Formatie

Nieuws

Al het nieuws over formatie

Veelgestelde vragen

  • Hoe voorkom je dat groepen te groot worden in leerlingaantal?

    Om een goed beeld te krijgen, is eerst het functiebouwwerk van belang. De vraag die gesteld kan worden is: wat heb ik nodig om voor komend schooljaar tot een goede groepsverdeling te komen?

    Jaarlijks dient vóór 1 augustus het functiebouwwerk zowel op bestuurs- als schoolniveau aangepast te worden met instemming van de personeelsgeleding van de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad: de PGMR. Dat is bepaald in artikel 5.5 van de CAO PO 2018-2019.

    In het functiebouwwerk wordt gekeken naar:

    • a. de huidige normfuncties en niet-normfuncties blijven gehandhaafd en nieuwe niet-normfuncties worden geïntroduceerd en volgens FUWA PO gewaardeerd, 
    of
    • b. alle functies worden volgens FUWA PO gewaardeerd.

    Hierbij kan gebruik gemaakt worden van de voorbeeldfuncties die zijn opgenomen in ‘Voorbeeldfuncties in FUWA PO’.

    De samenstelling van het functieboek op bestuursniveau betreft het geheel van functies naar soort en niveau, met inachtneming van de normfuncties of van FUWA PO. De werkgever en de PGMR maken eveneens een afspraak over het geheel aan bovenschoolse functies naar soort, niveau en aantal.

    De werkgever en de PMR maken op schoolniveau een afspraak over de invulling van het functiebouwwerk voor wat betreft het geheel van functies naar soort, niveau en aantal, alsmede het beoogde invoeringstraject inclusief de invoeringsdatum. De inrichting van het functiebouwwerk op schoolniveau wordt binnen de kaders van het functieboek op bestuursniveau en in samenhang met het (meerjaren)formatieplan besproken.

    Op 1 oktober van elk jaar is het aantal leerlingen bekend. Het aantal leerlingen wordt vermenigvuldigd met 3 procent (verwachte instroom conform artikel 152 WPO), afgerond naar beneden. De uitkomst is bepalend voor het aantal formatieplaatsen. De rijksbekostiging is gebaseerd op 23 leerlingen in de onderbouw en 28 leerlingen in de bovenbouw. De rijksbekostiging in zijn geheel is gebaseerd op de bovenbouw en wordt toegekend in fte’s. Eén fte is gelijk aan werktijdfactor 1,08.

    Deze gegevens zijn ook van belang bij de bespreking van het werkverdelingsplan.

     

    Kortom: deze berekening bevat de ingrediënten (een indicatie) om te komen tot een goede invulling van de personeelsformatie voor het nieuwe schooljaar, en daarmee een goede groepsverdeling.

     

  • Wanneer plaats je een medewerker in het risicodragend deel van de formatie (rddf )?

    Er wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen ontslag- en werkgelegenheidsbeleid.

    Ontslagbeleid
    Als bij het opstellen van het (bestuurs)formatieplan voor het volgend schooljaar op grond van het aantal leerlingen geconstateerd wordt dat er niet voldoende formatieve ruimte beschikbaar is, dan moet in het (bestuurs)formatieplan worden aangegeven hoeveel formatie in het rddf wordt geplaatst. Het betreft dan de formatie, niet de personen.

    Omdat in de CAO-PO 2013 is bepaald, dat het (bestuurs)formatieplan vóór 1 mei aan de geleding personeel van de (G)MR moet worden voorgelegd, dient op deze datum bekend te zijn hoeveel formatie in de rddf wordt geplaatst.

    Vóór de ingangsdatum van de zomervakantiemoet het personeelslid schriftelijk en aangetekend op de hoogte gesteld worden dat hij/zij in het rddf is geplaatst gedurende het volgende schooljaar. Het rddf kan alleen de gehele formatieplaats omvatten. Plaatsing in het rddf gebeurt op basis van de diensttijd en de eventuele geldende afvloeiingsregeling en -protocollen van 31 juli 2006 of eerder. Verder is Bijlage III van de CAO-PO van toepassing. Werkgelegenheidsbeleid

    Als het bestuur werkgelegenheidsbeleid voert, dan geldt een werkgelegenheidsgarantie van twee jaar. Als de werkgelegenheid niet meer te garanderen is, dan moet het bestuur Decentraal Georganiseerd Overleg (DGO) voeren. In overleg met de vakcentrales wordt dan gekeken welke maatregelen te treffen zijn.

    Bij de gedwongen fase is rddf-plaatsing aan de orde. De CAO-PO schrijft in Bijlage III voor dat ontslag in verband met de opheffing van de betrekking niet eerder kan plaatsvinden dan nadat de functie – en de daarin benoemde of aangestelde werknemer – gedurende een heel schooljaar in het rddf is geplaatst. Er wordt in deze bijlage geen onderscheid gemaakt tussen ontslag- en werkgelegenheidsbeleid en de bepaling is voor beide situaties geldend.

    Binnen het DGO wordt bepaald welke functies in het rddf geplaatst gaan worden en welke criteria hierbij gelden.

    NB: er is verwarring ontstaan over het feit dat de tekst van artikel 2.8 van de CAO-PO 2009 is toegevoegd aan artikel 10.4, lid 6, van de CAO-PO 2013. De toevoeging betreft echter alleen een praktische, en geen inhoudelijke wijziging.

  • Op welk moment wordt een werknemer in het RDDF geplaatst?

    In deze periode van het jaar hebben schoolbesturen in het primair onderwijs zich weer over het bestuursformatieplan gebogen. Dit plan moest uiterlijk 1 mei, na instemming van de PGMR, zijn vastgesteld. Uit het bestuursformatieplan blijkt of er (op termijn) te veel of te weinig werknemers in dienst zijn. Als er sprake is van ‘formatieve frictie’, er zijn dan te veel medewerkers in dienst, moeten er stappen worden ondernomen. Hier volgen de aandachtspunten. Het RDDF (Risicodragend deel der formatie) is dat gedeelte van de formatie waarin de functies vallen die met opheffi ng bedreigd worden. NB: er wordt op bestuursniveau naar de formatie gekeken. Terugloop op de ene school kan zo verevend worden met formatiegroei of natuurlijk verloop op een andere school.

    Als eerste moet gekeken worden welk beleid er door de werkgever is vastgesteld: ontslagbeleid of werkgelegenheidsbeleid. Voor die organisaties/ besturen waarvoor werkgelegenheidsbeleid geldt, is er geen afvloeiingsregeling. Er is sprake van werkgelegenheidsgarantie voor personeel dat in vaste dienst is. In geval van gedwongen ontslagen door terugloop van leerlingen moet de werkgelegenheidsgarantie opgeheven worden en dient er een sociaal plan te worden geschreven. Werkgevers die geen keuze hebben gemaakt, vallen automatisch onder de regeling ontslagbeleid. De werkgever neemt vervolgens het besluit of het een functie betreft voor onderwijsgevend of onderwijsondersteunend personeel. Een afvloeiingslijst wordt samengesteld op basis van het vigerende bestuursbeleid (e.e.a. is ook na te lezen in bijlage III van de CAO PO). De werkgever dient zo spoedig mogelijk – uiterlijk vóór de zomervakantie – via een aangetekend verzonden brief aan de werknemer te hebben gemeld dat zijn of haar functie met opheffing wordt bedreigd en in het RDDF is geplaatst.

    Wel of geen ontslag? Er is niet altijd sprake van ontslag na plaatsing in het RDDF. Na een jaar wordt de functieterugloop opnieuw bekeken. Er kan sprake zijn van ontslag als:

    a. de daling in de formatie, inclusief andere ontslagen en natuurlijk verloop, minimaal gelijk is aan de omvang van het gemelde ontslag, en
    b. de wijziging in de formatie geen gevolg is van eigen beleid van het bevoegd gezag.

    Let wel: deelontslag is niet mogelijk! Als de ontslagruimte kleiner is dan de omvang van het ontslag, kan ontslag uit een vast dienstverband niet plaatsvinden, omdat deelontslag niet is toegestaan. Werkgevers moeten dus wel ontslagruimte hebben voor de volledige betrekkingsomvang van de werknemer waarvan de functie in RDDF is geplaatst.
    Tijdens de periode dat de functie van de werknemer in het RDDF is geplaatst kan de werkgever de werknemer een sollicitatieplicht of een scholingsplicht opleggen (zie bijlage III lid 6 van de CAO PO). Mocht er een passende vacante functie bij de werkgever beschikbaar komen, dan moet deze vacature eerst aan de in RDDF geplaatste werknemer aangeboden worden.

  • SBO formatie berekeningsinstrument

    Downloads

    SBO formatie berekeningsinstrument(xls)

  • Vaststelling MI vergoeding

    De vergoeding materiële instandhouding (MI) voor het kalenderjaar 2010 wordt berekend op basis van het aantal leerlingen op de reguliere teldatum 1 oktober 2009. Als een basisschool op 1 maart 2010 aanzienlijk meer leerlingen heeft dan op 1 oktober 2009, bestaat het recht om de vergoeding voor de materiële instandhouding met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010 te laten aanpassen. Een school krijgt pas recht op deze extra vergoeding als het aantal leerlingen op 1 maart 2010 met tenminste 13 leerlingen is toegenomen ten opzichte van het aantal leerlingen op 1 oktober 2009 verhoogd met 3% en afgerond naar beneden.

    Hierover verschijnt jaarlijks in februari/maart een aparte circulaire.

  • In verband met het (vele) rekenwerk is in de toolbox van de PO-Raad (www.poraad.nl) een instrument opgenomen waarmee de berekening snel kan worden uitgevoerd.

    In verband met het (vele) rekenwerk is in de toolbox van de PO-Raad (http://www.poraad.nl/) een instrument opgenomen waarmee de berekening snel kan worden uitgevoerd.

  • Toeslag zeer kleine scholen

    In uitzonderlijke gevallen kan er ook sprake zijn van toekenning van de zeerkleinescholentoeslag (ZKST) aan een school. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn bij scholen die net gesticht zijn en nog heel weinig leerlingen hebben. Nieuw gestichte basisscholen kunnen de eerste telling voor aanvullende bekostiging in verband met (bijzondere) groei indienen nadat zij voor het eerst een 1-oktobertelling hebben ingediend. Als bij dergelijke scholen de groeiregeling wordt toegepast vindt de toekenning van de aanvullende bekostiging in verband met groei plaats voor zover de uitkomst groter is dan de omvang van de ZKST. Dan wordt de uitkomst van de groeiregeling verminderd met de toegekende ZKST. Is de groeiregeling kleiner dan de ZKST dan vindt geen toekenning plaats (wordt op nul gesteld).

    Voor de periode tussen 1 april tot en met 1 juni blijft de bijzondere groeiregeling gelden. De wijze van berekening blijft analoog, alleen geldt dan als criterium het aantal van tenminste 26 leerlingen op 1 mei resp. op 1 juni t.o.v. 1 april, dan wel 1 juni t.o.v. 1 mei.

    Het buiten beschouwing laten van 1 juli voor de toepassing van de bijzondere groeiregeling blijft gelden, zoals nu ook het geval is.

    Voorbeeld a:
    Een school heeft op de teldatum 1 oktober 2008:
    –   leerlingen van 4 t/m 7 jaar:        60
    –   leerlingen van 8 jaar en ouder : 60
    –   totaal plus 3%, afgerond naar beneden op een geheel getal: 123 leerlingen
    De school groeit in het schooljaar 2009-2010 en heeft op 1 november 2009 in totaal 139 leerlingen. Dat is 16 leerlingen meer dan 123 leerlingen.

    De school ontvangt aanvullende bekostiging waarbij tegelijkertijd sprake is van de correctiekorting tot het aantal van in dit geval 139 leerlingen:
    ((2.685,28* (139 – 123)) – (799,52 * (139 – 123)) = EUR 30.398,24 op jaarbasis.

    Per maand is het EUR 2.514,351 vanaf 1 november 2009 en in het schooljaar wordt in totaal EUR 22.629,12 toegekend.

    Later in het jaar vindt opnieuw een groei plaats en dit leidt tot de telling op 1 maart 2010:
    –   leerlingen van 4 t/m 7 jaar:        77
    –   leerlingen van 8 jaar en ouder : 76
    –   totaal aantal: 153 leerlingen
    Dit is 14 leerlingen meer dan de laatste groeitelling op 1 november van 139 leerlingen.

    De school ontvangt aanvullende  bekostiging waarbij tegelijkertijd sprake is van de correctiekorting tot het aantal van maximaal 148 leerlingen:
    ((2.685,28* (153 – 139)) – (799,52 * (148 – 139)) = EUR 30.398,24 op jaarbasis.
    Per maand is het EUR 2.514,35 vanaf 1 maart 2010 en in het schooljaar wordt in totaal EUR 12.665,93 toegekend.

    Voorbeeld b:
    Een per 1 augustus 2009 gestarte school in een Vinex-locatie heeft op de teldatum 1 oktober 2009 (die in de plaats komt van 1 oktober 2008):
    –   leerlingen van 4 t/m 7 jaar:        30
    –   leerlingen van 8 jaar en ouder : 10
    –   totaal plus 3%, afgerond naar beneden op een geheel getal: 41 leerlingen

    De school groeit in het schooljaar 2009-2010 en heeft op 1 november 2009 in totaal 139 leerlingen. Dat is 98 leerlingen meer dan 41 leerlingen op 1 oktober.

    De school ontvangt aanvullende bekostiging waarbij tegelijkertijd sprake is van de correctiekorting tot het aantal van 139 leerlingen:

    ((2.685,28 * (139 – 41)) – (799,52 * (139 – 41)) = EUR 184.804,48 op jaarbasis.
    Per maand is het EUR 15.400,37 vanaf 1 november 2009 en in het schooljaar wordt in totaal EUR 138.603,36 toegekend.

    Later in het jaar vindt opnieuw een groei plaats en dit leidt tot de telling op 1 april 2010:
    –   leerlingen van 4 t/m 7 jaar:        77
    –   leerlingen van 8 jaar en ouder : 76
    –   totaal aantal: 153 leerlingen

    Dit is 14 leerlingen meer dan de laatste groeitelling op 1 november van 139 leerlingen.

    De school ontvangt aanvullende bekostiging waarbij tegelijkertijd sprake is van de correctiekorting tot het aantal van maximaal 148 leerlingen:
    ((2.685,28 * (153 – 139)) – (799,52 * (148 – 139)) = EUR 30.398,24 op jaarbasis.

    Per maand is het EUR 2.533,19 vanaf 1 april 2010 en in het schooljaar wordt in totaal EUR 10.132,75 toegekend.

    Later in het jaar vindt opnieuw een groei plaats en dit leidt tot de telling op 1 mei 2010:
    –   leerlingen van 4 t/m 7 jaar:        100
    –   leerlingen van 8 jaar en ouder : 100
    –   totaal aantal: 200 leerlingen

    Dit is 47 leerlingen meer dan de laatste groeitelling op 1 april 2010 van 153 leerlingen, dus boven de drempel voor de bijzondere groeibekostiging.

    De school ontvangt aanvullende bekostiging van:

    ((2.685,28 * (200 – 153)) = EUR 126.208,16 op jaarbasis.

    Per maand is het EUR 10.517,35 vanaf 1 mei 2010 en in het schooljaar wordt in totaal EUR 31.552,04 toegekend.

     

  • Wat is de korting op kleine scholen bij groei?

    Wanneer de school kleiner is dan 145 leerlingen vindt er een korting plaats op de groeiregeling als correctie op de kleinescholentoeslag die al is toegekend voor het lagere aantal leerlingen. Deze korting bedraagt 2,60 fre per groeileerling beneden de 148 leerlingen (deze verhoging van 145 naar 148 hangt samen met de doorwerking van de 3% regeling)
    en dit is in fte: 2,60/179 = 0,0145 fte per betreffende leerling (rekenkundig afgerond op vier cijfers achter de komma).

    Is er sprake van het opnieuw toepassen van de groeiregeling, dan zorgt de doorwerking van de 3% opslag voor een aanpassing van het aantal leerlingen van de school, die te maken
    krijgt met de korting. In dat geval vindt de korting plaats wanneer de school kleiner is dan 148 leerlingen.

    De korting werkt dan door tot het maximale aantal leerlingen van 148 leerlingen en boven dat aantal vindt geen korting meer plaats.

    Bij de groeiregeling wordt voor de berekening van het bedrag uitgegaan van de landelijke GPL (met de landelijke gemiddelde leeftijd).
    Met de landelijke GPL voor het schooljaar 2009-2010 (gepubliceerd op 16 april 2009) van EUR 55.139,04 wordt de toekenning: EUR 2.685,28 per leerling.

    De correctie blijft gelden voor een school met minder dan 145 leerlingen, dan wel als de groeiregeling reeds eerder is toegepast, voor een school met minder dan 148 leerlingen. Dan geldt als aftrek
    EUR 799,52 per groeileerling tot het aantal van 148 leerlingen is bereikt.

    Uiteraard moeten de bedragen nog gecorrigeerd worden voor het gedeelte van het schooljaar waarop het betrekking heeft. Voor bijvoorbeeld 5 maanden geldt de toekenning van 5/12e deel van het jaarbedrag.

     

  • Hoe ziet de groeiregeling er onder de lumpsum uit?

    De groeiregeling voor basisscholen is omgezet naar de lumpsumbekostiging. De essentie
    van de regeling is gelijk gebleven, alleen wordt nu niet meer in fre's gerekend, maar in geld.
    De groeiregeling voor de invoering van de lumpsum ging uit van de toekenning van 8,72 fre per leerling (groepsformatie 8,28 fre, plus taakrealisatie 0,44 fre). Omgerekend in fulltime eenheden (functie schaal LA) wordt dit 0,0487 fte per leerling, rekenkundig afgerond op vier cijfers achter de komma.
    Deze groeiregeling geldt wanneer het aantal leerlingen op de eerste dag van de maand met tenminste 13 is toegenomen ten opzichte van het aantal leerlingen op de teldatum, verhoogd met 3% en afgerond op een geheel getal naar beneden.

    Na deze eerste keer groei kan er opnieuw sprake zijn van groei en toepassing van de groeiregeling, en dan geldt dat het aantal leerlingen tenminste 13 leerlingen hoger moet zijn dan het aantal leerlingen op grond waarvan de laatste keer de groeiregeling is toegepast.

  • Wat is de omvang van de groeiformatie per leerling?

    De omvang van de aanvullende groeibekostiging bedraagt een bedrag per leerling. Dit is opgenomen in de “Regeling bekostiging personeel PO 2009-2010 en aanpassing bedragen leerlingengebonden budget VO 2009-2010. Voor 2009 is dit vastgesteld op EUR 2.685,28 per leerling (circulaire van 16 april 2009). Indien er een bijstelling van deze regeling plaatsvindt, zal dit bedrag, dat is afgeleid van de GPL ook aangepast worden. Voor scholen die recht hebben op de kleinescholentoeslag of zeerkleinescholentoeslag vindt er een korting plaats van EUR 799,52 per leerling.
    In bovenstaand voorbeeld gaat het om extra groeiformatie van 15 leerlingen x EUR 2.685,28 =
    EUR 40.279,20 voor het gehele schooljaar 2009-2010.
    Voor de groeiregeling maakt het niet uit of er sprake is van een nevenvestiging. Er wordt gerekend met het aantal leerlingen van de gehele school.
    Voor het maken van berekeningen van groeiformatie kunt u gebruik maken van de toolbox van de PO-Raad (http://www.poraad.nl/)  onder berekening(bijzondere) groeibekostiging 2009/2010.
     

  • Van welk leerlingenaantal moet ik uitgaan als ik voor de tweede keer recht heb op groeiformatie?

    Dan dient uitgegaan te worden van het leerlingenaantal van het vorige groeimoment. Zonder dus rekening te houden met een verhoging van 3%.

  • Kan ook na 1 april nog sprake zijn van een groeitelling?

    Ja. 1 april is de laatste normale groeiteldatum. Dan kan nog gewerkt worden met 13 leerlingen meer in vergelijking tot de teldatum 1 oktober van het vorig schooljaar, die verhoogd moet worden met 3% en naar beneden afgerond wordt op een geheel getal.

    Een werkgever kan gebruik maken van de bijzondere groeiregeling, zoals vermeld staat in artikel 29 en 30 van het Besluit Bekostiging WPO, als:

    a.     het aantal leerlingen van die school op 1 mei van een schooljaar met tenminste 26 is toegenomen t.o.v. het aantal leerlingen op 1 april van dat schooljaar; of

    b.    het aantal leerlingen van die school op 1 juni van een schooljaar met tenminste 26 is toegenomen t.o.v. het aantal leerlingen op 1 april van dat schooljaar en geen aanvullende bekostiging op grond van  bovenstaand  lid a. is toegekend; of

    c.     het aantal leerlingen van die school op 1 juni van een schooljaar met tenminste 26 is toegenomen t.o.v. het aantal leerlingen op 1 mei van dat schooljaar.

    De melding van deze tussentijdse bijzondere groei dient via formulier CFI 59074 bij CFI aangevraagd te worden binnen 4 weken na de gekozen teldatum.

  • Mag ik zelf de datum bepalen waarop ik de groeiregeling aanvraag?

    Nee, dit mag sinds 1 augustus 2007 niet meer. Als u op 12 januari bijvoorbeeld meer leerlingen heeft dan op 1 februari, dient u toch naar 1 februari te kijken. U heeft recht op aanvullende bekostiging vanaf de eerste dag van de maand, dus 1 februari. Denk wel aan het tijdig inzenden. U moet uw formulier dan binnen 4 weken na 1 februari insturen.

  • Op de 1e schooldag heb ik recht op de groeiregeling. Vanaf wanneer kom ik in aanmerking voor aanvullende formatie?

    U krijgt aanvullende bekostiging met ingang van 1 augustus. Ook als de eerste schooldag pas 7 september is, dient u alle ingeschreven leerlingen op 7 september te tellen om in aanmerking te komen voor aanvullende bekostiging vanaf 1 augustus. U kunt op de eerste schooldag een verzoek om aanvullende bekostiging indienen. Valt de eerste schooldag in september, dan vervalt de mogelijkheid om 1 september als teldatum te hanteren.

    U dient  telformulier CFI 59074 z.s.m. op te sturen, maar dit dient binnen 4 weken na deze datum door CFI ontvangen te zijn. Andere groeidata zijn altijd de eerste van de maand in de periode 1 september (als de eerste schooldag in augustus was) tot en met 1 april. Op de eerste dag van de maand dient geteld te worden. Valt deze dag in het weekend, dan dient men op de maandag te tellen. Dus indien de school op 9 november 2009 zou voldoen aan de groeiregeling, dan mag er niet op 9 november 2009 gekeken worden, maar pas op 1 december 2009. Voldoet men op dat moment niet, dan heeft men geen recht op de groeiregeling. Voldoet men op 1 december wel, dan gaat de aanvullende bekostiging in op 1 december 2009.

  • Hoe meld ik mijn recht op de groeiregeling?

    Door middel van het formulier CFI 59074 (te downloaden vanaf de website: www.cfi.nl) , telformulier voor aanvullende bekostiging in verband met (bijzondere) groei voor basisscholen.
    Het telformulier moet binnen vier weken na de eerste van de maand van de groeidatum worden ingediend.