Schoolleiders evalueren

Passend en inclusief onderwijs staan weer volop in de belangstelling. Het vormgeven van Passend onderwijs gaat met vallen en opstaan, blijkt uit de dit jaar verschenen evaluatierapporten. Zeggenschap en extra ondersteuning zijn belangrijke voorwaarden, bureaucratie en beperkte financiële middelen blijven knelpunten.

Voor sommige scholen is Passend onderwijs – sinds de invoering – relatief nieuw, voor andere al jaren eerder de praktijk. Basisschool De Kroevendonk in Roosendaal werkt al twintig jaar vanuit de gedachte dat ieder kind in de wijk naar school moet kunnen. “Wij kiezen voor de kwaliteiten van kinderen, voor samen naar school”, zegt schoolleider Teun Dekker. “Dat doen we samen met het hele team. Problemen zijn dus niet van de leerkracht voor de klas alleen, maar we lossen ze samen op. Krijgen we bijvoorbeeld de vraag of we een kind met het syndroom van Down kunnen plaatsen, dan bepalen we gezamenlijk of ons dat lukt en wat we daarvoor nodig hebben. Het is dus een teambeslissing.”

Extra handen

De Kroevendonk is een eenpitter en dat heeft nadelen, maar ook voordelen, vertelt Dekker. “Het personeelsbeleid bepalen we zelf. Onze medewerkers kiezen dus bewust voor onze school en zijn niet vanwege boventalligheid of interne mobiliteit bij ons. Bovendien hebben onze leerkrachten veel invloed op hun werk. Kritiek op Passend onderwijs spitst zich vaak toe op zeggenschap. Leraren hebben het gevoel dat ze weinig te zeggen hebben over wat er gebeurt. Zeggenschap is de sleutel voor geslaagd Passend onderwijs, denk ik. Bij ons is de keuze voor inclusief onderwijs geen hobby van de directeur of het bestuur, maar een gezamenlijke beslissing.”

Op De Kroevendonk zijn extra handen in de klas al jaren normaal. Onderwijsassistenten ondersteunen leerkrachten. Ook dat vindt Dekker een voorwaarde. “Ik denk dat wij de eerste reguliere school waren die onderwijs­assistenten aanstelde. Dat is ook nodig als je bijvoorbeeld een kind hebt dat verschoond moet worden. Of er is extra begeleiding of toezicht nodig, in de klas of buiten.” Daarnaast zijn er op de school extra uren voor intern begeleiders. Samen met hen, met de ouders en eventueel met externe ondersteuning zoeken leerkrachten naar de beste begeleiding. “De lijntjes met ambulante begeleiders vanuit bijvoorbeeld cluster 2 zijn heel kort”, vertelt Dekker. Zo brengt de school de expertise naar het kind in plaats van andersom.

Expertise overdragen

Ambulante dienstverleners met expertise in slechthorend-, doofheid of taalontwikkelingsstoornissen zijn onder meer te vinden bij Auris, een organisatie voor cluster 2-onderwijs. Annelies de Leeuw is regiodirecteur bij Auris in Utrecht. Het aantal aanmeldingen bij haar organisatie is al jaren redelijk constant, vertelt ze. “We zien wel een verschuiving. Wij ondersteunen steeds meer leerlingen binnen het regulier onderwijs. Op onze scholen neemt het aantal kinderen daardoor af. Zodra het kan, maken leerlingen de stap van speciaal naar regulier onderwijs. Vooral op jonge leeftijd is het belangrijk om kinderen met een taalontwikkelingsstoornis intensief te begeleiden.” Auris komt kijken als een leraar in het regulier onderwijs vragen heeft over een leerling die moeite heeft met taal, spraak of gehoor. Dat kan leiden tot een gericht advies, intensieve begeleiding vanuit Auris op de reguliere school in de vorm van ambulante dienstverlening, of tot plaatsing op een van de scholen voor speciaal onderwijs. Auris wil het netwerk om de leerling heen versterken, bijvoorbeeld door cursussen. De Leeuw: “Er zijn scholen die hun hele team een cursus laten volgen. Maar dat kost ook tijd. En die is er niet altijd. We zien wel dat leraren overbelast zijn.”

Koudwatervrees

In tegenstelling tot scholen van de (voormalige) clusters 3 en 4 van het speciaal onderwijs maken scholen voor kinderen met een visuele of auditieve beperking geen onderdeel uit van een samenwerkingsverband. Wel zoeken de reguliere en speciale scholen elkaar op rond een leerling. De Leeuw: “We zijn altijd op zoek naar manieren om de expertise duurzaam over te dragen. Er is veel goede wil om elkaar te vinden, maar dat moet nog beter. De groep leerlingen met een zintuiglijke handicap is vrij klein, dus scholen denken niet meteen aan Auris. Soms is er weinig inzicht in wat bijvoorbeeld een taalontwikkelingsstoornis is, wat je daaraan kunt doen op het gebied van logopedie, orthopedagogiek of gewoon extra oefeningen. Er is koudwatervrees bij scholen. Kunnen we dat wel aan? Op sommige scholen hebben wij standaard een klein team van experts beschikbaar. Ze werken met de leraar samen om de leerling optimaal te ondersteunen zodat die de lessen in de klas beter kan volgen.”

Bureaucratie

Uit de Evaluatie Passend onderwijs (zie kader) van afgelopen voorjaar blijkt dat scholen vinden dat zij eerder met meer dan met minder bureaucratie te maken hebben: zorgplicht, opstellen van schoolondersteuningsprofielen en ontwikkelingsperspectiefplannen, verantwoordingseisen van het samenwerkingsverband. Schoolleider Teun Dekker herkent dat. “We moeten veel moeite doen om het geld te krijgen dat we nodig hebben. En dan hebben wij gelukkig een heel goed netwerk rond de school van onder andere ambulante begeleiding.” Hetzelfde vertelt Teuny Bosma, schoolleider van het Matrix Lyceum, een vier jaar bestaande school in Drachten voor havo/vwo-leerlingen met een ondersteuningsbehoefte op het gebied van leren en gedrag. De school is een samenwerking van voortgezet en voortgezet speciaal onderwijs en bevindt zich in hetzelfde gebouw als het Drachtster Lyceum. Leraren van het Drachtster Lyceum en OSG Singelland werken ook op het Matrix. Bosma is voorstander van het inzichtelijk maken van doelstellingen en van wat verwacht kan worden van leerling en docent, maar nu wordt er wel erg veel papier gevraagd voor je kunt doorpakken voor extra hulp. Ook moeten reguliere scholen soms drie maanden wachten voordat er ondersteuning komt. Het duurt te lang voordat er bijvoorbeeld door de gemeente een indicatie is afgegeven. Thuiszitters die alleen maar thuis zitten en verder niets, heeft het Matrix niet. Bosma: “We hebben wel leerlingen met multiproblematiek die om wat voor reden niet naar school kunnen. Die maken we met behulp van ouders en hulpverlening schoolvaardig, bijvoorbeeld via een traject bij een zorgboerderij.”

Meer middelen

Scholen moeten gefaciliteerd worden, zegt Dekker van De Kroevendonk. Hij is blij met de recente cri de coeur van het Lerarencollectief (zie kader bovenaan deze pagina). “Te veel is gedacht dat het allemaal binnen het huidige systeem kan. Je moet het onderwijs echt anders inrichten en het geld van het samenwerkingsverband moet daarvoor ingezet worden en niet op de plank blijven liggen. Er moeten meer middelen naar de reguliere school. Voor inclusief onderwijs moeten bijvoorbeeld gebouwen geschikt zijn of gemaakt worden. Met extra scholing en extra handen in de klas moet dat prima gaan. Kijk naar De Kroevendonk. Maar wij doen het al twintig jaar en dat ging ook niet meteen vanaf het begin goed. Misschien doen we dit in Nederland nog te kort?” En het is een illusie om te denken dat het zonder speciaal onderwijs kan, vinden zowel Dekker, Bosma als De Leeuw. Bosma van het Matrix Lyceum: “Ik ken geen leerlingen in het vso die hier onterecht zitten. Ook ouders proberen dat vaak zo lang mogelijk uit te stellen.” De Leeuw van Auris: “Sommige kinderen komen echt beter tot hun recht in het speciaal onderwijs, maar met een goede samenwerking kunnen de meeste kinderen gewoon meedoen op school in de buurt. Daarom werken we graag nauw samen met het regulier onderwijs.”

Vijf jaar passend onderwijs: evaluatie en advies

Driekwart van de leraren in het basis­onderwijs heeft grote moeite om leerlingen met een handicap of gedragsproblemen goed te helpen, blijkt uit een enquête van het Lerarencollectief dit najaar onder 2.500 leraren. Leraren hebben het gevoel dat ze niet de benodigde expertise of tijd hebben voor hun zorgleerlingen, was een van de conclusies. Dat laatste komt ook uit de Evaluatie Passend onderwijs (2014-2020) van Guuske Ledoux en Sietske Waslander, het eerste niet. “Leraren vinden zichzelf gemiddeld bekwaam genoeg om leerlingen extra te ondersteunen. Ze vragen eerder om faciliteiten (kleinere klassen, meer handen in de klas) dan om scholing”, staat in het eindrapport dat afgelopen voorjaar werd aangeboden aan minister Slob.

Wel blijkt dat er niet groot is ingezet op deskundigheidsverhoging van leraren in het regulier onderwijs. De hiervoor verantwoordelijke schoolbesturen laten dit vaak over aan de scholen. Intern begeleiders en ondersteuningscoördinatoren kregen extra uren en in het primair onderwijs nam het aantal onderwijsassistenten toe, maar niet zodanig dat elke leraar over hulp van onderwijsassistenten kan beschikken. Leraren hebben dus niet substantieel meer hulp gekregen.

Complexer

Passend onderwijs heeft ervoor gezorgd dat de budgetten voor het rijk beheersbaarder geworden zijn, maar tegelijkertijd is het de vraag of het realistisch is “om te verwachten dat binnen het gefixeerde budget voor elke leerling een adequate oplossing mogelijk is”, stelt het eindrapport. Bovendien is het onduidelijk of leerlingen er beter van geworden zijn.

Het percentage leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften is niet gestegen en ligt al jaren rond de 20-25 procent. Wel zijn er aanwijzingen dat problemen complexer zijn geworden. Hierbij kan ook een rol spelen dat leraren beter/meer signaleren dan voorheen. Volgens het eindrapport is het ook onduidelijk of de ervaren werkdruk door Passend onderwijs komt, want die was er ook al voor de invoering ervan.

Inclusiever

Tegelijk met de evaluatie kwam de Onderwijsraad afgelopen voorjaar met een advies aan schoolbesturen, samenwerkingsverbanden en de overheid om speciaal en regulier onderwijs dichter bij elkaar te brengen en het onderwijs inclusiever te maken. De Kinderombudsvrouw liet een soortgelijk geluid horen. Uit het advies van de Onderwijsraad: “Door beide schoolsoorten op één locatie onder te brengen kunnen mengvormen ontstaan en wordt thuisnabij en gezamenlijk onderwijs ook mogelijk voor leerlingen die zwaardere ondersteuning en toerusting nodig hebben. Bovendien kunnen faciliteiten en expertise worden gedeeld.” Om de expertise op scholen verder te vergroten adviseert de raad om inclusiever onderwijs nadrukkelijk een plaats te geven in het curriculum van initiële lerarenopleidingen en op te nemen in nascholingsprogramma’s.

Kader Primair
Dit artikel heeft in Kader Primair gestaan. AVS-leden ontvangen Kader Primair maandelijks op de mat. Nog geen lid? Bekijk hier eerder verschenen nummers, word lid en ontvang voortaan ook iedere maand een kersvers exemplaar in de brievenbus!

Gerelateerd nieuws