Van politiek assistent van de minister naar schoolleider in Twente

‘Ik wil opstaan met het gevoel dat ik een verschil maak’

Vier jaar stond hij zij aan zij met (demissionair) minister Slob bij het ministerie van Onderwijs. Vanaf dit schooljaar staat hij aan het roer van twee basisscholen. “Ik ervaar een zekere bescheidenheid”, zegt Harmjan Vedder. “Ik vind wel wat, maar op nationaal niveau. Ik ga ontdekken wat dat waard is tussen de muren van mijn scholen. Een enorme leerreis.”

“Zeventien jaar geleden stapte deze Spakenburger binnen bij @PerspectieF om zich daarna met hart en ziel in te zetten voor @WIChristenunie, de Eerste en Tweede Kamerfractie en tot vandaag voor @arieslob. Hij gaat nu leidinggeven aan twee Twentse scholen. Veel dank, @harmjanvedder! Ga met God!” Gert-Jan Segers, fractievoorzitter van de ChristenUnie in de Tweede Kamer, geeft in een tweet van 9 juli een mooie samenvatting van de carrière van Harmjan Vedder (34). Van de jongerenorganisatie ging hij naar het wetenschappelijk bureau, werd toen fractiemedewerker en daarna persoonlijk assistent van de minister van Onderwijs. En nu dan iets heel anders, want Harmjan Vedder wordt schoolleider van De Fakkel in Almelo (160 leerlingen) en De Reflector in Hengelo (90 leerlingen), gereformeerde scholen die onderdeel zijn van scholengroep Hannah. Dat bijzonder onderwijs is toeval, zegt Vedder. “Ik ben christelijk en vindt christelijk onderwijs van grote waarde, maar ik had een openbare school ook wel een uitdaging gevonden.”

Onderwijsnest

Veel is toeval in het leven van Vedder, ook een baan bij het ministerie van onderwijs. Hij werd gekoppeld aan Arie Slob en die werd minister op Onderwijs. “Als ik politiek adviseur van Carola Schouten was geweest, dan zou ik nu misschien boer zijn geworden”, grapt hij. Toch zit de relatie met onderwijs dieper. Het gaat terug tot zijn vroegste jeugd. Zijn moeder deed de KLOS-opleiding en staat al veertig jaar voor de kleuterklas, zijn tante, die thuis vaak aan de keukentafel zat, werkt in het onderwijs en zijn zus rondde de Pabo af. “Ik kom uit een onderwijsnest, maar zelf had ik nooit gedacht dat ik nog eens schoolleider zou worden. Mijn moeder trouwens ook niet.” Net afscheid genomen van het ministerie, tijdens zijn vakantie en met zijn handen onder de verf, vertelt Vedder er enthousiast over. Hij is nog bezig zijn nieuwe huis op te knappen. Een nieuwe start in Enschede, waarheen hij onlangs verhuisde met zijn gezin, de geboortestad van zijn vrouw. Zelf is hij geboren en getogen Spakenburger, zoals Segers memoreerde.

Vanwaar die overstap uit de politiek naar het primair onderwijs? Wat trekt je daarin?
“Als een minister het gebouw verlaat, dan gaat ook de politiek adviseur. Bij het vertrek van Arie Slob, ga ik dus ook. En dat is goed. Na zoveel jaar politiek is het goed om iets anders te gaan doen. Politiek kan ook karakterverpestend zijn. Het is gezond om weer eens in een ander deel van de samenleving te verkeren. Aan het begin van mijn zoektocht naar iets nieuws had ik een gesprek bij een consultancybureau. In de eerste vijf minuten ging het over ‘mijn marktwaarde’. Daar knap ik op af. Ik wil ’s ochtends opstaan met het gevoel dat ik een verschil maak. Daarom ben ik gaan praten met mensen uit het onderwijs. ‘Zou schoolleider zijn iets voor mij zijn’, vroeg ik hen. Ik kreeg verrassend veel aanmoedigingen. Ook wel eens een keer ‘waar begin je aan’ of ‘niet doen’. Dat laatste heb ik maar genegeerd. Ik ben echt gegrepen door het onderwijs. Je bent namelijk direct van betekenis voor de toekomst van kinderen.”

En met open armen ontvangen?
“Mijn eerste werkdag is in augustus. Ik ben nog pas één keer op beide scholen geweest, kennismaken met beide teams. Dat was fijn. En ik heb natuurlijk diverse sollicitatiegesprekken gevoerd. Dat waren open gesprekken, met gespannen verwachtingen. Er is vast ook bij sommigen een zekere scepsis: we zullen het zien. Ik heb in de afgelopen vier jaar heel veel schoolleiders en leerkrachten gesproken. Ik weet dus wel waarover ik praat. Maar dat gaat natuurlijk wel over beleid op nationaal niveau. Daarom wil ik ook bescheiden blijven. Ik heb nog veel te leren over het reilen en zeilen van een school. Ik ga de zijinstroomopleiding doen. Ik word bij Hannah gekoppeld aan een ervaren directeur en de bestuurder zit er ook bovenop. Bovendien heb ik op beide scholen heel goede locatiecoördinatoren. Maar ik kan niet verhullen dat ik nooit voor de klas heb gestaan en bijvoorbeeld die druk nooit zelf ervaren heb. Ik heb al wel aangegeven dat ik veel de klas in wil. Veel meekijken, meemaken.”

Wat doet een goede schoolleider volgens jou?
“Ik denk dat je het verschil kunt maken als je ervoor zorgt dat collega’s kunnen focussen op lesgeven. Je hebt een dienstbare rol. Naast de klas, niet ervoor. En dat past ook bij mij. Het lerarentekort, corona, de noden van de dag: daar moeten leerkrachten niet in verdrinken. Zij geven les, in alle andere dingen moet de schoolleider faciliteren. En focus betekent ook niet alles tegelijk doen. Het belang van de schoolleider bij het naar een hoger niveau tillen van een school is mij goed ingeprent door Petra (van Haren, voorzitter AVS, red.). Daarnaast ligt mijn kracht ook in verbindingen leggen met de gemeenschap rond de school, ouders, gemeenten, kinderopvang, jeugdzorg, andere scholen.”

Wat neem je mee uit je tijd als adviseur van de minister van Onderwijs?
“Bij OCW zitten veel ambtenaren die met liefde naar het onderwijs kijken. Er werken ook leraar-ambtenaren, mensen die beleid op het ministerie combineren met een baan in het onderwijs. Zulke praktijk-ambtenaren zijn heel nuttig. We toetsen dus veel aan de praktijk, ook met bonden en sectorraden. Ik ben benieuwd hoe ik dat ga ervaren als ik aan de andere kant sta. Ga ik dan zeggen: ‘Hoe kun je dat nu verzinnen?’ Dan ga ik mijn oud-collega’s nog weleens lastigvallen. Misschien moet je me er over een half jaar nog maar eens naar vragen.
Wat ik meeneem uit die tijd, wat ik geleerd heb, is dat samenwerken het verschil maakt. Dat geldt voor politiek en ook voor onderwijs. Het moet altijd een teamprestatie zijn. En wat ik daarnaast wil meenemen is dat we ons goed rekenschap moeten geven van wat werkt. Wetenschappelijk onderzoek combineren met de ervaring uit de klas. Dat met elkaar verbinden en vervolgens focus aanbrengen, dan kun je een heel eind komen.”

Het ministerie investeert met het Nationaal Programma Onderwijs 8,5 miljard euro om corona-achter-
standen weg te werken. Daar is gemengd op gereageerd. Hoe kijk je daar tegenaan en hoe ga je daar straks zelf mee om?

“We hebben in deze regeerperiode veel binnengehaald voor het onderwijs, maar in het onderwijs werken geen mensen die hun mond houden. Er is dus veel gemopperd op ons. Maar Twitter is niet bepalend voor hoe de wereld in elkaar zit. Ik snap veel kritiek overigens ook. De brandweer rukt uit, maar je ziet nog steeds je eigen brandje, dan biedt dat weinig troost. Toch hebben we in deze periode mooie dingen bereikt. 14,5 procent salarisverhoging, de werkdrukgelden, de NP Onderwijs-gelden, investeringen om het lerarentekort op te lossen. Waarom die NP Onderwijs-gelden in zo’n korte tijd uitgegeven moeten worden? Dat zijn vragen voor het ministerie. Ik werk daar niet meer en voel me niet vrij om die vragen te beantwoorden. Maar je wil natuurlijk graag dat het geld ten goede komt aan de kinderen die nú achterstanden hebben.
Ik vind het wel heel gaaf dat het bedrag er is. Het is een prachtig bedrag. Laten we het als een kans zien om wat te doen voor kinderen. Natuurlijk is het ingewikkeld om er extra personeel voor aan te nemen, maar ook zonder kun je mooie interventies doen. Kijk hoever je kunt komen. We moeten er wat van maken, zoals ook het ministerie er wat van heeft gemaakt. En hopelijk gaat de volgende regering weer honderden miljoenen extra uitgeven. Dat ligt nu op de formatietafel. Wat ik zelf ga doen met het geld, is voor mij nog niet helemaal duidelijk. Er ligt een conceptplan. Ook is er een schoolscan gemaakt om achterstanden in beeld te brengen. Ik heb het idee dat die bij onze leerlingen nog meevallen, maar natuurlijk zijn er ook achterstanden op sociaal-emotioneel vlak. Daar moeten we echt aandacht voor hebben. Hoe hebben de leerlingen deze periode beleefd.”

Is het onderwijs te kritisch, te conservatief?
“Natuurlijk heeft het mij echt geraakt als mensen het niet meer zagen zitten en zich persoonlijk op ons afreageerden. En dat ging niet altijd netjes. Maar daar moet je dan achter kijken. Er was hoge nood. We moeten onszelf ook niet wijsmaken dat het onderwijs een conservatieve sector is. Dat vind ik loze praatjes. Ik heb de afgelopen jaren heel veel innovatieve schoolleiders en leraren gezien, zoveel nieuwe ideeën. Dat geeft mij een tegenovergesteld beeld. Er is juist heel veel energie. Natuurlijk zijn er genoeg problemen, maar er is ook heel veel positieve kracht. En die grote groep, die is veel stiller, die hoor je minder vaak. We gaan er wat van maken, dat is ook de sfeer bij scholengroep Hannah. En dat spreekt me erg aan.”