Kinderen van ouders met een lager inkomen of opleidingsniveau beginnen al voor de basisschool met een achterstand en zij halen die tijdens hun schoolloopbaan niet in. Dat blijkt uit het onderzoek ‘Ongelijkheid van het jonge kind’ van het Centraal Planbureau dat op 17 december is gepubliceerd. Het opleidingsniveau en het inkomen van de ouders hebben meer invloed op de schoolprestaties van een kind dan een migratieachtergrond.

De CPB-onderzoekers combineerden cohortonderzoeken naar de schoolloopbaan van kinderen in de leeftijd 2 tot 15 jaar met achtergrondinformatie van het CBS over demografische en sociaaleconomische kenmerken. Daaruit komt naar voren dat kinderen van ouders met een laag inkomen of een lage opleiding al op driejarige leeftijd veel minder goed zijn in reken- en taalvaardigheden dan kinderen van ouders met een hoog inkomen of opleidingsniveau. Vanaf groep 3 nemen de verschillen niet of nauwelijks verder toe, maar ze worden ook niet kleiner. Qua werkhouding en gedrag is er weinig verschil tussen kinderen van ouders met verschillende inkomensniveaus. Kinderen met laagopgeleide ouders daarentegen scoren wel lager op werkhouding en gedrag in de klas. 

Ook bij het advies voor de middelbare schoolopleiding speelt het opleidingsniveau van de ouders een grote rol, blijkt uit onderzoek van de Onderwijsinspectie.

Migratieachtergrond

Kinderen met een migratieachtergrond beginnen gemiddeld met een achterstand in taal en rekenen, maar zij maken gedurende hun schooltijd een inhaalslag. Uiteindelijk wijken ze weinig af van hun klasgenoten met een vergelijkbare sociaaleconomische achtergrond zonder migratieachtergrond. Op het gebied van werkhouding en gedrag zijn er al van jongs af aan weinig verschillen tussen kinderen met en zonder migratieachtergrond.

Verschil naar geslacht

Naast de verschillen in achtergrondkenmerken, zijn de verschillen tussen jongens en meisjes vaak nog groter. Meisjes hebben al vanaf tweejarige leeftijd een voorsprong in taalvaardigheid. Jongens ontwikkelen na zes jaar een voorsprong in rekenen, al neemt deze voorsprong op latere leeftijd weer iets af. Jongens scoren daarnaast vanaf jonge leeftijd beduidend lager op werkhouding en gedrag. Een lagere score hierop betekent bijvoorbeeld dat ze minder nauwkeurig werken of sneller opgeven als iets niet lukt.

Ongelijkheid verkleinen

Een achterstand in vaardigheden op jonge leeftijd kan nadelig uitpakken voor de latere kansen op de arbeidsmarkt. Daarom is het belangrijk om al in een vroeg stadium ongelijkheid in het onderwijs tegen te gaan. Uit buitenlandse onderzoeken blijkt dat voor- en vroegschoolse educatie en speciale programma’s gericht op kinderen met achterstand, kunnen helpen om de ongelijkheid op jonge leeftijd terug te dringen. In hoeverre dergelijke programma’s in Nederland het verschil maken, is onvoldoende bekend. Daar is aanvullend onderzoek voor nodig. 

Het CPB-onderzoek haakt aan op breder gedragen zorgen in de samenleving, zegt Debby Lanser van het CPB. “Door de nieuwe lockdown dringt de vraag zich opnieuw op over kansen in het onderwijs. Hoeveel effect gaat dit hebben op kinderen die al een achterstand hebben en uit een minder weerbaar milieu komen?”

Over de manier waarop kansenongelijkheid verholpen kan worden, doet het CPB geen uitspraken. “Uit de literatuur weten we dat voorschoolse educatie een rol kan spelen bij het beperken van ongelijkheid. We gaan nu onderzoeken of dat ook geldt voor kinderopvang in de brede zin”, zegt Lanser van het CPB.

Links

Gerelateerd nieuws