Leerlingen in het voortgezet onderwijs die deelnemen aan de zomerschool, hebben meer kans om over te gaan. Deelname aan de lenteschool laat een minder groot effect zien. Dit blijkt uit een onderzoek van het instituut voor onderwijsonderzoek van Universiteit Maastricht. Tegelijk is er een lichte stijging te zien in het totale aantal zittenblijvers.

Lente- en zomerscholen worden ingezet in het kader van het sectorakkoord voortgezet onderwijs als een van de manier om zittenblijven terug te dringen. In 2015 en 2016 zijn veel scholen in de zomervakantie zomerscholen georganiseerd. Sinds 2016 organiseren veel scholen juist een lenteschool in de meivakantie om eerder in te kunnen grijpen. In totaal zijn er op 199 scholen lente- en zomerscholen georganiseerd, voor in totaal meer dan 11.000 leerlingen. Van de deelnemers aan een lenteschool is  76 procent overgegaan en van de deelnemers aan een zomerschool  87 procent.

Aan de andere kant blijkt uit leerloopbaangegevens van DUO dat voor deelnemende en niet-deelnemende scholen samen geldt dat het percentage zittenblijven licht stijgt, van 5,4 procent in 2015 naar 5,7 procent in 2016. Voor niet-examenklassen (de doelgroep van de lente- en zomerscholen) bedroeg het percentage zittenblijvers in 2016 5,5 procent tegen 5,1 procent in 2015. Voor examenklassen kwam het neer op 6,6 procent in 2016 tegen 6,5 procent in 2015. Scholen die voor de tweede keer deelnamen aan een lente- of  zomerschool deden mee met de stijgende trend, scholen die voor het eerst een lente- of zomerschool organiseerden, wisten het zittenblijfpercentage wel te verlagen.

 

Links

Gerelateerd nieuws