Het onderwijs is druk aan het vernieuwen. Scholen hebben in de loop der jaren meer bewegingsruimte gekregen en maken daar op allerlei manieren gebruik van. Wat zijn bemoedigende trends? Kleven er ook risico’s aan de groeiende diversiteit en hoe perk je die in?

Het bruist binnen het onderwijs. Dat merkte Claire Boonstra toen zij in 2012 haar TEDx-talk hield over hoe het onderwijs volgens haar verder zou kunnen verbeteren. Letterlijk duizenden onderwijsmensen wilden met haar koffiedrinken. Ze richtte Operation Education op en heeft vanuit die organisatie de afgelopen jaren al vele honderden scholen bezocht, tienduizenden mensen toegesproken en velen van hen ook gesproken. De wens tot vernieuwing, zegt zij, leeft ‘ongelooflijk breed’.

Boonstra wil ‘van A naar B’. A is de traditionele school met jaarklassen, toetsen, cijfers, een indeling in hogere en lagere niveaus. A draait om hiërarchie en gemiddelden. “Het doel van het huidige systeem is selecteren naar niveau; voorsorteren voor het vervolgonderwijs”, licht ze toe. “En hoger is beter.” Zij ziet echter een paradigmaverschuiving naar B, de school waar wordt erkend dat ieder mens anders is, met een grote verscheidenheid aan interesses en talenten. “In de samenleving is ook een grote diversiteit aan manieren waarop je van waarde kan zijn. Het draait niet meer om hoe je in het systeem past, maar om hoe we ervoor zorgen dat je als mens volledig tot bloei kunt komen.” Bij die omslag is de lerende organisatie de motor. Volgens Boonstra zijn heel veel scholen al bezig met de transitie van A naar B. “Ook leraren van zeer traditionele scholen voelen dat je niet langer kunt vasthouden aan methode A.”

 

Creativiteit
René Peeters, wethouder jeugd en onderwijs in Almere en voormalig schoolbestuurder, vindt ook dat er de afgelopen jaren veel ten goede is veranderd. Daarbij fungeerde volgens hem de invoering van de lumpsum in 2006 (po) als smeerolie. “De lumpsum bracht flexibiliteit. En dat stimuleerde de creativiteit van schoolbestuurders en schoolleiders.” Maar Peeters plaatst daar meteen een kanttekening bij: “De huidige lumpsum is flexibiliteit van de armoede. Je kunt je werk alleen goed doen als er voldoende middelen zijn. Dat is nu absoluut niet het geval. Het Rijk verstrekt al heel veel jaren veel te weinig geld aan met name het primair onderwijs.”

Toch hebben sommige schoolbesturen kans gezien om vanuit de lumpsum een innovatiebudget in te richten. Geweldig, vindt Peeters: “Scholen en besturen moeten mensen altijd de ruimte geven om nieuwe dingen uit te proberen.” Ook ziet hij dat veel schoolbesturen extra hebben ingezet op nascholing. “Personeel wordt echt uitgedaagd om zich goed te ontwikkelen.”

Verder merkt Peeters op dat de digitalisering in ­scholen enorm op gang is gekomen. Maar opnieuw verwijst hij naar het grote geldgebrek. “Deze verstandige investering ging helaas vaak wel ten koste van de personeelsformatie.” Verder vindt de wethouder dat het onderwijs minder bureaucratisch is geworden. “Dankzij de lumpsum maken onderwijsorganisaties meer eigen keuzes. Dat stimuleert het gesprek tussen bestuurders en scholen.”

 

Ruimte voor eigen ambities
Ook het nieuwe inspectietoezicht, met oog voor eigen ambities van scholen en hun ontwikkeling van een verbetercultuur, biedt meer ruimte voor vernieuwing. Karin van Zutphen is directeur van Wittering.nl, een bekende vernieuwingsschool in Rosmalen (po). “Wij kijken naar de ontwikkelbehoeften van ieder kind. En daarna naar hoe het passend kan zijn binnen de wet- en regelgeving”, vertelt zij.

Voorheen vonden de inspecteurs het moeilijk om de school te beoordelen. Met name het didactisch handelen, dat op allerlei manieren vorm krijgt, was voor hen lastig te categoriseren. “Sinds het nieuwe toezicht lukt het de inspecteur wel om ons te beoordelen en komen we er heel positief uit. We hebben laten zien dat we competent zijn in het zelf ontwerpen van het curriculum en het passend maken van het aanbod. Dankzij onze beredeneerde keuzes krijgen we veel autonomie van ons bestuur en de inspectie.”

Selma Klinkhamer, directeur van Rotterdams Vakcollege De Hef (vo), ervaart die ruimte ook.

 “Wij besteden elke dag een half uur aan de dagstart, waarbij leerlingen met de mentor de dag doorspreken. Zo gaan ze weer beseffen waarom ze ook al weer naar school komen. Dat is nodig voor onze doelgroep. Daarvoor halen we vijf minuten van elke les af. De inspectie begrijpt dat en vindt het prima.”

Uit onderzoek1 door de inspectie blijkt dat de kwaliteit van de schoolleiding en die van de lessen significant samenhangen. Claire Boonstra: “De kunst is om een context te creëren waarbinnen leraren hun werk goed kunnen doen. Belangrijk is dat de schoolleider de gewenste werkhouding ‘voorleeft’. En een lerende organisatie creëert waarin iedereen verantwoordelijkheid neemt voor het leerproces.”

Ook de gemeente kan de onderwijsverbetering ­stimuleren. “Wij zijn voortdurend in gesprek met het onderwijs”, zegt wethouder Peeters. “Ik voorspel dat de budgetten van jeugdzorg, Passend onderwijs en school­besturen de komende jaren, onder regie van de gemeenten, op veel slimmere manieren ingezet zullen worden. In Almere doen we dat al met zes projecten in het speciaal (basis)onderwijs (onderwijs-jeugdhulparrange­menten). Het samenvoegen van die budgetten leidt tot spectaculaire verbeteringen.”

Versnippering en kwaliteitsverschil
Als het aan demissionair staatssecretaris Sander Dekker ligt, krijgen schoolbesturen en ouders meer vrijheid om een school te stichten. Dat kan straks mogelijk ook op basis van bijvoorbeeld een pedagogische grondslag. De diversiteit zal daarvoor verder toenemen en daar kunnen bepaalde risico’s aan kleven. In de laatste Staat van het Onderwijs wees de inspectie bijvoorbeeld op ‘te grote kwaliteitsverschillen’ tussen scholen.

“Versnippering kan een risico zijn”, ziet ook Peeters. Hij is voor ‘heel stevige waarborgen voor de kwaliteit’.

“Neem Almere. Wij groeien enorm. Soms openen we per jaar twee of drie nieuwe scholen. Ik pleit ervoor dat we stelselmatig onderzoeken of initiatieven voor nieuwe scholen ook echt duurzaam zijn. De inspectie zou daar goed naar moeten kijken en de gemeente zou de financiële betrouwbaarheid en kwaliteit moeten toetsen.” Zo’n belangrijke rol voor de gemeente past in de huidige trend, meent hij. “Kijk naar de decentralisatie van de jeugdzorg. Almere neemt als regisseur van de Lokaal Educatieve Agenda2 verantwoordelijkheid voor vrijwel de hele maatschappelijke ondersteuning van haar inwoners. We werken daarin ook samen met Passend onderwijs.”

Boonstra ziet vooral risico’s in het traditionele schoolsysteem. “De huidige opdeling in hoger versus lager heeft een desastreus effect op kinderen. We vinden het zo belangrijk om hoger te eindigen, dat we kinderen massaal laten deelnemen aan eindtoets- en eindexamentrainingen. We hebben maar één norm; het gemiddelde. Als jouw talenten en interesses toevallig niet liggen bij wat we nu toetsen, zeggen we eigenlijk: je bent niet leerbaar en niet goed genoeg. Terwijl een sterke samenleving en economie bestaan bij de gratie van diversiteit. Mensen die maken, bouwen, repareren, zorgen en mooi maken zijn even waardevol voor de samenleving als hoger opgeleiden.” _

 

Noten

1             
Inspectie van het Onderwijs (2014). De kwaliteit van schoolleiders in het basisonderwijs, speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs

2              lea.almere.nl

Leerling stippelt eigen leerroute uit
Vakcollege De Hef, een vmbo-school in Rotterdam-Zuid, heeft meer dan veertig nationaliteiten in huis. Directeur Selma Klinkhamer: “We kijken elke dag: wat staat jou in de weg om onderwijs te volgen? De relatie met de mentor is belangrijk om leerlingen vast te houden.” De school ziet loopbaanoriëntatie en -begeleiding (lob) als de ruggengraat van het curriculum. De lob wordt steeds verder ontwikkeld. In november organiseerde De Hef een eigen lob-conferentie voor ouders, basisscholen en het mbo.

De tienminutengesprekken en informatie­­avonden zijn afgeschaft. Er worden alleen nog persoonlijke gesprekken gevoerd met leerling, ouders en mentor (zie foto). “Daarin is het lob leidend en maken we alle afspraken. De leerling presenteert wat hij of zij heeft geleerd en stippelt de leerroute uit. De ouder bevraagt de leerling ook. Als school zenden wij minder en spelen we meer in op wat er uit ouder en kind komt. Wij zien dat ouders nu zelf ook naar school willen komen.”

Als gevolg van deze aanpak verdwijnt de straatcultuur uit de school. Leerlingen voelen zich medeverantwoordelijk. Ziekteverzuim en schooluitval nemen af. Klinkhamer: “We geven nu al vaak les op drie niveaus, maar ik wil dat leerlingen nog meer zelf hun onderwijs gaan inrichten en waar mogelijk lessen op een hoger niveau gaan volgen.”

Zelf passend onderwijsaanbod ontwikkelen
Wittering.nl in Rosmalen werkt vanuit de visie dat elk kind zich blijft ontwikkelen. De school wil haar aanbod daar bij aansluiten. De school werkt met kernconcepten. Hierbij wordt leerstof op het gebied van wereldoriëntatie (aardrijkskunde, geschiedenis, natuur en techniek) aangeboden vanuit samenhangende thema’s die kinderen uitdagen tot actief leren. Directeur Karin van Zutphen: “Als je eenmaal zo werkt, begrijp je niet waarom er nog scholen zijn die met separate vakken werken.”

De leerlingen zitten in units van 4-6 jaar, 6-9 jaar en 9-12 jaar, rekening houdend met hun ontwikkelleeftijd. Ze kunnen vier keer per jaar overstappen naar een volgende unit. Op elke unit werken vier tot zes volwassenen: leerkrachten, onderwijsassistenten, leerkrachtondersteuners, maar ook specialisten. Het team is gezamenlijk verantwoordelijk en ontwikkelt veel leermaterialen zelf. Bij elk blok van vijf weken wordt eerst de aanwezige relevante kennis geactualiseerd. Daarna ontwerpen de units zelf het aanbod voor de komende vijf weken. Wittering-leerlingen vallen op binnen het vo. “Ze komen voor zichzelf op, gaan het gesprek aan. Het vo koppelt terug dat ze dat wel eens lastig vinden, omdat de leerlingen willen weten met welk doel een opdracht gegeven wordt.” Wittering.nl overweegt om een eigen vo-school op te zetten.

 

Gerelateerd nieuws