Arbo

Nieuws

  • Boetes bij niet voldoen aan risico-inventarisatie en -evaluatie verhoogd

  • Bestaande arbocontracten nog tot 1 juli 2018 geldig

  • Goede waardering voor Arbo-congres

  • Congres ‘Arbo, zó regel je dat op school!’ op 24 januari 2018

  • Arbowet wijzigt per 1 juli 2017

  • Congres Werkdruk van Arbocatalogus PO

Al het nieuws over arbo

Veelgestelde vragen

  • Wanneer mag ik een tropenrooster instellen?

    In de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) staat geen maximumtemperatuur waarbij nog gewerkt mag worden. Wel geldt dat de temperatuur geen gevaar mag opleveren voor de gezondheid van leraren en leerlingen. Het schoolbestuur moet ervoor zorgen dat medewerkers veilig en gezond kunnen werken. Personeel en (ouders van) leerlingen kunnen een beroep doen op de Arbowet. Het schoolbestuur kan zelf een tropenrooster instellen bij extreem warm zomerweer. Het minimum aantal lesuren per schooljaar moet de school wel halen (verplichte onderwijstijd).
    Bij hoge temperaturen kan een school maatregelen nemen. Bijvoorbeeld een tropenrooster instellen met kortere lesuren of lesdagen. De school moet de ouders informeren over een tropenrooster. Hebben de ouders geen opvang voor hun kinderen? Dan moet de school een alternatief programma (opvang) aanbieden tijdens de uren waarop de lessen vervallen.

    Meer informatie op arbocataloguspo.nl

     

  • Wat zijn de verschillen tussen de bedrijfsarts en de arbodienst?

    Werkgevers zijn verantwoordelijk voor een gezond arbeidsbeleid. Denk aan het beleid rond ziekteverzuim en arbeidsomstandigheden. Ondersteuning door een deskundige is hierbij verplicht. Dat kan een bedrijfsarts of een arbodienst zijn. Voor sommige taken is een bedrijfsarts verplicht. Aansluiten bij een arbodienst is niet verplicht. Maar verzekeraars eisen soms wel van werkgevers dat zij zich aansluiten bij een arbodienst.

    Verschillen arbo-arts en bedrijfsarts
    Een arbo-arts:
    • is in dienst bij een arbodienst
    • is een basisarts
    • is geen arbeidskundig specialist
    • mag alleen doorverwijzen na goedkeuring door een bedrijfsarts
    • mag niet oordelen over de arbeidsgeschiktheid of -ongeschiktheid van de werknemer
    • moet zijn ingeschreven in het BIG-register
     
    Een bedrijfsarts:
    • huurt de werkgever zelf in
    • is een arbeidskundig specialist
    • mag een werknemer doorverwijzen naar een specialist
    • mag medicijnen voorschrijven
    • mag medische gegevens opvragen over de werknemer (na toestemming van werknemer)
    • moet zich iedere vijf jaar herregistreren en daarvoor aan verschillende eisen voldoen
    • is (daarom) verplicht zich continu bij te scholen en wordt regelmatig gecontroleerd
    • moet oordelen over de arbeidsgeschiktheid of -ongeschiktheid van de werknemer
    • moet zijn ingeschreven in het BIG-register en in een specialistenregister
     
    Wat mogen arbodienst en bedrijfsarts allebei?
    • advies geven over arbeidsomstandigheden, arbobeleid, preventie en verzuimbeleid
    • begeleiden van re-integratie van de zieke werknemer
    • een RI&E toetsen (Risico Inventarisatie en -Evaluatie)
    • werknemers periodiek onderzoeken (PAGO)
    • een arbeidsomstandighedenspreekuur houden
    • de aanstellingskeuring doen van een werknemer
    • beroepsziektes melden bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten
     
    Wat mag alleen de bedrijfsarts?
    • vaststellen of de werknemer door ziekte echt niet meer kan werken
    • beoordelen wat de werknemer nog wel kan doen
    • de ziekte binnen zes weken bespreken met de werknemer, een probleemanalyse opstellen en de werkgever adviseren over re-integratie en werkhervatting
     
    UWV
    Voor het UWV telt alleen het oordeel van arbeidsongeschiktheid door de bedrijfsarts. De bedrijfsarts moet een goed dossier aanleggen. Daarbij hoort onder andere het opvragen van medische gegevens van een werknemer. Goede dossiervorming is ook belangrijk voor een deskundigenoordeel door het UWV.
  • We willen camera’s laten plaatsen. Hoe zit het met de regels rond dit onderwerp?

    Op scholen hangen steeds vaker camera’s. Bijvoorbeeld om vernielingen of diefstal tegen te gaan. Maar de inbreuk op de privacy van leerlingen, leerkrachten en bezoekers is groot. Daarom mogen scholen alleen camera’s ophangen als zij aan een aantal voorwaarden voldoen. Ook moeten zij ervoor zorgen dat de inbreuk op de privacy zo klein mogelijk is. Een camera in bijvoorbeeld een toilet of kleedhokje gaat te ver, omdat mensen dan bloot in beeld kunnen komen.

    Gerechtvaardigd belang
    De school moet een gerechtvaardigd belang hebben voor het cameratoezicht. Bijvoorbeeld diefstal tegengaan of leerlingen, leerkrachten en bezoekers beschermen.

    Noodzaak cameratoezicht
    Het cameratoezicht moet noodzakelijk zijn. Dat wil zeggen dat de school het doel niet op een andere manier kan bereiken. Is er geen andere mogelijkheid, die minder ingrijpend is voor de privacy? Dat moet de school eerst nagaan.
    Ook mag het cameratoezicht niet op zichzelf staan. Het moet onderdeel zijn van een totaalpakket aan maatregelen.

    Privacytoets
    De school moet eerst een privacytoets uitvoeren. Dit betekent dat de school de belangen van de leerlingen, leerkrachten en bezoekers afweegt tegen het eigen belang.
    Ook moet de school de plannen vooraf met de medezeggenschapsraad bespreken.

    DPIA
    Zet de school grootschalig en/of systematisch cameratoezicht in om diefstal tegen te gaan of leerlingen, leerkrachten en bezoekers te beschermen? Dan moet de school een data protection impact assessment (DPIA) uitvoeren.
    Dit is bijvoorbeeld zo als de school structureel of gedurende een langere periode cameratoezicht inzet voor dit doel.
    Wil de school een verborgen camera (heimelijk cameratoezicht) inzetten? Dan moet de school hiervoor altijd een DPIA uitvoeren. Ook als het heimelijk cameratoezicht incidenteel is.

    Rechten leerlingen, leerkrachten en bezoekers
    De school moet ervoor zorgen dat de leerlingen, leerkrachten en bezoekers weten dat er een camera hangt en voor welk doel deze er hangt. Bijvoorbeeld door bordjes op te hangen.
    Daarnaast geeft de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) de volgende privacyrechten aan betrokkenen:

    • het recht om gegevens (camerabeelden) in te zien;
    • het recht om vergeten te worden;
    • het recht op beperking van de verwerking;
    • het recht om bezwaar te maken tegen het gebruik van persoonsgegevens.

    Bewaartermijn camerabeelden
    De school mag de camerabeelden niet langer bewaren dan noodzakelijk is. De richtlijn hiervoor is maximaal 4 weken.
    Maar is er een incident vastgelegd, zoals diefstal? Dan mag de school de betreffende beelden bewaren tot dit incident is afgehandeld.

    Mag een school een verborgen camera gebruiken?
    Nee, normaal gesproken mag dat niet. Maar heeft een school duidelijke vermoedens van bijvoorbeeld diefstal of fraude door leerlingen of leerkrachten? Dan kan de school onder bepaalde voorwaarden gebruikmaken van een verborgen camera (heimelijk cameratoezicht).

    Voorwaarden verborgen camera

    De school mag alleen een verborgen camera gebruiken als de school in ieder geval aan de volgende voorwaarden voldoet:

    • Het lukt de school niet, ondanks allerlei inspanningen, om een eind te maken aan de diefstal of fraude.
    • Het gebruik van de verborgen camera is tijdelijk (permanent heimelijk cameratoezicht is nooit toegestaan!).
    • De inbreuk op de privacy van de leerlingen, leerkrachten en bezoekers is zo klein mogelijk. Een camera op bijvoorbeeld het toilet gaat te ver, omdat mensen dan bloot in beeld kunnen komen.
    • De school heeft de leerlingen en leerkrachten er vooraf op gewezen dat verborgen camera’s in bepaalde situaties (diefstal of fraude) mogelijk zijn. Bijvoorbeeld in een reglement cameratoezicht.
    • De school informeert de betrokken leerlingen en leerkrachten achteraf over het gebruik van de verborgen camera.
    • De school heeft toestemming van de medezeggenschapsraad voor het gebruik van een verborgen camera.
    • De school heeft een data protection impact assessment (DPIA) uitgevoerd. Tenzij het gaat om bestaand beleid voor de inzet van heimelijk cameratoezicht. En de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) dit beleid in het verleden al heeft goedgekeurd en de verwerking in de tussentijd niet is veranderd.
    • Is uit de DPIA naar voren gekomen dat de beoogde inzet van (verborgen) camera’s een hoog privacyrisico oplevert? En lukt het de school niet om maatregelen te vinden om dit risico te beperken? Dan moet de school met de AP overleggen voordat hij met het cameratoezicht start. Dit wordt een voorafgaande raadpleging genoemd.

    Bron: Autoriteit Persoonsgegevens

  • Hoe dient deze arbeidstijdenregistratie plaats te vinden?

    Onderwijsgevend personeel en directieleden:

    1. Van de werkgever wordt verwacht dat er goed wordt nagedacht over de arbeidstijden en het taakbeleid in relatie tot de belasting van de leerkrachten en de directieleden dat de jaartaak reëel wordt verdeeld over de verschillende taken en werkweken. Dit sluit aan bij de afspraken in de CAO PO en CAO VO. 
    2. Er kan mee worden volstaan dat de schooladministratie de thuis te werken uren (lesvoorbereiding en correctiewerk) vooraf aangeeft op het rooster van de groepsleerkracht c.q. docent.
    3. De school (werkgever) houdt tevens de wijzigingen in het rooster bij, dus ook een toe- of afname van het aantal thuiswerkuren. De school is verantwoordelijk voor het maken van goede afspraken met de docenten om tijdig substantiële afwijkingen te kunnen verwerken. 
    4. Dit tezamen moet volledig en deugdelijk zijn. De registratie vindt per schooljaar (1 augustus tot 1 augustus) plaats. De leerkrachten en docenten hoeven niet langer zelf de uren die zij thuiswerken bij te houden, zij hoeven dus niet meer een registratie van het aantal thuisgewerkte uren bij de werkgever in te leveren. 

    Onderwijsondersteunend personeel:
    Ook voor het onderwijsondersteunend personeel dient een deugdelijke arbeidstijdenregistratie plaats te vinden. De registratie vindt per kalenderjaar plaats. Om problemen gedurende het schooljaar/kalenderjaar te voorkomen dient voorafgaande aan het nieuwe schooljaar/kalenderjaar overleg met iedere individuele betrokkene plaats te vinden en het rooster te laten ondertekenen.

  • Welke bevoegdheden heeft de Inspectie SZW met betrekking tot de arbeidsomstandigheden in de school?

    De bevoegdheden van de Inspectie SZW met betrekking tot de arbeidsomstandigheden omvatten:

    • Alle onderzoeken en handelingen in verband met opsporing; 
    • Het betreden van alle ruimten waar arbeid wordt verricht; 
    • Het geven van aanwijzingen en het stellen van eisen teneinde een nadere uitleg te geven van in abstracte termen gestelde voorschriften en regels; 
    • Het verzegelen van ruimten en toestellen; 
    • Het stilleggen van werk in ernstige gezondheidsbedreigende situaties; 
    • Het in beslag nemen of in bewaring nemen van voorwerpen; 
    • Het opmaken van proces-verbaal bij constateren van een overtreding.
  • Moet de school de persoonsgegevens van een werknemer van bijvoorbeeld een schoonmaakbedrijf controleren?

    Wanneer een werknemer in dienst treedt bij de werkgever, zal de werkgever vragen om een geldig, origineel identiteitsbewijs. De werkgever is verplicht het identiteitsbewijs te controleren op echtheid en geldigheid en een kopie ervan in zijn administratie te bewaren.

    De school wordt ook als werkgever beschouwd als u tijdelijk inhuurt via een intermediair zoals

    • een uitzendbureau,
    • loonbedrijf of
    • onderaannemer.

    U bent ervoor verantwoordelijk dat de persoon die voor u werkt een tewerkstellingsvergunning heeft, tenzij de intermediair hier al over beschikt.

    Maakt u als school gebruik van bijvoorbeeld een schoonmaakbedrijf dan zult u de persoonsgegevens moeten controleren met de gegevens die de werknemer heeft opgegeven bij zijn werkgever (schoonmaakbedrijf). U krijgt een kopie van het identiteitsbewijs van de intermediair. Vervolgens moet u de kopie van het identiteitsbewijs in uw administratie bewaren gedurende tenminste vijf jaar. Blijft u in gebreke, dan kunt u hiervoor een aparte boete krijgen van 1500 euro per illegaal werkende werknemer.

     

  • Dient er een arbeidstijdenregistratie bijgehouden te worden door de werkgever?

    De werkgever is verplicht de arbeids- en rusttijden te registreren. Dit sluit aan bij de verantwoordelijkheid die de werkgever heeft voor het taakbeleid, zoals ook bepaald in de cao. Het taakbeleid, binnen de grenzen van de jaartaak, is het uitgangspunt bij het inroosteren van het personeel. De werkgever moet hierbij rekening houden met de belastbaarheid van de personeelsleden. De verantwoordelijkheid voor het maken van specifieke afspraken over arbeids- en rusttijden ligt bij de werkgever en werknemer. Hiervoor is de instemming nodig van de personeelsgeleding van de medezeggenschapsraad. De werknemer heeft een verantwoordelijkheid ten aanzien van de bewaking van de grenzen van zijn belastbaarheid. Indien een werknemer een te hoge werkdruk ervaart kan hij de overschrijdingen van de ingeroosterde uren bijhouden en dit bij zijn werkgever aankaarten.

  • Wat houdt de arbeidstijdenwet in het kort in?

    De Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit gelden ook voor alle werkgevers in het openbaar en het bijzonder onderwijs.

    Arbeidstijdenwet
    De Arbeidstijdenwet heeft tot doel het voorkomen van overbelasting van werknemers. De wet reguleert de maximale tijd gedurende welke achtereen arbeid mag worden verricht, en schrijft voor welke rusttijd tussen de werkzaamheden in acht moet worden genomen. Het gaat de wetgever dus niet zozeer om de vraag hoeveel uren er in een week, in een maand of in een jaar wordt gewerkt, als wel om de vraag of de werknemer tussen de werktijden voldoende in de gelegenheid wordt gesteld periodes van rust te nemen. Het Arbeidstijdenbesluit bevat vele aanvullende bepalingen over ploegendienst, nachtdienst, zondagsdienst etc. Het bevat eveneens bijzondere bepalingen voor diverse beroepsgroepen met onregelmatige of bijzondere werktijden als schoonmakers, verplegend en verzorgend personeel, brandweer etc.

    Maximale arbeidstijd
    De werknemer mag werken: per dienst: maximaal 12 uur; per week: maximaal 60 uur;
    Let op: de werknemer mag niet iedere week het maximaal aantal uren werken. Als u zijn of haar arbeidstijd over een langere periode bekijkt, zien de werkuren er zo uit: per week per 4 weken: gemiddeld 55 uur per week in een periode van vier weken lang; in een collectieve regeling (bijvoorbeeld cao) kunnen hierover afwijkende afspraken gemaakt zijn. Maar een werknemer mag nooit meer dan 60 uur per week werken; per week per 16 weken: gemiddeld 48 uur per week in een periode van 16 weken lang.
    Met uw werknemer maakt u afspraken hoe hij of zij de werktijd per dag en per week invult.
    Voor kinderen onder de 16 en jongeren van 16 en 17 jaar gelden aparte regels. Ook gelden enkele speciale regels voor zwangere of pas bevallen vrouwen.
    Rust na werktijd: na een werkdag mag uw werknemer 11 uur aaneengesloten niet werken. Wel mag deze rustperiode eens in de 7 dagen ingekort worden tot 8 uur als de aard van het werk of de bedrijfsomstandigheden dit nodig maken. Bij een 5-daagse werkweek mag de werknemer na een werkweek 36 uur aaneengesloten niet werken. Een langere werkweek is ook mogelijk, mits in een periode van 14 dagen de werknemer minimaal 72 uur aaneengesloten niet werkt. Deze periode mag gesplitst worden in twee perioden van minimaal 32 uur.

    Pauze houden
    Werkt uw werknemer langer dan 5½ uur, dan heeft hij of zij minimaal 30 minuten pauze. Die mag worden gesplitst in 2 keer een kwartier. Werkt uw werknemer langer dan 10 uur, dan is de pauze minstens 45 minuten. Die mag worden gesplitst in meer pauzes van minimaal een kwartier.
    Op grond van de cao-bepalingen dient de werkgever, na verkregen instemming van de P(G)MR, een werkreglement vast. Dit bevat in ieder geval een arbeids- en rusttijdenregeling. Daarin wordt ook bepaald of gekozen wordt voor een half uur dan wel tweemaal een kwartier pauze, wanneer op een dag meer dan 5½ uur gewerkt wordt.
    De maximale arbeidstijd is in de wet als volgt geregeld. De werknemer mag hoogstens 12 uur per dienst werken respectievelijk maximaal 60 uren per week. Daarbij dient in acht te worden genomen dat dit maximum niet leidt tot overschrijding van gemiddeld 48 uren per week gedurende 16 achtereenvolgende weken.
    Voor jeugdigen gelden respectievelijk 9, 45 en 40 uren per week in elke periode van 4 aaneengesloten weken.

    Zwangere werknemer
    Voor de zwangere werknemer en voor arbeid na de bevalling gelden specifieke bepalingen. Voor de zwangere werknemer komt het erop neer dat zij recht op extra pauze(s) heeft. In totaal voor ten hoogste een achtste deel van de voor haar geldende arbeidstijd. De zwangere werknemer van 18 jaar of ouder kan niet worden verplicht meer arbeid te verrichten dan:
    – 10 uren per dienst.
    – gemiddeld 50 uren per week in elke periode van 4 aaneengesloten weken, en
    – gemiddeld 45 uren per week in elke periode van 16 aaneengesloten weken.
    In principe kan de werknemer niet verplicht worden arbeid in nachtdienst te verrichten. De tijd die is gemoeid met zwangerschapsonderzoek tijdens werktijd wordt doorbetaald. Na bevalling mag de werknemer gedurende de eerste 9 levensmaanden de arbeid onderbreken om het kind te zogen of te kolven. Zo vaak en zo lang als nodig tot ten hoogste een vierde van de arbeidstijd per dienst. De vaststelling van het tijdstip en de duur van de onderbrekingen vindt plaats door de betrokken vrouwelijke werknemer na overleg met de werkgever.
    Ook heeft de zwangere werknemer en de eerste 6 maanden na de bevalling het recht de arbeid af te wisselen met één of meer pauzes. Deze extra pauze onderscheidenlijk pauzes bedragen tezamen ten hoogste één achtste deel van de voor haar geldende arbeidstijd per dienst. De in de vorige volzin bedoelde pauzes gelden voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen als arbeidstijd.

    Afwijking
    Van enkele voorschriften (bijv. van de maximale arbeidstijd en de pauzeregeling, maar weer niet van de rusttijdenregeling) kan alleen worden afgeweken bij cao of bij publiekrechtelijke regeling. Afwijking kan ook via een regeling tussen de werkgever en het medezeggenschapsorgaan, indien en voor zover de cao of de publiekrechtelijke regeling die mogelijkheid heeft geopend.

    Vrijstelling leidinggevenden
    Leidinggevenden en hoger personeel met een inkomen van tenminste 3 keer modaal (€ 94.977 per jaar, norm 2009, bron: CBS) zijn van registratie vrijgesteld.

  • Kan de werkgever een inspecteur SZW de toegang tot de school weigeren?

    De werkgever moet een inspecteur SZW ongehinderd toegang verlenen. Een inspecteur zal echter meestal niet zonder meer de school binnenstappen, maar zal zich melden bij de conciërge of de receptie. Daar zal hij of zij vragen naar iemand van de directie. Als een inspecteur een rondgang door de school maakt zal gevraagd worden of daarbij ook een vertegenwoordiger van de medezeggenschapsraad en/of het personeel aanwezig willen zijn.

  • Wanneer mogen scholen met een tropenrooster werken?

    Geregeld krijgt de AVS Helpdesk vragen binnen over wanneer scholen mogen werken met een tropenrooster. Want ook scholen kunnen tijdens lange, hete zomers anticiperen op het weer. Het bestuur van een basisschool of een school voor  voortgezet onderwijs kan zelf besluiten om een tropenrooster in te stellen bij extreem warm zomerweer. Het jaarlijkse minimum aantal lesuren mag hierbij geen gevaar lopen. De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de onderwijstijd.

    Arbeidsomstandigheden
    Scholen kunnen de arbeidsomstandigheden beoordelen met de  Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet). De leraren en leerlingen zijn in zo’n geval werknemers. In de Arbowet staat geen maximumtemperatuur waarbij nog gewerkt mag worden.  Wel regelt de Arbowet dat een werkgever moet zorgen dat de temperatuur geen gevaar oplevert voor de gezondheid van de werknemers. Dit geldt ook voor scholen.

    Maatregelen tegen warmte
    Bij een temperatuur boven de 30 graden Celsius moet een school maatregelen nemen om de belasting voor leerlingen en leraren zo laag mogelijk te houden. De school kan bijvoorbeeld een tropenrooster met kortere lesuren of lesdagen  instellen. Andere maatregelen zijn: zo kort mogelijk aaneengesloten werken, pauzeren in koele ruimtes, extra ventilatie en veel drinken. De school stelt de maatregelen op met instemming van de MR.

  • Bestaat er een methode om het rookbeleid goed te regelen?

    Ja. Stivoro (voorheen Stichting Volksgezondheid en Roken) heeft hiervoor een stappenplan ontwikkeld. Dit ziet er als volgt uit:

    Stap 1:Draagvlak creëren voor rookbeleid

    Stap 2:Structuur opzetten door het instellen van een werkgroep

    Stap 3:Probleem inventariseren

    Stap 4:Actieplan ontwikkelen

    Stap 5:Invoering starten

    Stap 6:Rookbeleid evalueren

    Stap 7:Aandacht vasthouden.

    Zie hiervoor de website:http://www.stivoro.nl

  • Zijn er op de scholen toch nog plekken waar gerookt mag worden?

    Met ingang van 1 oktober 1998 is de wetgeving op dit terrein verder aangescherpt. Voor die tijd mocht een derde deel van de oppervlakte van kantines, wacht- en recreatieruimten worden bestemd voor rokers, als in het overige deel hiervan geen hinder werd ondervonden. Een andere uitzondering was dat bovengenoemde ruimten tijdens een derde van de openingstijd werden uitgezonderd van het rookverbod. Deze uitzonderingen zijn in de praktijk nauwelijks hanteerbaar gebleken en leidden tot veel misverstanden. Daarom zijn die uitzonderingen per 1 oktober 1998 afgeschaft. Wel blijft het mogelijk om roken in de school toe te staan, als op één verdieping bijvoorbeeld twee docentenkamers of twee kantines zijn. Het roken is dan verboden in de grootste en toegestaan in de kleinste van de twee ruimten. Maar ook nu geldt deze uitzondering slechts als niet-rokers hier geen hinder van ondervinden. Het maken van deze uitzondering is dus geen verplichting. De medezeggenschapsraad heeft instemmingsbevoegdheid met betrekking tot maatregelen op het gebied van het rookbeleid.

  • Wie houdt toezicht op het rookbeleid?

    De Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) controleert op scholen of het rookverbod wordt nageleefd. De controles worden steekproefsgewijs uitgevoerd bij alle soorten onderwijs van basisschool tot universiteit. Gekeken wordt of de scholen het rookverbod correct hebben ingesteld, aangeduid en handhaven.
    Er wordt nagegaan of de openbare ruimtes zoals klaslokalen, kantines, gangen en trappen en werkplekken (kantoorruimten) rookvrij zijn. Wanneer de school een specifieke rookruimte heeft, wordt gecontroleerd of deze aan de eisen voldoet (speciaal voor het roken, afgesloten ruimte en geen hinder en overlast in de aangrenzende ruimten). Tegen onderwijsinstellingen die zich niet aan de regels houden, worden maatregelen genomen. Die variëren van een waarschuwing tot een geldboete die kan oplopen tot 2400 euro.
    De VWA voert elk jaar, naast de reguliere controles, inspecties uit bij een aantal specifieke branches. In 2006 zijn dit bouwbedrijven en het onderwijs. Gezien het grote aantal leerlingen, studenten en werknemers die dagelijks in schoolgebouwen aanwezig zijn, vindt de VWA het belangrijk om deze sector te controleren en vast te stellen in hoeverre bescherming wordt geboden tegen gezondheidsschade door meeroken.

    Een andere belangrijke reden voor de VWA om in het primair en voortgezet onderwijs te controleren, is het feit dat de meeste mensen beginnen met roken als ze tussen 13 en 15 jaar zijn. Uit onderzoek is gebleken dat van de 12-jarigen een kwart aangeeft ooit gerookt te hebben en van de 15-jarigen de helft. Wanneer het rookverbod correct is ingevoerd, worden jongeren op school niet of minder geconfronteerd met roken en is de kans dat zij beginnen met roken kleiner.

  • Zijn er op de scholen toch nog plekken waar gerookt mag worden?

    Met ingang van 1 oktober 1998 is de wetgeving op dit terrein verder aangescherpt. Voor die tijd mocht een derde deel van de oppervlakte van kantines, wacht- en recreatieruimten worden bestemd voor rokers, als in het overige deel hiervan geen hinder werd ondervonden. Een andere uitzondering was dat bovengenoemde ruimten tijdens een derde van de openingstijd werden uitgezonderd van het rookverbod. Deze uitzonderingen zijn in de praktijk nauwelijks hanteerbaar gebleken en leidden tot veel misverstanden. Daarom zijn die uitzonderingen per 1 oktober 1998 afgeschaft. Wel blijft het mogelijk om roken in de school toe te staan, als op één verdieping bijvoorbeeld twee docentenkamers of twee kantines zijn. Het roken is dan verboden in de grootste en toegestaan in de kleinste van de twee ruimten. Maar ook nu geldt deze uitzondering slechts als niet-rokers hier geen hinder van ondervinden. Het maken van deze uitzondering is dus geen verplichting. De medezeggenschapsraad heeft instemmingsbevoegdheid met betrekking tot maatregelen op het gebied van het rookbeleid.