Verbeteraanpak passend onderwijs: wat is er écht nodig?

Passend en inclusief onderwijs

Tweede Kamerbrief en AVS-peiling

In een brief over de verbeteraanpak passend onderwijs die minister Paul en staatssecretaris Van Ooijen op 10 mei ter voorbereiding op het debat van 29 mei naar de Tweede Kamer stuurden, stellen zij dat er het afgelopen jaar op belangrijke terreinen flinke vooruitgang is geboekt. “Maar”, zo schrijven ze daarnaast, “we zijn er zeker nog niet.” Dit blijkt ook uit een peiling over dit onderwerp die AVS en de PO-Raad recentelijk deden onder basisschoolleiders en -besturen. Ondanks dat veel schoolleiders het belang van inclusief onderwijs erkennen, missen zij op beleidsniveau de mogelijkheden om dit ideaal in de schoolpraktijk te verwezenlijken. Wat is er volgens hen én AVS nodig?

In de kamerbrief worden als positieve ontwikkelingen op weg naar passend onderwijs genoemd:

  • Op de meeste scholen wordt passende ondersteuning geboden, waar ouders en leerlingen over het algemeen ook tevreden over zijn;
  • De positie van ouders en leerlingen is versterkt met bijvoorbeeld een inmiddels door de Tweede kamer aangenomen wetsvoorstel waarmee het hoorrecht voor leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte wordt verplicht;
  • Er wordt uitvoering gegeven aan het plan van aanpak voor (hoog)begaafdheid en er is in drie jaar onder meer € 66 miljoen beschikbaar gesteld aan samenwerkingsverbanden voor het creëren van een passend dekkend aanbod en het borgen en versterken van voltijd hoogbegaafdheidsvoorzieningen;
  • Met het Experiment Onderwijszorgarrangementen wordt meer maatwerk mogelijk gemaakt voor leerlingen met een complexe ondersteuningsbehoefte;
  • De komende drie jaar is er in totaal ruim € 160 miljoen euro beschikbaar voor de Brugfunctionaris om scholen en gezinnen te ondersteunen.

Zonder meer positief, al wordt de realisatie van deze voorstellen mogelijk ingehaald door de uitwerking van het nieuwe hoofdlijnenakkoord tussen PVV, VVD, NSC en BBB.

“De brief biedt echter weinig aanknopingspunten voor het op orde brengen van de belangrijkste voorwaarden voor het mogelijk maken van de route richting inclusief onderwijs”, aldus AVS-voorzitter Karin Straus. “Zo wordt er slechts zijdelings aangestipt dat het belangrijk is dat er in de aanpak van het personeelstekort in het onderwijs extra aandacht moet zijn voor het gespecialiseerd onderwijs. Aan extra financiën en de benodigde aanpassingen aan huisvesting, om een voorbeeld te noemen, wordt helemaal geen aandacht besteed. De wil onder de schoolleiders is er. Maar zij worden nog altijd onvoldoende toegerust om dat mooie ideaal van inclusief onderwijs in de schoolpraktijk waar te kunnen maken”, stelt Straus. Zij roept de politiek en beleidsmakers op om daar verandering in te brengen. De peiling van AVS en de PO-Raad onder 278 schoolleiders legt duidelijk de grootste pijn bloot.

Een belangrijke horde bij het realiseren van inclusief onderwijs is de financiering, zo blijkt uit dit onderzoek. Zo’n 74 procent van de schoolleiders ziet dit als de grootste angel. Op de vraag ‘Ik heb voldoende financiële middelen om ondersteuningsvragen van mijn leerlingen met deskundige ondersteuning in de school te organiseren’ antwoordt meer dan de helft van de schoolleiders negatief (zeer oneens/oneens). Het onderwijs hangt de laatste jaren vast aan allerlei losse subsidies, terwijl directeuren juist structurele gelden nodig hebben om duurzaam beleid te kunnen ontwikkelen voor hun school en met name ook inclusief onderwijs mogelijk te maken. Daarbij duren ondersteuningsvragen vaak te lang, waardoor kinderen en leraren in de knel komen in de praktijk.

Een andere belangrijke sta-in-de-weg om het onderwijs in Nederland echt inclusief te maken is volgens 72 procent van de schoolleiders de grootte van de klassen. Door de enorme personeelstekorten zijn schoolleiders de laatste jaren steeds vaker gedwongen om grotere groepen te maken. Op die manier kun je er in veel gevallen voor zorgen dat er voor elke klas toch een leerkracht staat. Maar het maakt lesgeven ook ingewikkelder. Zo’n leerkracht krijgt immers niet alleen te maken met méér kinderen in de klas, maar ook met meer leerlingen met verschillende leerniveaus en zorgvragen. Het maakt het behoorlijk uitdagend om al die kinderen (én hun ouders) goed te kunnen bedienen en dat heeft dan weer gevolgen voor de werkdruk en het uitstromen van personeel.

Het gebrek aan genoeg én goed geschoolde medewerkers is de derde reden waarom volgens de directeuren (64 procent) inclusief onderwijs onvoldoende van de grond komt. Schoolleiders geven aan niet alleen extra leerkrachten en onderwijsassistenten erbij te willen, maar ook gedragsspecialisten. Er zijn concreet dus extra handen nodig om de route naar inclusief onderwijs vleugels te geven. Daarnaast heeft het team meer tijd nodig om lessen goed te kunnen voorbereiden en is er in het schoolgebouw zelf meer fysieke ruimte nodig om extra ondersteuning te kunnen organiseren.

Het is dus hard nodig om allereerst te blijven werken aan verbeteringen binnen het huidige stelsel. De Minister zet echter ook een stip op de horizon van een meer inclusieve inrichting van het onderwijs; onderwijs waarbij alle kinderen/jongeren, met en zonder een ondersteuningsbehoefte, dicht bij huis naar school kunnen. De Minister doet in haar brief hiervoor een aantal voorstellen, waarvan de belangrijkste zijn:

  • Het versterken van de verbinding tussen onderwijs en zorg , zoals het door ontwikkelen van huidige Experiment Onderwijszorgarrangementen naar structurele regelgeving, waarmee scholen meer ruimte en flexibiliteit krijgen om samen te werken met zorgaanbieders, en de beleidsregel Inclusieve Leeromgeving waardoor er meer ruimte komt voor samenwerking tussen regulier en gespecialiseerd onderwijs. Dit kunnen we als AVS meteen omarmen. Ook bij AVS zijn er leden die gebruikmaken van deze experimenteeromgeving en die het toejuichen als deze structureel wordt.
  • Als je wilt toewerken naar écht inclusief onderwijs voor kinderen met een ondersteuningsbehoefte dan moeten de ondersteuning, organisatie en financiering van onderwijs en zorg goed op elkaar aansluiten. Op dit moment is dit niet het geval. De huidige op individuele basis gerichte zorg en jeugdhulp is uiterst complex. De Minister geeft aan dat zij met de ‘Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd’ toe wil werken naar een toekomstbeeld waarbij het uitgangspunt collectieve financiering zonder schotten tussen beide sectoren is. De bedoeling is dat alle scholen hier gebruik van kunnen gaan maken. Een interessante aanpak, waar we vanuit AVS ook bij betrokken willen blijven en deze discussie graag willen blijven voeden met inbreng van onze leden die hier in de praktijk mee werken.
  • Een ander pakket maatregelen is gericht op de aanpak voor verzuim. Onderdeel hiervan is het Wetsvoorstel Terugdringen Verzuim voor het versterken van preventie dat vorig jaar in internetconsultatie gegaan. Ook AVS heeft hier een inbreng voor geleverd. Naar aanleiding van de internetconsultatie en het advies van de Raad van State dat er een duidelijkere analyse van de praktijk nodig is om te kunnen beoordelen of het wetsvoorstel uitvoerbaar is voor scholen, gaat OCW opnieuw met het wetsvoorstel aan de slag. We blijven dit als AVS nauwlettend volgen. (Bron: Minister wil aanscherping verzuimaanpak. Wat vind jij? (avs.nl))
  • Daarnaast is er een aantal praktische knelpunten die de minister wil oplossen, zoals de vereenvoudiging van de TLV-afgifte en het vervroegen van de aanmeldprocedure.

AVS deelt haar zorg én voorstellen tot verbetering in een schrijven aan Tweede Kamerleden, politieke partijen en de Commissie Onderwijs. “Als de basis en randvoorwaarden niet op orde worden gebracht, dan blijft inclusief onderwijs een mooi, maar onbereikbaar ideaal,” benadrukt Straus nogmaals. “Het louter neerleggen van een ambitie, hoe mooi die ook is, zonder dat daarbij voldoende aandacht besteed wordt aan de implementatiestrategie en de randvoorwaarden die nodig zijn om deze ambitie te realiseren, levert niet de gewenste verbeteringen in de praktijk op en leidt uiteindelijk alleen maar tot teleurstelling.”