Onderwijs behoort tot de sectoren waar de krapte op de arbeidsmarkt het grootst is en waar dat zonder maatregelen ook zo zal blijven. Diverse maatregelen, waaronder meer uren werken, meer salaris, betere begeleiding van startende schoolleiders, meer zij-instromers, kunnen helpen de krapte te verkleinen. Dat meldt het SER-rapport ‘arbeidsmarktproblematiek maatschappelijke sectoren’ (mei 2022).

De Sociaal-Economische Raad (SER) adviseert om het voor onderwijspersoneel aantrekkelijker te maken om méér uren te gaan werken. Doordat er in het primair onderwijs zoveel in deeltijd wordt gewerkt, zijn meer personen nodig om in de arbeidsvraag te voorzien. Werkgevers spelen een belangrijke rol om dit potentieel veel beter te benutten dan nu gebeurt, zoals met betere roosters. Ook de overheid kan bijdragen door belemmeringen voor jonge ouders weg te nemen. “Uiteraard is het verhogen van de deeltijdfactor alleen kansrijk als dat meerwerk ook loont (marginale druk), en wanneer het aantal contracturen klopt met het daadwerkelijk aantal gewerkte uren”, aldus het rapport.

Daarnaast heeft de onderwijssector te maken met een relatief grote uitstroom van personeel naar pensioen. Maar ook los daarvan is het personeelsverloop hoog. “Een groot probleem in de maatschappelijke sectoren is de mate van administratieve belasting. Dat is niet alleen ondoelmatig, maar ook fnuikend voor het werkplezier”, aldus het rapport. Ook schort het vaak aan de begeleiding van startende professionals, waardoor zij vaak al snel weer vertrekken. Zo stroomt 30 procent van de jonge startende leraren in het voortgezet onderwijs binnen vijf jaar weer uit. Ook denkt de SER dat het onderwijs kan leren van het bedrijfsleven. Zo zouden scholen traineeships kunnen aanbieden.

De instroom uit opleidingen en zijinstroom vanuit andere sectoren en beroepen is op veel plekken onvoldoende om de vervangings- en uitbreidingsvraag op te vangen.

AVS-voorzitter Karin Straus: “De SER meldt ook dat er slimmer gewerkt kan worden in de publieke sector. Niet dat mensen in het onderwijs, zorg of bij de politie minder hard werken dan in het bedrijfsleven. Maar omdat ze minder ondersteund worden en veel tijd kwijt zijn aan administratief werk. AVS pleit hier ook al langer voor. Het feit dat mensen niet inhoudelijk met hun vak bezig kunnen zijn, noemt ook de SER niet alleen ‘ondoelmatig’, maar vooral ook ‘fnuikend voor het werkplezier’.”

Volgens de SER is een belangrijk aandachtspunt dat in delen van het onderwijs de productiviteit in de afgelopen jaren gedaald is, waarbij in veel gevallen ook de kwaliteit van de dienstverlening is afgenomen of gestagneerd. Op dit moment komt innovatie, gericht op een hogere productiviteit, in maatschappelijke sectoren nog onvoldoende van de grond. Het gaat dan om vernieuwende werkprocessen, die het werk slim plooien rond de beschikbare menskracht en om de inzet van arbeidsbesparende technologie (via digitalisering). Ook het instrument van job carving kan worden ingezet om arbeidsdeling effectiever te laten verlopen en bijvoorbeeld vaker arbeidsbeperkten in te kunnen zetten of pedagogisch medewerkers (buitenschoolse opvang) ondersteunende taken van leerkrachten over te laten nemen.

Straus: “Door te weinig aandacht te hebben voor de mogelijkheden van ondersteuning, investeren werkgevers te weinig om dat werkplezier te vergroten. Terwijl je bijvoorbeeld door goede ondersteuning op scholen te organiseren met mensen die andere dan lestaken op zich kunnen nemen, het werk veel aantrekkelijker kunt maken. In navolging van de SER vinden wij als AVS ook dat besturen zich dit moeten aantrekken en investeren in deze manier van goed werkgeverschap.”

Een positieve ontwikkeling die de SER ziet, is dat het kabinet middelen beschikbaar heeft gesteld om de salariskloof tussen het primair onderwijs en voortgezet onderwijs te dichten en dat hierover recentelijk afspraken zijn gemaakt in de CAO PO. Dit zal de aantrekkelijkheid van het primair onderwijs vergroten en een bijdrage kunnen leveren aan het verminderen van de arbeidsmarktkrapte in deze sector.

In het primair onderwijs zijn naar schatting 12.500 extra werknemers nodig (9.100 fte) en in het voortgezet onderwijs 2.100 (1.700 fte).

De SER wijst op de gevolgen van deze krapte. “In het onderwijs leidt de krapte tot de inzet van onbevoegden voor de klas, grotere klassen, vierdaagse schoolweken of de inzet van personeel dat eigenlijk andere taken heeft. Daarnaast zien we dalende onderwijsprestaties in het primair en voortgezet onderwijs, waarbij met name belangrijke basisvaardigheden als lezen en rekenen steeds verder wegzakken.”

Om de kwaliteit en toegankelijkheid van de publieke dienstverlening te verbeteren en de arbeidsmarktkrapte aan te pakken, is een langjarig perspectief in beleid en financiering een noodzakelijke randvoorwaarde, concludeert de SER.

De SER heeft in dit rapport de nadruk gelegd op beslissingen op de kortere termijn. De raad wil in het najaar van 2022 met een volledig advies komen.

Links

Gerelateerd nieuws