De wereldwijde COVID-19-pandemie in 2020 heeft schokgolven over de hele wereld veroorzaakt, ook in het onderwijs. Gemiddeld waren scholen in OESA-landen 14 weken dicht. Nederlandse scholen sloten hun deuren 14 weken. Vergeleken met andere landen zijn de gevolgen voor het onderwijs in Nederland waarschijnlijk net iets minder ernstig, omdat Nederland minder afhankelijk is van particuliere financiering van het onderwijs. De gemiddelde klassengrootte in Nederland is hoger dan in andere OESO-landen. Dit blijkt (onder andere) uit het rapport Education at a Glance 2020.

In Nederland was het kleuteronderwijs in 2017 voor 11 procent van de totale uitgaven in Nederland afhankelijk van particuliere bronnen (het OESO-gemiddeld ligt op 17 procent). Daarom is volgens het OESO-rapport Nederland iets minder kwetsbaar voor de gevolgen van een economische crisis vanwege corona. Het Nederlandse onderwijs neemt internationaal nog steeds een sterke positie in. Het rapport richt zich dit jaar veel op beroepsonderwijs (‘vocational education and training’), oftewel het mbo. Toch staan er ook conclusies over het primair en voortgezet onderwijs in.

Salaris

Verder staan in het rapport niet veel opmerkelijke resultaten vergeleken 2019. Wat wel opvalt is dat het rapport benadrukt dat lerarensalarissen een directe invloed hebben op de aantrekkelijkheid van het beroep. “Ze beїnvloeden de beslissing om leraar te worden, de beslissing om terug te keren naar het leraarschap en de beslissing om al dan niet leraar te blijven. Hoe hoger het salaris, hoe minder mensen het beroep verlaten.” Ook door de corona-pandemie dreigt er op die salarissen bezuinigd te worden. Internationaal gezien zit Nederland wat betreft de salarissen onder de middenmoot. In de meeste OESO-landen zie je dat schoolleiders en leraren minder verdienen dan andere hoger opgeleiden in andere sectoren. Nederlandse schoolleiders en leraren verdienen 77 procent van het salaris van een werknemer buiten het onderwijs. Internationaal ligt dat percentage op zo’n 89 procent. Het voortgezet onderwijs in Nederland scoort hetzelfde percentage (89 procent), dus 11 procent minder dan een werknemer buiten het onderwijs.

AVS-voorzitter Petra van Haren: “Met name in het primair onderwijs is hier de afgelopen jaren actie voor gevoerd en ook voor het verlagen van de werkdruk. De AVS is van mening dat het salaris van (adjunct-)directeuren laag is, ten opzichte van leerkrachten, ten opzichte van andere sectoren en zeker ook ten opzichte van andere landen. Dit laatste wordt door dit rapport wederom aangetoond. Daarnaast is werkdrukverlaging door voldoende ondersteunende functies voor de schooldirectie al langer een belangrijke inzet van de AVS.”

Andere belangrijke conclusies uit het rapport:

  • De totale onderwijsuitgaven in Nederland ligger hoger dan het OESO-gemiddelde (13.809 ten opzichte van 11.231 dollar per leerling). (In het McKinsey rapport ‘een verstevigd fundament’ concludeerden de onderzoekers dat de overheidsuitgaven in het primair onderwijs relatief laag liggen ten opzichte van andere OESO-landen) Van Haren: “Juist het verschil van primair onderwijs ten opzichte van andere onderwijssectoren in Nederland moet nader bekeken worden. Investeren aan de basis is van belang voor een succesvolle schoolloopbaan en als basis voor de toekomst van elke leerling. Dat vraagt om extra investeren aan de basis, waar nu de bekostiging zeer krap is.”
  • De gemiddelde groepsgrootte in het Nederlandse basisonderwijs ligt op 23. Het EU-gemiddelde ligt op 21. Van Haren: “Er is al een koers ingezet naar klassenverkleining, het blijft belangrijk hier nog verdere stappen in te zetten. Meer specifiek gaat het dan om de leerling-leraar ratio.”
  • Het gemiddelde aantal lesuren van leraren ligt iets hoger dan dit gemiddelde: 930 uur in VVE (EU-gemiddelde; 993), 930 uur in primair onderwijs (EU-gemiddelde 778), 720 uur in voortgezet onderwijs (EU-gemiddelde tussen 680 en 712 uur).
  • Tijdens hun werktijd voeren leraren ook verschillende niet-onderwijzende taken uit, zoals lesplanning en -voorbereiding, het werk van leerlingen beoordelen en communiceren of samenwerken met ouders of verzorgers. In de onderbouw besteden leraren in Nederland 43 procent van hun wettelijke werktijd aan lesgeven, vergeleken met gemiddeld 44 procent in de OESO-landen.
  • Gemiddeld 89 procent van de 3-5-jarigen in Nederland neemt deel aan voor- en vroegschoolse educatie (VVE).  Het OESO-gemiddelde ligt op 88 procent.
  • De leraar-leerlingratio in de VVE ligt hoger dan gemiddeld. Op elke 16 jonge kinderen staat in Nederland 1 leraar voor de groep (OESO-gemiddelde ligt 1 op 14 kinderen). Nederland investeert ook minder dan gemiddeld in VVE.
  • Nederland heeft relatief veel jonge leraren: 15 procent van de po-leerkrachten is jonger dan 30.

Half september reageren de onderwijsministers op het OESO-onderzoek.

Links