dat er naast de verbetering van de onderwijssalarissen ook gekeken moet worden naar de normalisering van de bovenwettelijke uitkeringen. Het is aan de sociale partners (PO-Raad en de vakbonden) om daar een besluit over te nemen. Op dit moment wordt het gesprek over de bovenwettelijke uitkeringen aan de cao-tafel gevoerd. Dat betekent in de praktijk dat er op korte termijn geen wijzigingen zijn te verwachten.

  • Hoe kan ik mijn voorwaardelijk pensioen veilig stellen als ik in de WW kom?

    Ouderen die vlak voor hun pensioen de WW in moeten, dreigen een deel van hun pensioen – het zogenaamde voorwaardelijk pensioen – te verspelen. Het voorwaardelijke pensioen is het deel van uw pensioen dat u extra heeft gekregen in verband met de afschaffing van de FPU, zeg maar de VUT voor het onderwijs.

    Bent u geboren op of na 1 januari 1950 en bent u (binnenkort) ouder dan 60 jaar, dan is er een simpele manier om uw voorwaardelijke pensioen veilig te stellen. U kunt op uw pensioenoverzicht van het ABP zien hoe hoog uw voorwaardelijk pensioen is. Is dat een bedrag dat de moeite waard is, dan kunt u dat veiligstellen door één maand voor de ingangsdatum van uw werkloosheid 10 procent keuzepensioen op te nemen. Als u dan ook één maand voor de ingangsdatum van uw werkloosheid al voor 10 procent deeltijdontslag neemt, wordt het bedrag dat u maandelijks aan keuzepensioen van het ABP zult ontvangen niet gekort op uw WW-uitkering. Het laatste volgt uit een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 22 maart 2017*.

    Pensioen is geen ‘inkomen in verband met arbeid’ in de zin van artikel 47 van de Werkloosheidswet als:

    • die pensioenuitkering door de uitkeringsgerechtigde vóór het intreden van de werkloosheid werd ontvangen, en
    • als die pensioenuitkering samenhangt met een eerder verlies van arbeidsuren (uit datzelfde dienstverband).

    Verliest u bijvoorbeeld per 1 januari 2018 uw baan en bent u ouder dan 60 jaar, dan ziet het er als volgt uit:

    • Beëindiging dienstverband voor 0,1 fte en opname keuzepensioen voor 10 procent per 1 december 2017
    • Beëindiging dienstverband voor 0,9 fte per 1 januari 2018
    • Dagloonberekening over referteperiode 1 december 2016 tot en met 30 november 2017

    * De letterlijke uitspraak is te vinden op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:RBNHO:2017:2519.

  • Eindigt de sollicitatieplicht als ik vlak voor de AOW-gerechtigde leeftijd zit?

    Dat hangt af van de datum dat de werkloosheid intreedt. De sollicitatieplicht is vermeld in artikel 24 WW. Uit artikel 7 van de ‘Regeling vrijstelling verplichtingen sociale zekerheidswetten’ is af te leiden dat de datum van het intreden van de werkloosheid van belang is. Ligt die datum binnen één jaar voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, dan is er geen sollicitatieplicht. Ligt die datum langer dan een jaar voor het bereiken van de AOW-leeftijd, dan is er wel een sollicitatieplicht. Die loopt door tot de AOWgerechtigde leeftijd.

    Twee voorbeelden
    • Stel, u wordt werkloos op 1 augustus 2017 en uw AOWgerechtigde leeftijd bereikt u op 29 juli 2018. Dan heeft u geen sollicitatieplicht.
    • Stel, u wordt werkloos op 1 augustus 2017 en uw AOWgerechtigde leeftijd bereikt u op 2 augustus 2018. Dan heeft u een sollicitatieplicht tot 2 augustus 2018.

    Het zou veel logischer zijn geweest om in de regeling op te nemen dat de sollicitatieplicht één jaar voor het bereiken van de AOWgerechtigde leeftijd eindigt, maar zo is het helaas wettelijk niet geregeld.

  • Wat is er veranderd in de werkloosheidsregeling onderwijspersoneel primair onderwijs (WOPO)?

    In de CAO PO 2016-2017 is een wijziging opgenomen ten aanzien van de werkloosheidsregeling. Er is nu een WOPO-regeling voor het bijzonder onderwijs en het openbaar onderwijs.
    In het bijzonder primair onderwijs kan een recht op een extra aansluitende uitkering ontstaan, als men tien jaar of minder verwijderd is van de AOW-leeftijd. In de CAO PO 2016-2017 wordt in dit kader nog de leeftijd van 67 jaar genoemd, maar deze is inmiddels verhoogd naar 67 jaar en 3 maanden (artikel 7a lid 2, recht op een aansluitende uitkering). De hoogte van die extra aansluitende uitkering is 65 procent.
    In het openbaar onderwijs is voor een werknemer die 55 jaar of ouder is en ten minste een diensttijd heeft van twaalf jaar de aansluitende uitkering tot de AOW-gerechtigde leeftijd de hoogte van de aansluitende uitkering, die 70 procent bedraagt tot het 65e jaar en daarna 65 procent (artikel 8, duur en hoogte van de aansluitende uiterking, lid 6).

    Voor meer informatie over de WOPO-regeling kunnen AVS-leden contact opnemen met de helpdesk.

  • Per 1 augustus word ik ontslagen. Wat moet ik doen? Wat zijn mijn rechten en plichten?

    WW
    Uiterlijk binnen twee dagen nadat iemand werkloos is geworden moet hij of zij zich inschrijven bij het UWV via www.werk.nl  (met DigiD) en uiterlijk binnen een week moet hij/zij een WW-uitkering aanvragen bij deze instantie. Recht op WW ontstaat als:
    • het ontslag niet verwijtbaar is;
    • de medewerker voldoet aan de wekeneis (minstens 26 weken gewerkt in de afgelopen 36 weken);
    • de medewerker voldoet aan de jareneis (minstens vier kalenderjaren gewerkt in de afgelopen vijf kalenderjaren).
    Als de medewerker voldoet aan de wekeneis duurt de basisuitkering drie maanden.
    Voldoet iemand ook aan de jareneis dan duurt de verlengde WW-uitkering even zoveel maanden als het arbeidsverleden, met een maximum van 38 maanden.

    Pensioen
    Tijdens WW en ASU (Aansluitende Uitkering) bouwt de medewerker gedeeltelijk pensioen op bij ABP (37,5 procent) tot hij of zij 62 jaar wordt (ook als de ASU doorloopt tot iemands 65e levensjaar). Het is mogelijk om meer pensioen op te bouwen (raadpleeg voor meer informatie ABP bijsparen).

    Andere uitkeringen
    Mensen werkzaam in het onderwijs maken ook aanspraak op een bovenwettelijke uitkering op grond van het Besluit Bovenwettelijke Werkloosheidsregeling voor Onderwijspersoneel primair onderwijs (BBWO). Een aanvraag indienen hiervoor kan bij KPMG (www.wwplus.nl/aanvraag-uitkering) binnen drie maanden na de eerste WW-dag, mits de medewerker de UWV-beschikking heeft ontvangen.
    Een medewerker kan aanspraak maken op een aanvullende uitkering gedurende de WW-uitkering. Het eerste jaar wordt aangevuld tot 78 procent van het laatstverdiende salaris, daarna tot 70 procent.
    Daarnaast kan een medewerker aanspraak maken op loonsuppletie, als aansluitend aan het ontslag een baan is aanvaard tegen een lager dagloon.
    Verder kan een medewerker aanspraak maken op een garantieuitkering. Als na ontslag uit het onderwijs een andere baan wordt aanvaard maar de medewerker wederom werkloos wordt, waarbij geen recht is op een bovenwettelijke uitkering, dan kan de eerder toegekende bovenwettelijke uitkering herleven.

    Na afloop van de WW-uitkering kan iemand aanspraak maken op een Aansluitende Uitkering (ASU), als hij/zij op de eerste WW-dag minstens 40 jaar is en een diensttijd heeft van tenminste vijf jaar in het primair onderwijs. De uitkering bedraagt 70 procent van het dagloon van de oude baan tot een bepaald maximum.

    Verplichtingen tijdens WW-uitkering
    Iemand met een WW-uitkering moet minimaal één keer per week een sollicitatieactiviteit doen. Ook dient hij of zijn verplicht gebruik te maken van het outplacementtraject dat de werkgever aanbiedt of van re-integratiebegeleiding via het Participatiefond als hij/zij langer dan een jaar een WW-uitkering heeft.

    Vrijstelling van sollicitatieplicht
    In overleg met de ex-werkgever kan vrijstelling gegeven worden voor solliciteren bij:
    • het volgen van opleiding mits die noodzakelijk is om werk te vinden;
    • proefplaatsing om twee maanden met behoud van uitkering onbetaald werk te doen bij een eventuele nieuwe werkgever (ook toestemming van UWV nodig);
    • de proef- of startperiode voor een eigen bedrijf. Het ondernemingsplan moet wel door de ex-werkgever of het UWV goedgekeurd zijn. Tijdens de startperiode is het zelfs mogelijk betalende klanten/opdrachtgevers te hebben, maar de uitkering wordt dan wel voor de duur van 26 weken met 29 procent verlaagd;
    • mantelzorg en vrijwilligerswerk.

    Passend werk aanvaarden
    Iemand met een WW-uitkering moet na zes maanden ook solliciteren naar banen met een lager opleidingsniveau, minder salaris en/ of grotere reisafstand. Na één jaar worden alle banen als passend beschouwd, zelfs als het salaris lager is dan de WW-uitkering. Ook een tijdelijke baan is passend werk (ook voor zeer korte tijd). Passende reistijd gedurende het eerste jaar werkloosheid bedraagt maximaal twee uur per dag; daarna gaat de reistijd omhoog naar maximaal drie uur per dag.

  • Welke wijzigingen hebben er in de WW vanaf 1 januari 2006 plaatsgevonden en welke wijziging van de WOVO (Werkloosheidsregeling onderwijspersoneel voortgezet onderwijs) vanaf 1 januari 2008?

    In deze notitie wordt eerst ingegaan op een stukje historie rondom wachtgelduitkeringen in het onderwijs. Daarnaast wordt ingegaan op de wijzigingen die zich van af 1 januari 2006 in de WW en het besluit bovenwettelijke wachtgeld aanspraken onderwijspersoneel (BBWO-uitkering) hebben voorgedaan. Tevens worden de wijzigingen in de BBWO aangegeven vanaf 1 januari 2008.Tenslotte wordt in een bijlage aan de hand van een aantal stappen de opbouw van de uitkeringen aangegeven.HistorieDe BWOO-uitkering trad in werking met ingang van 1 maart 1994. Met de invoering van deze uitkering werd qua systematiek vooruitgelopen op de OOW-operatie (overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, waaronder de wettelijke werkloosheidsregeling). De BWOO-uitkering kwam in de plaats van uitkeringen op grond van hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel. Dit besluit geldt alleen nog als overgangrecht voor de betrokkenen die op 28 februari 1994 aanspraak hadden op deze uitkering. Het verschil ”I-H” en BWOO heeft vooral betrekking op het feit dat de I-H-uitkering een zelfstandig recht betrof dat uitging van ontslag en niet van werkloosheid. Het verschil tussen BWOO en het later ingevoerde BBWO, thans de Wovo, die is opgenomen in bijlage 12 van de CAO VO was het zelfstandig recht zonder dat er aanspraak bestond op grond van een wettelijke werkloosheidsuitkering. Overheidspersoneel- en onderwijspersoneel hadden immers nog geen aanspraak op de werknemersverzekeringen WW, WAO en ZW. De BBWO-uitkering echter betreft een aanvulling en een aansluiting op de wettelijke werkloosheidsuitkering. Tevens werd met de invoering van de BBWO de hoogte van de ontslaguitkering en de uitkeringsduur, zoals die van toepassing waren bij de BWOO, naar beneden bijgesteld.Op grond van de OOW-operatie is de WW uiteindelijk op 1 januari 2001 van kracht geworden voor de overheids- en onderwijssectoren, in de meeste gevallen aangevuld met een boven- en nawettelijke uitkering (BBWO voor PO, VO en BVE). Tot die tijd werd er fictief een WW-uitkering vastgesteld en werd daarnaast de hoogte van de BWOO-uitkering bepaald. De BWOO-uitkering werd uiteindelijk uitbetaald.Vanaf 1 januari 2001 werd eerst de wettelijke uitkering vastgesteld en daarna de hoogte van de aanvullende uitkering (BBWO-uitkering). De uitvoeringsinstelling stelde beide uitkeringen vast en betaalde die als één uitkering gelijktijdig uit.Wijzigingen vanaf 1 januari 2006De invoering van de Wet walvis met ingang van 1 januari 2006 is van invloed geweest op de vaststelling van het dagloon in het kader van de werknemersverzekeringen. Daarnaast werd met ingang van 1 april 2006 de zogenoemde wekeneis in de WW aangepast.Met ingang van 1 oktober 2006 is de BBWO-uitkering opnieuw aangepast i.v.m.·        de inwerkingtreding van de Wet wijziging WW-stelsel (stb. 303);·        het feit dat de uitvoering van het BBWO zal overgaan van het UWV naar een andere uitvoerder (Loyalis) per 1 april 2007.Aangezien de feitelijke aanpassing zoals die vanaf 1 oktober 2006 is gaan gelden niet op tijd in het Staatsblad is verschenen en er sprake is van een ander uitvoeringsorgaan per 1 april 2007 (Loyalis i.p.v. UWV) voor de bovenwettelijke aanspraak, is met de overlegpartners overeengekomen dat er tot 1 april 2007 een overgangsperiode geldt. Dit overgangsrecht houdt in dat de betrokkenen die in de periode 1 oktober 2006 tot 1 april 2007 werkloos worden en een WW + BBWO-uitkering aanvragen, die krijgen toegekend op basis van de condities zoals die tot 1 oktober 2006 golden.Betrokkenen die dus vanaf 1 april 2007 werkloos worden en een uitkering aanvragen krijgen die toegekend op basis van de rechten die gelden met ingang van 1 april 2007, dus zonder toepassing van overgangsrecht.In onderstaand overzicht worden de verschillen aangegeven vanaf 1 januari 2006.Belangrijkste aanpassingen binnen WW vanaf 1 januari 2006Dagloonvaststelling gewijzigd (1 januari 2006)Wijziging wekeneis (1 april 2006)Onderscheid loongerelateerde en kortdurende uitkering (KDU) vervalt door afschaffing KDU(1 oktober 2006)Hoogte uitkering: eerste 2 maanden 75% van loon en daarna 70% (1 oktober 2006)Maximumduur uitkering verkort van 60 naar 38 maanden (1 oktober 2006)DagloonvaststellingDe Wet Walvis per 1 januari 2006 heeft consequenties gehad op de vaststelling van het loon dat in aanmerking komt voor een uitkering. Tot die tijd kon gesteld worden dat het laatstgenoten brutosalaris de basis was voor de dagloon vaststelling. Vanaf 1-1-2006 geldt de heffinggrondslag. De heffinggrondslag is het resultaat van het brutosalaris minus de betaalde pensioenpremies.WekeneisMet ingang van 1 april 2006 is de wekeneis aangepast. De wekeneis maakt onderdeel uit van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een WW-uitkering. De wekeneis houdt in dat de werknemer in 36 weken (was 39) voorafgaande aan de werkloosheid in tenminste 26 weken arbeid moet hebben verricht.Hierop bestaat één uitzondering. Een betrokken die in een aaneengesloten periode van 26 weken niet tijdelijk werkzaam is geweest, maar over een periode van 36 weken wel in 20 weken tijdelijk werkzaamheden heeft verricht, komt in dat geval in aanmerking voor de BWOO-uitkering. Deze bepaling is terug te vinden in het Algemeen bindend voorschrift: Regels voor het recht op uitkering in gevallen waarin de betrokkene geen recht op uitkering op grond van de WW heeft (Gele katern 2001, nr 9).Onderscheid langdurige en kortdurende uitkering vervaltOf men in aanmerking kwam voor een loongerelateerde of kortdurende uitkering (KDU) hing af of men voldeed aan de weken- en jareneis. Voldeed men aan de wekeneis, maar niet aan de jareneis, dan had men aanspraak op een korte uitkering van 6 maanden. Deze aanspraak is met ingang van 1 oktober 2006 vervallen. Vanaf 1 oktober 2006 geldt dat men aanspraak heeft op 3 maanden WW als alleen wordt voldaan aan de wekeneis.Hoogte uitkeringVanaf 1 oktober 2006 bedraagt de hoogte van de WW de eerste 2 maanden 75% van het loon en daarna 70% waarbij rekening wordt gehouden met het maximumdagloon (in het BBWO wordt geen rekening gehouden met de maximumdagloongrens. Het is 78% en 70% van het ongemaximeerde dagloon.).Voor de werknemer die alleen in aanmerking kwam voor de kortdurende uitkering bedroeg de uitkering 70% van het minimumloon (BBWO: 108% minimumloon tenzij het oude loon lager was). Kwam men in aanmerking voor de loongerelateerde uitkering dan bedroeg de uitkering 70% van het dagloon.Maximumduur uitkering verkortDe maximumduur van de WW-uitkering is teruggebracht van 60 naar 38 maanden.Wijzigingen BBWO, thans Wovo vanaf 1 januari 2008Met ingang van 1 januari 2008 is de uitkeringsduur voor de betrokkene met een leeftijd van 50 jaar aangepast, zowel in de positieve als negatieve zin.Het betreffende lid is als volgt gaan luiden:De duur van de aansluitende uitkering voor de betrokkene die op de eerste werkloosheidsdag een diensttijd heeft van ten minste 12 jaar en53 jaar of ouder is: tot de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar wordt;52 jaar of ouder is: tot de eerste dag van de maand waarin hij 64 jaar wordt;51 jaar of ouder is: tot de eerste dag van de maand waarin hij 64 jaar wordt;50 jaar of ouder is: tot de eerste dag van de maand waarin hij 63 jaar wordt. In het hieronder te downloaden onderstaand overzicht worden de verschillen WW en BBWO (+ overgangsrecht) vanaf 1 oktober 2006 naast elkaar gezet. Wijzigingen BBWO, thans Wovo vanaf 1 januari 2008Bijlagen:   Vaststelling WW en WOVO-uitkering