Bestedingen per leerling in vo hoger dan in po

De onderwijsbestedingen in Nederland blijven achter bij de economische groei. De toename in uitgaven aan primair, voortgezet en hoger onderwijs lag in ons land op jaarbasis tussen 2012 en 2019 op 1,1 procent. Dat is veel minder dan het gemiddelde in de EU en binnen de OESO (allebei 1,6 procent per jaar). Dat blijkt uit het rapport Education at a Glance 2021.

Wel besteedt Nederland verhoudingsgewijs iets meer van het Bruto Nationaal Product (BNP) aan onderwijs. Gemiddeld besteden OESO-landen 4,9 procent van het BNP aan onderwijs. Binnen de EU ligt dit percentage op 4,4 en in Nederland, ondanks de lagere groei, nog steeds iets hoger: op 5,2. Er zijn wel grote verschillen tussen de onderwijssectoren. De bestedingen aan leerlingen in het primair onderwijs liggen maar een fractie boven het gemiddelde van landen in de OESO en de EU. In het voortgezet en hoger onderwijs scoort Nederland ruim bovengemiddeld. De bestedingen per leerling in het voortgezet onderwijs liggen in ons land 49 procent hoger dan de bestedingen in het primair onderwijs. In OESO -landen ligt dit verschil gemiddeld op 17 procent.

Mannentekort

In 2019 was het aandeel vrouwelijke leraren in het po groot (87 procent), net iets hoger dan het OESO-gemiddelde van 82 procent. In het vo (54 procent) en mbo (55 procent) is het aandeel vrouwen lager dan het gemiddelde in de OESO-landen, waar het respectievelijk op 68 procent en 60 procent lag in 2019.

In het voorbereidend, primair en voortgezet onderwijs is het mannentekort sinds 2005 wereldwijd verder toegenomen. In de voor- en vroegschoolse educatie ligt het percentage mannen in OESO-landen op 5. In het primair onderwijs en voortgezet onderwijs is 18 en 40 procent van de leraren een man.

Mannen kiezen steeds minder vaak voor het lerarenberoep, zeker als het gaat om lesgeven aan jongere kinderen. Volgens het OESO-rapport komt dit door de grote salarisongelijkheid tussen het onderwijs en andere sectoren. Het gemiddelde salaris van vrouwelijke leraren is hoger of vergelijkbaar met het gemiddelde salaris dat zij als hoogopgeleiden verdienen in andere sectoren, maar dat geldt niet voor mannen in het primair en voortgezet onderwijs. Zij verdienen 15 procent minder dan vergelijkbaar opgeleide werknemers elders. Opvallend is dat Nederland met 12 procent mannen in het onderwijs aan de allerjongste kinderen (voor de kleuterschoolleeftijd) hoger scoort vergeleken met andere landen.

Leeftijd en aantal lesuren leraren

Het aandeel leraren ouder dan 50 jaar lag in 2019 op 33 procent (po), 38 procent (vo) en 45 procent (mbo), alle drie iets hoger dan het OESO-gemiddelde. In Nederland gaven docenten in het po gemiddeld 940 uur per jaar les en in het vo 720 uur. In het vo besteedden docenten gemiddeld 43 procent van hun tijd aan lesgeven, dit ligt net onder het OESO-gemiddelde van 44 procent. De rest van de tijd wordt besteed aan zaken zoals het plannen en voorbereiden van lessen, het nakijken van opdrachten en contact met ouders.

Klassengrootte

Het rapport geeft aan dat onderwijsprestaties verbeteren als de klassen kleiner zijn.

Vooral kinderen met een lagere sociaal-economische status hebben baat bij kleinere klassen. De gemiddelde grootte van klassen in OESO-landen ligt op 21. Het gemiddelde in Nederland ligt daar volgens de OESO-cijfers boven: op 23.

Nieuwkomers/emancipatie

‘Equity’ is een hoofdthema in Education at a glance 2021. De OESO wijst erop dat veel landen al lang worstelen met het bieden van gelijke kansen, op verschillende dimensies, zoals sociaal-economische achtergrond, migratieachtergrond en gender. Dat is in Nederland niet anders. Als je kijkt naar de mensen die buiten Nederland zijn geboren, dan is het behaalde diploma lager dan dat van in Nederland geboren mensen. Van de mensen van 25-64 jaar die vóór hun zestiende naar Nederland zijn gekomen is 35 procent hoger opgeleid (bachelor of master), tegenover 43 procent van de in Nederland geboren mensen van diezelfde leeftijdsgroep.

Het opleidingsniveau van jonge mensen is de afgelopen jaren gestegen. Het aandeel jongeren tussen 22-34 jaar met een bachelor- of masterdiploma is tussen 2010 en 2020 sterk gegroeid in de meeste OESO-landen, zoals in Nederland.

Education at a Glance

De publicatie bevat gegevens over structuur, financiën en prestaties zoals behaalde diploma’s, onderwijsdeelname en aansluiting op de arbeidsmarkt in de OESO-landen. Naast de vaste statistieken zijn er elk jaar een of meer focusthema’s; dit jaar zijn dat kansengelijkheid/emancipatie (‘equity’) en Covid19. De demissionaire onderwijsministers schrijven in hun kamerbrief: “EAG 2021 laat zien dat Nederland op een groot aantal indicatoren een bovengemiddelde positie inneemt in vergelijking met alle OESO-landen. Tegelijkertijd zijn er ook serieuze aandachtspunten, zoals de beroepskeuze van leerlingen in relatie tot de vraag van de arbeidsmarkt, het lage opleidingsniveau van nieuwkomers met ook een lagere werkgelegenheid voor deze laagopgeleiden (zonder havo, vwo of mbo2) en het bedrag dat in Nederland wordt uitgegeven aan Research and Development (R&D). Als we deze uitkomsten van het stelsel vergelijken met de hoger scorende OESO-landen, lijkt daar voor Nederland winst te behalen.”

Links

Gerelateerd nieuws