Uit het dal blijven

Scholen krijgen twee jaar de tijd om van de lijst `zeer zwakke scholen´ af te komen. Meestal lukt dat ook: met een flinke investering en – vaak – een nieuwe directeur. Maar dan begint het pas: de school moet ook sterk blijven. “Het team moet het snappen. Dat is het cruciale omslagpunt.” Verschillende scholen vertellen over hun `klim´ naar boven.

Tekst Susan de Boer

Drie directeuren heeft christelijke basisschool De Wegwijzer in het Zuid-Hollandse Piershil tussen 2004 en 2009 gekend. De school is in 2004 op de lijst van zeer zwakke scholen gekomen, in 2006 was het een risicoschool en in 2009 verklaarde de inspectie de school weer gezond. “De directeur die in 2004 aan het roer stond stelde verbeterplannen op, samen met het bestuur en het bovenschools management”, vertelt Monique Maaswinkel, de huidige directeur van De Wegwijzer. “Er moest een meerjarenplan komen, een schooljaarplan en een jaarplanning. Vlak voor het inspectiebezoek van 2006 werd de toenmalige intern begeleider benoemd tot directeur.” De inspectie vond de situatie wel verbeterd, maar nog instabiel. Vooral de leerlingenzorg en het kwaliteitssysteem waren nog niet op orde. “Dat heeft de toenmalige directeur opgepakt. Zij heeft een nieuwe intern begeleider aangenomen, en samen hebben ze het zorgbeleid opgezet en uitgevoerd. Ze hebben ook het beleid vertaald naar zorg in de klassen, en een kwaliteitssysteem in de school opgezet.”

Nieuwe visie
In 2008/2009 vond weer een directiewisseling plaats. “Ik ben in november 2008 begonnen als interim, in februari 2009 werd ik directeur. We hebben in die periode veel geïnvesteerd in de leerkrachten: begeleiding bij de invoering van verlengde instructie, een `vangsysteem´ voor leerlingen die dreigden uit te vallen, begeleiding bij het werken met handelingsplannen en groepsplannen. Ook heb ik veel klassenbezoeken afgelegd en gesprekken gevoerd met leerkrachten over wat er is gerealiseerd. We hebben samen een nieuwe visie ontwikkeld.” Maaswinkel wordt door een coach begeleid. “Alle beginnende directeuren krijgen een coach. Daarnaast hebben alle directeuren een maatje, die bij praktische zaken helpt, zoals het schrijven van een jaarverslag of het voorbereiden van een inspectiebezoek.” Maaswinkel ziet wat er nu bereikt is als de basis voor de volgende ontwikkeling. “We hebben het integraal personeelsbeleid gekoppeld aan schoolontwikkeling. Daardoor is er een integraal beleid uitgezet. Dat wordt vertaald in teamvergaderingen en naar de klas. Ik hou de vinger aan de pols met observatie en evaluatie.”

Fusiepartner
Leerlingenzorg was eveneens op Jenaplanschool In de Manne in Veendam een van de voornaamste knelpunten toen de school in 2005 als `zeer zwak´ werd beoordeeld. Ook deze school – weer op een basisarrangement (onder basistoezicht, het reguliere toezicht van de inspectie, red.) sinds november 2009 – heeft een aantal directiewisselingen meegemaakt.
Alex Otten, directeur sinds augustus 2008, vertelt: “In augustus 2007 werd de toenmalige directeur ondersteund door een interim. Later dat jaar werd de interim benoemd tot directeur voor anderhalve dag in de week en bleef daarnaast directeur op een andere school. Daarnaast werd er een intern begeleider aangesteld. Zij hebben samen de hele zorg onder de loep genomen.” De school ging door deze ingreep vooruit, maar niet genoeg. “We waren een eenpitter”, legt Otten uit. “Dan heb je weinig financiële armslag. Daarom hebben we een fusiepartner gezocht.” Voorafgaand aan de fusie was al geïnvesteerd in onder meer nieuwe methodes. Het eerste jaar moesten leerkrachten wennen aan het werken met handelingsplannen, de controle, de groepsbezoeken en het registreren. Het jaar daarna vond een omslag plaats. Otten: “De negen-tot-vier-mentaliteit is weg. De cultuur is geprofessionaliseerd. We volgen toetskalenders en maken trendanalyses. We verbinden ook consequenties aan de leeropbrengsten. Wat kun je als leerkracht doen, zodat de leerlingen beter presteren?” De vroegere interim en de intern begeleider werken nu samen op een andere zwakke school in Veendam. “Ze weten hoe ze een school in kaart moeten brengen, hoe je handelingsplannen moet veranderen, hoe je het in de computer moet zetten, hoe je verbetering aanpakt. Ze kunnen dat snel doorvoeren. De leerkrachten op die school krijgen meteen steun en hulp en zien daardoor snel verbeteringen.”

Cruciale factor
“De leerkracht is de cruciale factor voor een blijvende verbetering van het onderwijs op een school”, vertelt René Koelink. In opdracht van de PO-Raad analyseerde hij scholen die de inspectie in 2009 van de lijst `zeer zwakke scholen´ heeft afgevoerd. Vier van de vijftien scholen uit het onderzoek lukte het om binnen twee jaar van `zeer zwak´ naar het basisarrangement te komen. De andere maakten eerst een periode van verscherpt toezicht mee. “Bij zeer zwakke scholen is de kwaliteit van het onderwijsleerproces meestal het probleem. Een te groot deel van de leerlingen pikt het niet op en blijft daardoor achter in leerprestaties.” Op deze scholen zijn de data van het systeem van leerlingenzorg niet goed inzichtelijk voor de leerkrachten. Daardoor zijn de leerkrachten zich onvoldoende bewust van de achterblijvende resultaten. “Bij alle onderzochte scholen zie je verbetering op gang komen als leerkrachten gaan inzien dat zij ertoe doen en de oorzaken van de lage leerresultaten bij hun eigen handelen in de klas gaan zoeken. Dan gaan ze ook de data gebruiken om hun instructie meer toe te snijden op de onderwijsbehoefte van leerlingen. Dan zie je een omslag naar vraaggestuurd en opbrengstbewust onderwijs.” Goede schoolleiders weten dit veranderingsproces te sturen. “De manier waarop zij dat doen hangt samen met het type schoolleider, het team en de context van de school. De inspectie stuurt op opbrengsten, maar je moet kijken wat het rendement is van de leerkracht. Een schoolleider moet de klassen in, om te zien wat de leerkracht doet met instructie en differentiatie. Externe ondersteuning kan ook helpen, maar heeft het meeste effect als een leerkracht de omslag heeft gemaakt.” Koelink begrijpt het streven van de staatssecretaris om met `Vliegende brigades´ een zeer zwakke school te willen ondersteunen. “De inzet hiervan kan een versnelling betekenen. “Sommige scholen zakken na een fase van verbetering weer terug, stelt Koelink vast. “Dan beseffen de teamleden nog niet goed hoe belangrijk ze juist voor de zwakkere leerling zijn. Ze passen hun onderwijs op onderdelen wel aan, maar vooral omdat de inspectie, het bestuur of de directeur dat van hen vraagt. Niet omdat ze met hun instructie proberen zo goed mogelijk in te spelen op de onderwijsbehoefte van de leerling.” De PO-Raad publiceert het onderzoek van René Koelink medio maart 2010 onder de titel `Het blijft mensenwerk´.

Zorgschool
Basisschool Effen in Breda kreeg in 2007 het predicaat zeer zwak. Inmiddels is de school weer gezond. Ook op deze school was de leerlingenzorg een knelpunt. Directeur Marietje Moll vindt het predikaat ´zeer zwak´ niet helemaal terecht. “We zijn een kleine school en staan in de buurt van grote scholen. Ouders met een zorgleerling zoeken vaak een kleine school, en daar stonden we ook voor open. Maar als van de zeven leerlingen in groep 8 er vijf naar het leerwegondersteunend onderwijs uitstromen, dan kun je dat niet compenseren en wordt je gemiddelde eindscore te laag.” Inmiddels is het team door het Cito geschoold in het kijken naar data en het maken van trendanalyses, worden er ontwikkelingsperspectieven van zorgleerlingen vastgesteld en is de school gestart met een verbetertraject voor taal. Ook het aannamebeleid is veranderd. “We zijn voorzichtiger geworden met het accepteren van leerlingen die nog niet zijn geïndiceerd. Dat is frustrerend. Aan de ene kant hamert de inspectie op opbrengsten, aan de andere kant wil de overheid Passend onderwijs invoeren. Maar we kunnen, door ons lage leerlingenaantal, geen brede zorgschool meer zijn. We zijn nu een smalle zorgschool.” 

Meer weten?
Over de kenmerken en eigenschappen van sterke basisscholen: www.onderwijsinspectie.nl/site/actueel/publicaties/De+sterke+basisschool.html 

 

`Het gehele traject gaat zes jaar duren´
Lievenshove in Brabant was een van de twaalf scholen voor speciaal onderwijs van stichting Het Driespan. In 2007 werd de school onder toezicht van het ministerie van onderwijs gesteld. Het bestuur heeft de leerlingen die niet verbonden waren aan de jeugdzorginstelling Tender naar de andere scholen overgeplaatst, en met hen de meeste leerkrachten. Daarna is de organisatie op de schop gegaan. Voorzitter van het College van Bestuur Stan Hofkes: “De leerlingenpopulatie was te heterogeen. De school is nu uitsluitend voor leerlingen die voortgezet speciaal onderwijs vanuit de Paljas-plusbeschikking (behandeltraject voor jongeren van 12-18 jaar met forse gedragsproblemen, red.) volgen. Omdat er meer scholen van Het Driespan toe waren aan een upgrade hebben we een integrale aanpak doorgevoerd. Zo hebben we een centrale directie ingericht die de locatiedirecteur coacht en aanstuurt. We stellen gezamenlijk kernwaarden vast en we werken samen uit waaraan je kunt zien dat die waarden worden ingevuld. De controle voert de centrale directie uit door middel van audits. Inmiddels zijn we de medewerkers zelf aan het scholen in het afnemen van audits. Daarnaast bieden we cursussen aan en werken we samen met de pabo van Breda aan de ontwikkeling van een Topclass. We willen toe naar zelfsturende teams. Ik denk dat het hele traject ongeveer zes jaar in beslag neemt.”

(Lievenshove heeft sinds 1 september 2009 een naamsverandering ondergaan, samen met alle andere scholen van stichting Het Driespan. De school heet sindsdien Het Warandecollege, red.)

PO-raad start met twinning
De PO-Raad is onlangs met Twinning gestart: het koppelen van zwakke/risicoscholen aan sterke/excellente scholen met behulp van een ervaren externe adviseur. De school kan zo opklimmen en het stempel `zwak´ gaandeweg achter zich laten. In eerste instantie richt de koppeling zich tot het verbinden van de schoolleiders van beide scholen. Meer informatie: Anneke van der Linde, a.vanderlinde@poraad.nl

Meer op het AVS-congres 2010!
Tijdens het AVS-congres `Leiderschap in Lage landen´ op de 19 maart aanstaande verzorgt APS-trainer en consultant Mark van der Pol binnen de idealistische route 3 (Pionieren in de polder) een workshop over `Tenkai´ (ommekeer): een aanpak waarmee de school na een negatief inspectierapport direct resultaten behaalt en een blijvende verbetering van de schoolprestaties tot stand brengt. Tenkai gaat over de kunst van het hervinden van eigen kracht en veranderen met behoud van de missie en de waarden. Bezoek in dit kader ook de ½ uur inloopsessie `Zeer zwakke scholen´ over twinning, verzorgd door de AVS in samenwerking met de PO-Raad. Meer informatie en inschrijven: www.avs.nl/congres2010

Let op: Dit artikel is meer dan vijf jaar geleden gepubliceerd en bevat wellicht incorrecte, onvolledige of ongeldige informatie.