Heb je zicht op de onderdelen van het personeelsbeleid? In de onderstaande dossiers kom je meer te weten over de verschillende onderdelen, zoals het ouderschapsverlof, de CAO, verzuim, werving en selectie, diverse regelingen et cetera.
Relevante onderwerpen
De zomervakantie heeft effect gehad op de formatie: 83 procent van de schoolleiders zegt dat de formatie voor dit schooljaar inmiddels compleet is. Een flinke verbetering ten opzichte van juni, toen nog 42 procent van de scholen vacatures had openstaan. Dit blijkt uit de eerste resultaten van de tweede formatiepeiling van AVS onder 308 schoolleiders. Toch is de vlag nog niet uit. Bijna één op de zes scholen zoekt nog altijd personeel en veel schoolleiders merken weinig...
Bijna een kwart van de schoolleiders verwacht het onderwijs komend schooljaar anders te moeten organiseren vanwege personeelstekorten. Dat blijkt uit de AVS formatiepeiling van juni 2026 die door 375 schoolleiders werd ingevuld. De meest genoemde oplossing is het inzetten van andere professionals naast de leerkracht. Maar liefst 73 procent noemt onderwijsassistenten, leraarondersteuners of andere ondersteunende functies als onderdeel van de oplossing. Daarnaast worden unitonderwijs,...
Het tekort aan schoolleiders in het primair onderwijs blijft groeien. Nieuwe instroom is hard nodig. Zij-instromers van buiten het onderwijs kunnen daarbij een belangrijke rol spelen, blijkt uit nieuw onderzoek van CAOP en Centerdata. Maar dan moeten schoolbesturen wel bereid zijn hun deuren verder open te zetten én investeren in goede begeleiding. In opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap onderzochten CAOP en Centerdata de ervaringen van zij-instromende...
Ja!
Artikel 7.5 van de CAO PO schrijft voor dat je als werkgever je werknemers de mogelijkheid biedt deel te nemen aan een fiscale fietsprivéregeling. Je kunt ook een leasefietsregeling aanbieden, maar daar kies je als werkgever dan zelf voor.
Werknemers moeten wel opletten als je een leasefietsregeling aanbiedt en zij daar gebruik van willen maken: ze kunnen niet meer deelnemen aan de fietsprivéregeling, en hun vergoeding voor woon-werkverkeer vervalt.
Het antwoord op deze vraag is geactualiseerd op 19 november 2025
Een startende leraar is een leraar die zijn of haar bevoegdheid heeft behaald, en minder dan drie jaar werkzaam is als leraar in het primair onderwijs (artikel 9.5 lid 1 CAO PO). Dit geldt voor alle leraren, dus ook voor zij-instromers.
– Besturen dienen beleid te maken (instemmingsbevoegdheid PGMR) met betrekking tot de begeleiding van startende leraren (en schoolleiders) (artikel 9.5 lid 2 CAO PO).
– Een startende leraar (en schoolleider) heeft recht op een coach. Dit mag niet de direct leidinggevende zijn (artikel 9.5 lid 3 CAO PO).
– Startende leraren beschikken over een extra PDI-budget van 40 uur (naar rato van de werktijdfactor) (artikel 9.5 lid 4 CAO PO). Dit noemen we het inductiebudget. Dit is een persoonlijk budget en kan dus niet ingezet worden door het bestuur. Schoolleider en startende leraar maken hierover in overleg afspraken (artikel 9.5 lid 5 CAO PO).
Het antwoord op deze vraag is geactualiseerd op 30 oktober 2025
Artikel 9.5 lid 4 van de CAO PO schrijft voor dat startende leraren bovenop het PDI-budget een extra budget krijgen van 40 uur per jaar (deeltijders naar rato). Dit budget noemen we het inductiebudget. De startende leraar maakt afspraken met jou als leidinggevende over de inzet van het inductiebudget (lid 5). Het is de bedoeling dat de regie bij de startende leraar ligt (binnen de grenzen van wat mogelijk is).
Een starter is een leraar die minder dan drie jaar werkzaam is als leraar in het primair onderwijs (lid 1). Een starter kan iemand zijn die van de pabo komt, maar het kan ook een zij-instromer zijn.
Het bestuur stelt met instemming van de PGMR het beleid vast over de begeleiding van starters en de daarbij te bereiken doelen en in te zetten instrumenten (lid 2). Een startende leraar heeft recht op een coach (lid 3). Het inductiebudget wordt niet ingezet voor het uitvoeren van dit beleid maar draagt wel bij aan het behalen van de doelen ervan. Het inductiebudget is een persoonlijk budget. Het bijzonder budget voor startende leerkrachten kan niet gespaard worden of ingezet worden voor vrij opneembaar verlof.
Het antwoord op deze vraag is geactualiseerd op 28 oktober 2025
Artikel 7.5 CAO PO schrijft voor dat je als werkgever je werknemers in de gelegenheid stelt om deel te nemen aan een fiscale fietsprivéregeling. Je kunt je werknemer op vrijwillige basis ook een leasefietsregeling aanbieden.
Meer informatie vind je:
– op de website van de Rijksoverheid
– op de website van de Belastingdienst (handige informatie voor je werknemer)
– op de website van het Ondernemersplein van de Overheid
Het antwoord op deze vraag is geactualiseerd op 20 oktober 2025
Nee, niet meer.
Sinds 2019 ben je niet meer verplicht om een EHBO-toelage te verstrekken. Echter, EHBO’ers die een toelage ontvangen, behouden die. De toelage hoeft niet geïndexeerd te worden en werkt door in alle grondslagen (uitgezonderd de structurele eindejaarsuitkering – zie tabel op pagina 203 van de CAO PO pdf). De toelichting op artikel 11.5 lid 3b aan geeft aan dat er voor nieuwe EHBO’ers en/ of bedrijfshulpverleners (bhv’ers), via de P(G)MR, voor je werknemers afspraken moet maken over de facilitering (een toelage kán daarbij van toepassing zijn).
Kijk voor meer informatie bij artikel 11.5 van de CAO PO (Veiligheid en het voorkomen van seksuele intimidatie, racisme, agressie en geweld). Of bel de AVS Helpdesk (gratis, alleen voor leden).
Het antwoord op deze vraag is geactualiseerd op 20 oktober 2025
Regelmatig komen er bij de helpdesk vragen over de bekwaamheidseisen van het onderwijspersoneel. Het ministerie van onderwijs heeft in 2017 de bekwaamheidseisen onderwijspersoneel vastgesteld en heeft ze in 2022 aangepast en opnieuw vastgelegd in het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel (nieuwe versie). Deze bekwaamheidseisen vervangen de eisen uit 2006.
In dit besluit zijn de eisen vastgelegd met betrekking tot de competenties. Ze gelden voor alle leraren in het primair en voortgezet onderwijs (po en vo) als ook voor docenten op het middelbaar beroepsonderwijs (mbo). Ze beschrijven wat leraren minimaal moeten weten en kunnen. De eisen zijn opgesteld door lerarencommissies en beschrijven wat ervoor nodig is om leraar te zijn. Ze dienen als ijkpunten voor de opleiding en bekwaamheidsonderhoud van leraren. De competenties zijn ondergebracht in de drie hoofdthema’s: vakinhoudelijk, vakdidactisch en pedagogisch. Daaronder worden de bekwaamheden beschreven: algemeen, kunde en kennis.
Naast de algemene bekwaamheden staan er specifieke aanvullingen in voor bijvoorbeeld leraar primair onderwijs en de leraar voortgezet onderwijs, en voor de docent in het beroepsgericht onderwijs. De pedagogische en vakdidactische bekwaamheidseisen gelden tevens voor leraren godsdienstig en humanistisch vormingsonderwijs (gvo en hvo). Voor die laatsten geldt een overgangsrecht. Docenten die vóór de inwerkingtreding van het besluit in 2017 al waren benoemd als leraar gvo/hvo, worden aangemerkt als vakbekwaam. Zij moeten die bekwaamheid wel onderhouden. Voor leraren gvo/hvo die na het ingaan van het besluit zijn benoemd, geldt dat zij uiterlijk in augustus 2022 dienden te voldoen aan de bekwaamheidseisen.
Bij de werving van nieuw personeel mogen scholen alleen leraren benoemen die aan de nieuwe bekwaamheidseisen voldoen. Naast deze eisen mag de school nog aanvullende eisen stellen (bijvoorbeeld een montessoridiploma). Leraren die niet aan alle eisen voldoen, moeten de gelegenheid krijgen om deze aan te leren. De school maakt hierover afspraken met de leraar.
Op de meeste basisscholen en scholen voor speciaal (basis)onderwijs lukt het steeds moeilijker om de vaste formatie rond te krijgen. De rek is eruit. Dit levert ook veel problemen op als er onverwachts leraren uitvallen. Schoolleiders en besturen zijn dagelijks op zoek naar oplossingen.
Dat leidt steeds vaker tot vragen – ook aan de AVS Helpdesk – over welke oplossingen toegestaan zijn. Om antwoord te geven op veelgestelde vragen en om handvatten te bieden, hebben het ministerie van OCW en de Inspectie een handreiking opgesteld. De Handreiking Lerarentekort primair onderwijs (te downloaden via onderstaande link) biedt niet de oplossing voor het lerarentekort. Het is voor schoolleiders en besturen in het primair onderwijs een hulpmiddel bij het maken van keuzes als de nood hoog is en er tijdelijke maatregelen moeten worden genomen. Daarbij zoeken scholen altijd eerst naar oplossingen binnen de wet. De veiligheid van leerlingen, personeel en de kwaliteit van het onderwijs zijn daarbij het uitgangspunt.
Meer weten?
• Download: Handreiking Lerarentekort primair onderwijs
• Eisen aan bekwaamheid: Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel 2022
Het antwoord op deze vraag is geactualiseerd op 31 juli 2025
Interessant?
Dit artikel stond in KADER , het vakblad voor schoolleiders, dat AVS-leden exclusief ontvangen. Wil jij KADER ook op de deurmat hebben? Word lid of abonnee, ontvang voortaan een kersvers exemplaar in de brievenbus en versterk de positie van schoolleiders.
In de nieuwe CAO PO 2024-2025 is opgenomen dat je werkgever (het bestuur) verplicht is vóór 1 juli 2025 het functiegebouw te actualiseren; het betreft de functies (adjunct-)directeur, gedragswetenschapper en logopedist. Je werkgever onderzoekt of nieuwe functiebeschrijvingen nodig zijn en doet dat door de professionele dialoog te voeren met de directeuren (logopedisten, gedragswetenschappers). Zo ja, dan besluit je werkgever welke functiebeschrijvingen hij voortaan hanteert. Als basis (of beter: inspiratie) hiervoor kan je werkgever de voorbeeldfunctiebeschrijvingen gebruiken die de sociale partners hebben vastgesteld. Als jij (als werknemer) in een hogere schaal komt, vindt de inschaling (eventueel met terugwerkende kracht) per 1 januari 2025 plaats.
Wat kun je zelf doen om te bepalen of jouw functiebeschrijving aangepast moet worden?
De procedure die je hierbij kunt volgen:
– Bepaal welke taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden door jouw werkgever zijn opgedragen en je dus moet uitvoeren.
– Neem de bestaande functiebeschrijving erbij en check deze op de opgedragen taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Uitgangspunt hierbij is: wat doe je wel, wat doe je niet? Pas aan waar nodig.
– Streef naar een beleidsrijke functiebeschrijving die recht doet aan de betreffende functie!
– Zorg voor congruentie met het managementstatuut! Zie ook artikel 31 WPO!
Er zijn nu twee scenario’s mogelijk:
1. De huidige functiebeschrijving dekt nog steeds de lading. Weet dat ook in dat geval de functiebeschrijvingen voor (adjunct-)directeuren (logopedisten, gedragswetenschappers) opnieuw moeten worden gewaardeerd op basis van de vernieuwde kenmerkscores uit FUWA PO 2024. Let goed op of deze stap door het bestuur wel wordt gezet! Daarna stelt de PGMR het functiegebouw opnieuw vast (let wel: dit is iets wat jaarlijks moet gebeuren, zie artikel 5.1 lid 2 CAO PO).
2. De huidige functiebeschrijving voldoet niet meer en wordt aangepast, waarna deze wordt gewaardeerd. Voor het opnemen van wijzigingen in de functiebeschrijving moet je gebruik maken van een door Stichting Personeelsinstrument Onderwijs gecertificeerde adviseur (voor meer informatie plus het register van gecertificeerde adviseurs: zie https://spo3.nl/). Het functiegebouw op bestuursniveau vereist instemming van de PGMR. Dit betreft het geheel aan functies naar soort en niveau (artikel 5.1 lid 2 CAO PO). Artikel 12 lid 1 sub i WMS schrijft voor dat bij vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot functiedifferentiatie instemming van de PGMR nodig is. Dit is echter dubbelop, omdat dit ook in de cao po is geregeld, middels instemming op het functiegebouw.
(Mede)zeggenschap van directeuren en de rol van de PGMR
Het is zo belangrijk dat werkgevers en werknemers, in dit geval jij en je bestuurder, met elkaar het goede gesprek voeren en dat jullie streven naar beleidsrijke functiebeschrijvingen die recht doen aan de functie. De voorbeeldfunctiebeschrijvingen zijn in feite precies wat ze zijn: voorbeelden, ter inspiratie.
Je zit als directeur zelden in de PGMR, hoewel jijzelf wel degelijk een werknemer bent. Wat jouw positie ingewikkeld maakt, is dat je gemandateerd bent om werkgeverstaken uit te voeren. Het verdient daarom aanbeveling dat de PGMR overleg voert met (een delegatie van) de directeur(en) en pas instemt met de nieuwe functiebeschrijvingen als de directeuren zijn gehoord!
Dat laatste geldt uiteraard ook voor de eventueel aangepaste functiebeschrijvingen van de gedragswetenschapper en de logopedist.
Op grond van de CAO PO is de werkgever (het bestuur) verplicht om voor 1 juli 2025 zijn functiegebouw te actualiseren voor de functies in de categorieën directie, gedragswetenschapper en logopedist.
Overleg
De werkgever moet overwegen of er nieuwe functiebeschrijvingen nodig zijn. Om dat te kunnen bepalen, is in elk geval overleg nodig met de betreffende functiegroepen. Hoe kijken bestuur en directeuren (logopedisten, gedragswetenschappers) aan tegen hun huidige functiebeschrijvingen? Dekken die alle structurele en substantiële werkzaamheden, bevoegdheden en verantwoordelijkheden? Zijn ze beleidsrijk beschreven? De cao-partners hebben voorbeeld functiebeschrijvingen ontwikkeld en daar volledig geactualiseerde leeswijzers bij opgesteld. Laat je daar in elk geval door inspireren – maar niet beperken!
Of dat alles nu bij het oude blijft, of dat er geheel nieuwe functiebeschrijvingen voortkomen uit het overleg van het bestuur met de directeuren (logopedisten, gedragswetenschappers), of dat iedereen zich kan vinden in de voorbeeld functiebeschrijvingen van de cao-partners – een volgende stap is de correcte beschrijving opstellen en die uiteindelijk voorleggen aan een SPO-gecertificeerde adviseur, die de functiebeschrijvingen zal waarderen. Aan alle onderdelen van de nieuwe functiebeschrijving hangt de SPO-gecertificeerde adviseur een score; het totaal daarvan levert de zogenaamde somscore op en die bepaalt aan welke salarisschaal de functie wordt gekoppeld.
Medezeggenschap
Niet de Wet medezeggenschap scholen maar artikel 5.1 lid 2 CAO PO geeft de PGMR instemmingsbevoegdheid over het functiehuis.
De PGMR doet er goed aan de achterban te raadplegen voordat hij overgaat tot het verlenen van instemming met de (nieuwe) functiebeschrijvingen. En als de PGMR dat niet lijkt te gaan doen, trek dan zelf aan de bel en meld dat je overleg wilt. Zeker als je als directeur (logopedist, gedragswetenschapper) niet tevreden bent met de uitkomsten van het proces, is het belangrijk de PGMR hierover te informeren, zodat die uiteindelijk goed geïnformeerd zijn eigen afweging kan maken.
Het komt bijna niet voor dat (adjunct-)directeuren (logopedisten, gedragswetenschappers) in de GMR zitting nemen. Door jou erbij te betrekken, neemt de PGMR jouw visie mee in zijn besluit om al dan niet in te stemmen met de (aangepaste) functiebeschrijvingen.
Bezwaar maken
Als de PGMR instemt met het besluit van het bestuur over de (nieuwe) functiebeschrijvingen en je bent het toch niet mee eens met jouw functiebeschrijving en/of -waardering, dan kun je bezwaar maken.
Intern bezwaar maken
Heeft het bestuur een interne bezwarencommissie, dan dien je het bezwaar daar in te dienen. Het bezwaar bij de interne bezwarencommissie moet je indienen binnen de termijn die het reglement voorstelt, meestal is dit binnen zes weken te rekenen vanaf de dag dat het besluit is ontvangen. Een voorbeeldreglement voor een interne bezwarenprocedure is opgenomen in Bijlage V van de CAO PO, maar een bestuur heeft altijd een eigen reglement.
De interne bezwarencommissie brengt een advies uit aan de werkgever op basis waarvan de werkgever een nieuw besluit neemt. Jij (of de logopedist of gedragswetenschapper) kan na het doorlopen van de interne bezwarenprocedure tegen het besluit dat het bestuur neemt naar aanleiding van het door de interne bezwarencommissie gegeven advies nog in bezwaar gaan bij de externe bezwarencommissie.
Extern bezwaar maken
Als er binnen het bestuur geen interne bezwarencommissie is ingesteld, dan kan je direct bij de externe bezwarencommissie terecht.
Een werkgever is in ieder geval verplicht aangesloten bij een landelijke externe bezwarencommissie, waarbij jij (of de logopedist of gedragswetenschapper) je bezwaar kan indienen.
Je moet het bezwaar bij de externe bezwarencommissie binnen zes weken indienen, gerekend vanaf de dag na de dag waarop het besluit waartegen je bezwaar wil maken is verzonden of uitgereikt. Als je binnen deze zes weken geen bezwaar maakt, dan staan de beschrijving en waardering vast.
Als je bezwaar hebt gemaakt bij de bezwarencommissie, krijgt de werkgever de gelegenheid hierop schriftelijk te reageren. Daarna vindt een hoorzitting bij de bezwarencommissie plaats.
Tijdens de hoorzitting kunnen jij (als werknemer) en je bestuur (als werkgever) nog een toelichting geven op jullie standpunten en zal de commissie vragen stellen om een goed beeld van het geschil te krijgen. De commissie toetst of de werkgever in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen waartegen het bezwaar is gericht.
De externe bezwarencommissie geeft een advies dat bindend is voor je werkgever en voor jou. Op basis van dit advies neemt de werkgever dan een nieuw besluit. Leden van AVS kunnen advies krijgen en bij bezwaar ook juridische ondersteuning. Neem contact op met de AVS Helpdesk!
Een leraar is een startende leerkracht gedurende de eerste drie jaren dat hij/zij werkzaam is in het onderwijs (artikel 9.5 lid 1 CAO PO).
Elke schoolorganisatie stelt met instemming van de PGMR beleid vast over de begeleiding van starters en de daarbij te bereiken doelen en in te zetten instrumenten (artikel 9.5 lid 2 CAO PO).
Elke medewerker, dus ook een startende leraar, heeft recht op een budget voor professionalisering en duurzame inzetbaarheid (PDI-budget) van 123 uur per jaar (naar rato van de werktijdfactor) (artikel 9.4 CAO PO).
Een startende leerkracht krijgt jaarlijks 40 uur extra (naar rato van de werktijdfactor) (artikel 9.5 lid 4 CAO PO). Deze extra tijd is vaak nodig omdat er veel op een startende leerkracht afkomt en hij/zij gewoon wat extra tijd nodig heeft om alles voor mekaar te krijgen. De startende leraar maakt afspraken met jou als zijn/haar leidinggevende over de inzet van het zgn. inductiebudget (artikel 9.5 lid 5 CAO PO).
Naast een extra budget heeft elke startende leraar recht op begeleiding door een coach. Belangrijk: de coach mag geen direct leidinggevende zijn (artikel 9.5 lid 3 CAO PO).
Met ingang van 1 juli 2024 volstaat de VOG-kinderopvang voor medewerkers die én in de kinderopvang én in het primair onderwijs werken.
De basisschool moet er wel mee akkoord gaan dat de werknemer alleen een VOG-kinderopvang heeft en dus geen aparte VOG voor het primair onderwijs. Het staat scholen overigens vrij om hierin een eigen afweging te maken. De VOG-kinderopvang mag bij aanvang van het werk in het primair onderwijs niet ouder zijn dan zes maanden. Voor overblijfkrachten mag de VOG-kinderopvang bij aanvang van het werk niet ouder zijn dan twee maanden.
Iedereen die in het onderwijs (en de kinderopvang) werkt, moet bij indiensttreding een actuele verklaring omtrent het gedrag (VOG) overleggen. Dit is wettelijk verplicht (artikel 5.1 Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel; artikel 3 lid 1 sub a WPO & WEC, artikel 32 lid 2 sub 1o WPO & WEC en artikel 7.3 lid 1 WVO2020 ). De VOG mag niet ouder dan zes maanden zijn. En een kopie is geen geldige VOG!
De VOG kun je al tijdens de sollicitatieprocedure vragen zodat je kunt nagaan of een persoon in aanraking is geweest met Justitie wegens het plegen van een strafbaar feit. In het onderwijs wordt specifiek gelet op veroordelingen voor zedenmisdrijven en andere strafbare feiten die de uitoefening van een functie in het onderwijs belemmeren.
– leerkrachten
– (adjunct-)directeuren en (con-)rectoren
– onderwijsondersteunend personeel
– externe leerkrachten (bijvoorbeeld gedetacheerd of werkzaam via een uitzendbureau) en (adjunct-)directeuren
– externe onderwijsondersteunende functionarissen (bijvoorbeeld schoonmakers)
– leerkrachten in opleiding (LIO’s) en onderwijsassistenten in opleiding, die met een leerarbeidsovereenkomst als werknemer zijn benoemd
-overblijfmedewerkers (TSO, primair onderwijs), onder wie ook vrijwilligers
Sinds 1 januari 2025 is er een extra artikel opgenomen in de WPO (artikel 34b), de WEC (artikel 34b) en de WVO2020 (artikel 7.3.a) voor medewerkers die voor een particuliere onderwijsaanbieder op jouw school actief zijn in het onderwijsleerproces. Ook zij moeten een VOG voorleggen en die moet je bewaren in hun dossier gedurende het hele schooljaar (vervolgens mag je de VOG verwijderen). Dit geldt met name als deze medewerker werkt
– in het schoolgebouw tijdens of aansluitend op de onderwijstijd; of
– onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag.
Het gaat bijvoorbeeld om externe medewerkers die bijles geven, huiswerkbegeleiding doen, toets- of examentraining geven, extra ondersteuning bieden bij specifieke leerbehoeften en studievaardighedentraining geven.
Stagiairs (die niet met een leer-arbeidsovereenkomst als werknemer in dienst zijn) zijn vooralsnog niet verplicht een VOG voor te leggen. Je kunt wel zelf een VOG vragen aan stagiairs. Check bij je bestuur of hier beleid voor is!
Voor bestuurders en vrijwilligers – zoals hulpouders – geldt vooralsnog geen VOG-verplichting (uitzondering: TSO-medewerkers). Wil jij als directeur dat ook ouders die structureel vrijwilligerswerk doen op school, een VOG voorleggen? Op zich is dat niet vreemd… Stem dit wel goed af met je bestuur. Een bestuur heeft de keuze om hier zelf beleid op te maken.
Als werkgever zet je zelf een aanvraag VOG bij de dienst Justis klaar. Meer informatie vind je hier. Aan de aanvraag zijn kosten verbonden en die moet de werkgever vergoeden (artikel 3.1 lid 7 CAO PO).
Als werkgever moet je een VOG altijd op echtheid controleren: dit geldt zowel voor de digitale als de originele variant. Je bent echter niet verplicht om de originele VOG te bewaren; je kunt volstaan met een afschrift (digitaal) te bewaren. Wij adviseren om deze kopie te dateren, te voorzien van een handtekening en van de tekst “origineel gezien” (of “echtheid gevalideerd” in geval van een digitale variant).
Een Verklaring omtrent gedrag (VOG) is in beginsel niet verplicht voor vrijwilligers, met uitzondering van vrijwillige medewerkers die toezicht houden tijdens tussenschoolse opvang (TSO) waarvoor wel een VOG nodig is. Het maakt daarbij niet uit of de vrijwilliger slechts incidenteel of periodiek op de school is. De VOG van een TSO-medewerker mag niet ouder zijn dan twee maanden.
N.B. Een bestuur kan overigens altijd zelf bepalen of zij van vrijwilligers toch een VOG eisen, maar dit is niet wettelijk verplicht.
Er zijn twee websites die waardevolle informatie geven met betrekking tot de Verklaring omtrent gedrag (VOG) in het onderwijs.
Een vervangingspool is een pool van medewerkers (doorgaans leraren) die ingezet worden om afwezig personeel te vervangen. De medewerkers hebben een aanstelling in de vervangingspool. In de praktijk zijn ze vaak verbonden aan een moederschool: de school waar ze naartoe moeten als er geen vervangingswerk is.
Een vervangingspool kan op drie manieren worden opgezet:
In het eerste geval, een vervangingspool voor eigen rekening, stelt de werkgever zelf de beleidsregels op, na instemming van de PGMR (artikel 12 lid 1 sub k WMS).
In het tweede en derde geval kan de werkgever een vervangingspool aanvragen bij het Vervangingsfonds conform artikel 15 van het Reglement Vervangingsfonds Reglement Vervangingsfonds (zie website Vervangingsfonds voor de meest actuele versie van het reglement). Ook hiervoor zal de PGMR instemming moeten verlenen.
Werkgever:
Werknemer:
Als je eigenrisicodrager bent, bepaal je alles zelf. Werk je samen met het Vervangingsfonds, dan gelden onderstaande regels.
– De ingangsdatum van een vervangingspool is 1 januari volgend op het jaar waarin de vervangingspool is aangevraagd. De aanvraag voor een vervangingspool moet uiterlijk 31 oktober door het Vervangingsfonds zijn ontvangen. Het Vervangingsfonds beslist binnen 8 weken op de aanvraag. De vervangingspool wordt voor onbepaalde tijd verleend.
– Het bevoegd gezag kan de vervangingspool schriftelijk opzeggen. Deze opzegging moet uiterlijk op 31 oktober door het Vervangingsfonds zijn ontvangen. Op de daaropvolgende 1 januari wordt de vervangingspool opgeheven.
In het onderwijs kan een assessment drie doelen dienen.
1. Het eerste doel is beter zicht te krijgen op jouw competenties en jouw functioneren bij een eerste aanstelling of benoeming. Zulk assessment wordt ook wel een selectie-assessment genoemd.
2. De tweede vorm is het ontwikkelassessment. Het kan gebruikt worden om beter of opnieuw zicht te krijgen op jouw ontwikkeling en jouw ontwikkelpunten.
3. Een assessment kan ook ingezet worden voor loopbaanoriëntatie.
Een assessment wordt meestal in opdracht van het bestuur uitgevoerd door een extern bureau met geregistreerde psychologen. Volgens de beroepsvereniging van psychologen, het NIP, heb je recht op onder andere:
– nabespreking van je onderzoek;
– het inzien van je rapport voordat het wordt verstuurd;
– de mogelijkheid je rapport te blokkeren.
Deelnemen aan een assessment is niet verplicht, maar een assessment weigeren is wel een hachelijke zaak want dat roept altijd twijfel op bij je bestuurder. Bij een selectie-assessment is weigeren zeker niet aan te bevelen. De kans is groot dat het bestuur de procedure stopzet en een andere kandidaat kiest. Als een assessment onderdeel is van de sollicitatieprocedure, wordt dat – als het goed is – in de advertentie genoemd.
Bij een ontwikkelassessment moet je goed afstemmen met welk doel het wordt afgenomen. In feite dient een ontwikkelassessment in de eerste plaats om, bij aanvang van een opleiding, vast te stellen waar je ontwikkelpunten liggen (en wat je al beheerst).
Voor je eigen ontwikkeling is het een bruikbaar hulpmiddel. Het assessment vindt dan plaats met wederzijdse instemming en vanuit vertrouwen. Het wordt twijfelachtig als een assessment wordt ingezet omdat de bestuurder je functioneren in twijfel trekt. In feite hoort een assessment niet thuis in de gesprekkencyclus. Na (!) een negatieve beoordeling kan een assessment eventueel wel worden ingezet om input te leveren voor een verbeterplan.
De rapportage van een assessment kan alleen naar het bestuur als jij daar toestemming voor geeft. In de beroepscode voor psychologen is de geheimhoudingsverplichting opgenomen. Jij krijgt als eerste het rapport en je geeft daarna al dan niet toestemming voor verdere communicatie. De opdrachtgever, meestal het bestuur, kan de rapportage niet opeisen. Voor het niet delen van de rapportage geldt het zelfde als voor weigeren aan deelname: het zal je niet in dank worden afgenomen.
In alle andere gevallen is een assessment volgens AVS onwenselijk. Besturen kijken daar soms anders tegenaan, merkt de AVS Helpdesk. Vaak heeft het bestuur de eigen gesprekkencyclus en/of personeelsdossiers niet op orde en heeft de bestuurder behoefte aan een nulmeting. Soms wil een nieuwe bestuurder dat alle zittende directeuren een assessment doen. Ook reorganisaties worden soms aangegrepen om assessments te laten afnemen. Weet dat het bestuur je niet kan verplichten om deel te nemen aan een assessment. Wij adviseren om alleen mee te werken aan een (ontwikkel)assessment als de doelen helder zijn en als het in een sfeer van wederzijds vertrouwen gebeurt. Trek daarin bij voorkeur samen met je collega’s op.
De Belastingdienst biedt deze mogelijkheid onder de benaming `cafetariaregeling´ in het besluit Loonheffingen, wijziging beloningen; cafetariaregelingen. Hierin wordt onderscheid gemaakt in afspraken uit de cao zelf en afspraken op bestuursniveau. Als afspraken in de cao worden gemaakt, dan kan iedereen van de regeling gebruik maken die onder de cao valt. Voorbeelden hiervan zijn de fietsvergoeding en vakbondscontributie.
Als op dit punt geen centrale afspraken zijn gemaakt, dan kan het bestuur zelfstandig afspraken maken met de Belastingdienst. Het bestuur moet dan de vastgestelde regeling ter beoordeling aan de Belastingdienst opsturen. Hierbij geldt dat deelname aan de regeling openstaat voor ten minste driekwart van de personeelsleden. Verder dienen de personeelsleden één keer per jaar de gelegenheid te hebben om de samenstelling van de beloning te wijzigen. De Belastingdienst keurt de regeling goed of af, maar doet geen uitspraak over de regeling als deze bepalingen bevat die in strijd zijn met wettelijke bepalingen waarvan niet afgeweken mag worden (bijvoorbeeld uit de Wet op het minimumloon of het Burgerlijk Wetboek). Het doel van de cafetariaregeling is tweeledig:
– de medewerker kan de arbeidsvoorwaarden beter afstemmen op zijn persoonlijke behoeften;
– de medewerker kan beter gebruik maken van de fiscale mogelijkheden.
Een nadeel kan zijn dat uitkeringen en verstrekkingen, waarvan de hoogte wordt bepaald door het loon in geld, lager worden. Dat kan gevolgen hebben voor de pensioengrondslag, vakantiegeld, doorbetaald loon bij ziekte en uitkeringen zoals WW en bovenwettelijke WW.
Artikel 6.14 en bijlage VI van de CAO PO bevatten de voorschriften voor jubileumgratificaties met betrekking tot je diensttijd.
– Heb je 25 jaar in het onderwijs gewerkt, dan heb je recht op een extra half maandsalaris.
– Werk je 40 jaar in het onderwijs, dan heb je recht op een extra maandsalaris.
– Zo vaak zal het (nog) niet voorkomen, maar er zijn ook medewerkers die kunnen terugblikken op een 50-jarige carrière in het onderwijs – ook zij ontvangen een extra maandsalaris.
Je diensttijdoverzicht vind je in mijnABP. Via deze link kom je bij de veelgestelde vragen op de website van het ABP.
Wat er onder diensttijd wordt verstaan, lees je in bijlage VI van de CAO PO.
De tijd waarin je geen inkomsten uit een dienstbetrekking hebt genoten, telt niet mee voor je diensttijd. Denk daarbij met name aan lang buitengewoon verlof
– in het persoonlijk belang, waaronder langdurend zorgverlof zonder behoud van salaris (artikel 8.9 CAO PO)
– voor politieke functies (artikel 8.13 CAO PO),
– voor onbetaald ouderschapsverlof (artikel 8.18 CAO PO)
N.B. Hierbij geldt dat je het genoemde langdurig verlof 100% opneemt en dat je dus gedurende een bepaalde periode niet werkt en dus geen inkomsten hebt. Neem je het verlof gedeeltelijk op, en ontvang je gedurende die periode een deel van je salaris, dan loopt je diensttijd wél gewoon door.
Neem je lang buitengewoon verlof op dat mede (artikel 8.10 CAO PO) dan wel overwegend (artikel 8.11 CAO PO) in het algemeen belang is verleend, dan telt het verlof wél mee voor je totale diensttijd.
De omvang van het leeraandeel is gelijk aan de omvang van het arbeidsdeel (artikel 3.23 lid 6 CAO PO).
Dit betekent dat een LIO die is benoemd voor een werktijdfactor van 1,000
– voor 0,500 in het arbeidsproces mag worden ingezet en
– voor 0,500 andere studiegerichte taken heeft.
Ja, dit is mogelijk. Een LIO kan voor bijvoorbeeld acht maanden met een werktijdfactor van 0,625 worden benoemd. De periode moet overeenkomen met een benoeming van vijf maanden keer een werktijdfactor van 1,000 en moet uiterlijk op de laatste schooldag eindigen.
N.B. Realiseer je dat er recht op een werkloosheidsuitkering (WW) ontstaat als de arbeidsovereenkomst (zoals in ons voorbeeld) de termijn van zes maanden (26 weken) overschrijdt.
De leraar in opleiding (LIO) heeft geen recht op een tegemoetkoming woningwerkverkeer indien hij gebruik kan maken van een reisvoorziening als bedoeld in art. 3.7 van de Wet studiefinanciering 2000 (kort gezegd: gratis openbaar vervoer).
Disclaimer. De Wet studiefinanciering 2000 is bij de controle van deze FAQ nog steeds van kracht, al geeft overheid.nl aan dat wijzigingen zijn te verwachten. Dubbelcheck dus de informatie met betrekking tot de reisvoorzieningen en het reisrecht van de LIO alvorens een definitief besluit te nemen.
Stagiairs zijn studenten die een lerarenopleiding volgen en een stageovereenkomst afsluiten met de scholen. Zij hebben geen benoeming en krijgen niet betaald. Je mag stagiairs wel een stagevergoeding geven. Dit is echter (nog) niet verplicht.
Een stagiair werkt altijd onder supervisie en eindverantwoordelijkheid van een bevoegde leraar.
Een leraar in opleiding is een 4dejaars pabo-student, die 180 studiepunten heeft behaald of binnen 4 weken zal behalen. Met een LIO sluit je een leerarbeidsovereenkomst af. De LIO worden benoemd bij de werkgever voor een periode van vijf maanden met een werktijdfactor 1,000 (of een variant hierop). De LIO ontvangt salaris, bouwt pensioen en diensttijd op enz. Smeer je het contract van de LIO uit over meer dan zes maanden, dan bouwt de LIO ook WW-rechten op.
Een LIO mag zelfstandig lesgeven. Uiteraard is er altijd een leraar die verantwoordelijk is voor de begeleiding van de LIO.
N.B. Als een pabo-student al eerder betaald werk heeft gedaan (minstens één maand), dan heeft hij aan het einde van de LIO-stage voldoende WW-rechten opgebouwd om een WW-uitkering aan te vragen.
Per 1 augustus 2019 is het verboden gezichtsbedekkende kleding te dragen in onderwijsinstellingen, het openbaar vervoer, overheidsinstellingen en zorginstellingen.
De Wet Gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding bepaalt dat het dragen van kleding die het gezicht geheel bedekt of zodanig bedekt dat alleen de ogen onbedekt zijn, of onherkenbaar maakt, verboden is. Het verbod geldt voor alle vormen van gezichtsbedekking zoals bivakmutsen, boerka’s, niqabs en integraalhelmen. Een hoofddoek, een geschminkt gezicht, een sluier die het gezicht niet bedekt of een hoofddeksel vallen niet onder het verbod. Ook gezichtsbedekkende kleding die nodig is voor de veiligheid of de gezondheid, is toegestaan.
Downloads en links
Het wetsvoorstel Gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding
Meer informatie over hoe om te gaan met het verbod, Stichting School & Veiligheid
Per 1 augustus verbod gezichtsbedekkende kleding
Meer informatie van Rijksoverheid over het verbod op gezichtsbedekkende kleding
Gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding (nieuwsbericht)(pdf)
Wetsvoorstel verbod gezichtsbedekkende kleding(pdf)
De inwerkingtreding van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (WNRA) heeft gevolgen voor personeel dat in dienst is bij een openbare school, die in stand gehouden wordt door de gemeente, of in dienst is bij een stichting voor openbaar onderwijs. Deze wet is niet van toepassing op personeelsleden van een openbare school die onder een samenwerkingsschool of samenwerkingsbestuur vallen.
Personeelsleden in openbare onderwijsinstellingen hebben tot op heden een ambtelijke aanstelling en vallen onder het ambtenarenrecht. Dat gaat bij het aannemen van de wetswijziging veranderen. De aanstelling wordt dan vervangen door een privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst. Het private arbeidsrecht uit het Burgerlijk Wetboek gaat dan gelden. Dit is al zo voor de bijzondere onderwijsinstellingen en voor werknemers in het bedrijfsleven. De streefdatum van invoering van de wetswijziging is 1 januari 2020.
Om de WNRA te kunnen invoeren, moeten de onderwijswetten – zoals de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs – gewijzigd worden. Al deze wijzigingen zijn opgenomen in het wetsvoorstel ‘Wet tot wijzigingen van enige wetten in verband met de normalisering van de rechtspositie van ambtenaren in het onderwijs’. Dit wetsvoorstel zorgt er ook voor dat personeel in het openbaar onderwijs niet gaat vallen onder de Ambtenarenwet 2017. Dit betekent dat voor personeel in openbare en bijzondere scholen dezelfde regels gaan gelden.
Meer informatie: www.werkeninhetonderwijs.nl (Verandering rechtspositie medewerkers in het openbaar onderwijs)
In 2005 is de Leidraad kledingvoorschriften in het onderwijs gepubliceerd.
Sinds de CAO PO 2016–2017 bestaat de mogelijkheid om een min-max-contract in te voeren. Zo’n contract geldt alleen voor vervanging van tijdelijk afwezige werknemers en kan alleen voor bepaalde tijd worden afgesloten. Het contract kan worden aangegaan voor onderwijsgevend en onderwijsondersteunend personeel.
Verder is afgesproken dat de verhouding min-max 1 : 2,5 is. Dit houdt in dat als een contract wordt afgesloten van 8 uur per week in de min, de maximale inzet per week 2,5 keer deze 8 uur is, dus maximaal 20 uur. De werknemer moet per week het maximaal aantal uren beschikbaar zijn. Qua salariëring dient maandelijks in ieder geval 8 uur uitbetaald te worden, ook al zijn er bijvoorbeeld in die maand geen werkzaamheden verricht. Verder moeten maandelijks de gewerkte uren boven de 8 uur uitbetaald worden, als hier sprake van is.
Op de vraag of de gewerkte uren ook op jaarbasis verrekend mogen worden luidt het antwoord: nee. De minimumcontracturen dienen altijd uitbetaald te worden, ook al is er niet gewerkt. Er mag niet gemiddeld worden.
Nee, de leidraad geldt alleen voor bestuurders die deel uitmaken van een College van Bestuur dat onder toezicht staat van een Raad van Toezicht. Op deze bestuurders is in de regel niet de CAO VO van toepassing. Zij hebben een eigen arbeidsvoorwaardenpakket, inclusief een eigen salarisregeling. Zij onderhandelen daarover met de Raad van Toezicht. De leidraad is bedoeld om wildgroei van de slarissen van bestuurder te voorkomen.
Voor de leden van het onderwijsmanagement in het voortzet onderwijs gelden de salarisbepalingen zoals die zijn opgenomen in hoofdstuk 12 van de CAO VO.