Van scholen wordt verwacht dat zij op veel verschillende terreinen maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen, maar deze zijn niet helder geformuleerd en de doelen zijn niet duidelijk. Het fundament is op dit moment niet op orde, aldus het rapport Kwalitatief goed onderwijs met kansen voor iedereen van de gelijknamige werkgroep van de Rijksoverheid. AVS-voorzitter Petra van Haren heeft hier ook aan meegewerkt. Naast duidelijke doelen en kaders heeft het onderwijs bestuurlijke en financiële ruimte nodig om dat fundament eerst op orde te brengen.
 
Het rapport was al op 28 februari jl definitief vastgesteld, maar de publicatie is uitgesteld vanwege de coronacrisis. Het rapport van de werkgroep, onderdeel van de Brede maatschappelijke heroverwegingen (met in totaal 16 rapporten), is een ambtelijk advies en kan door politieke partijen gebruikt worden bij het opstellen van hun verkiezingsprogramma’s. De Brede maatschappelijke heroverwegingen geven inzicht in mogelijke beleidskeuzes voor de toekomst van ons land op de langere termijn. In de begeleidende brief aan de Tweede Kamer vermeldt minister Hoekstra van Financien dat de coronacrisis geen rol heeft gespeeld bij het opstellen van de opties. “Het kabinet beziet nog of de ontwikkelingen rond het coronavirus en de lessen die we leren in deze periode aanleiding geven om aanvullende opties in beeld te brengen om Nederland op de lange termijn te versterken.”
 
Drie aangrijpingspunten
Het rapport geeft aan dat de samenleving om onderwijs van hoge kwaliteit vraagt, dat ervoor zorgt dat alle kinderen voldoende leerkansen krijgen. Dit staat onder druk. De werkgroep vermeldt de dalende prestaties van Nederlandse leerlingen in internationale vergelijkingen (het aandeel leerlingen dat op vijftienjarige leeftijd onvoldoende kan lezen om aan de samenleving deel te nemen, stijgt). Deze resultaten wijzen er sterk op dat niet alle talenten optimaal benut worden en leerlingen tijdens hun schoolloopbaan tegen drempels blijven aanlopen. De werkgroep meent dat de overheid haar kerntaak op het gebied van onderwijs (het zeker stellen van de kwaliteit en het bieden van gelijke leerkansen aan alle kinderen) de afgelopen tijd niet duidelijk heeft ingevuld. De overheid moet steviger sturen op hoofdlijnen. Daarvoor ziet de werkgroep 3 belangrijke aangrijpingspunten:

  • Organisaties in het funderend onderwijs moeten duidelijke doelen, taken en rollen hebben. Dit vraagt vooral investeringen in de kwaliteit en opleiding van leraren, schoolleiders en schoolbestuurders, ondersteund door beter gebruik van kennis uit de praktijk en wetenschap, en ook een nog zichtbaarder Inspectie van het onderwijs. Een gezamenlijke visie op het leraarschap met een focus op doorgroeimogelijkheden en carrièreperspectief ontbreekt. Veel schoolleiders ontbreekt het aan heldere eisen en aan voldoende ondersteuning;
  • Volgens onderzoek loont het als kinderen eerder beginnen met hun schoolcarrière. Verschillen tussen kinderen ontstaan vroeg. Het gezin, de straat, de wijk en de omgeving waarin een kind opgroeit, maken uit voor later succes;
  • Ieder kind heeft tijdens zijn schoolcarrière recht op gelijke leerkansen om talent maximaal te ontplooien. De huidige vroege selectie in het Nederlands onderwijsstelsel moet geen nadelige effecten hebben op gelijke leerkansen.

De werkgroep merkt ook op (bij punt 1) dat scholen onvoldoende gebruikmaken van kennis van ‘wat werkt’, zowel uit de praktijk als uit de wetenschap. “Zij werken weliswaar aan vernieuwing, maar onderzoeken het effect te weinig”. Ook zijn er verbeteringen mogelijk op gebied van samenwerkingen, tussen scholen en schoolbesturen onderling, maar ook tussen scholen en andere partijen.
 
 
Duidelijke keuzes en sturing nodig
De werkgroep merkt op dat deze voorstellen (helaas) niet nieuw zijn, maar dat deze aanbevelingen tot nu toe onvoldoende in daden zijn omgezet. De werkgroep heeft zich daarom ook gebogen over de vraag waarom veranderingen die evident en noodzakelijk lijken, toch moeizaam tot stand komen (#hoedan).
 
Oudere rapporten bieden houvast bij het beantwoorden van deze vraag. Om het stelsel van autonomie goed te laten werken, is het nodig dat duidelijke keuzes en heldere sturing van de overheid uitgaan. De werkgroep constateert dat het Rijk stelselverantwoordelijk is, maar nu alleen hard stuurt via de wettelijke deugdelijkheidseisen en via het verstrekken van subsidies. De overige opdrachten aan het onderwijs zijn nu vaak niet wettelijk afdwingbaar. Van schoolbesturen en scholen wordt wel verwacht dat zij op vele terreinen maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen, maar deze zijn niet helder geformuleerd en de doelen die nagestreefd worden zijn niet duidelijk. Het Rijk heeft de neiging om op detailniveau doelen te stellen, die ook nog voortdurend veranderen. Dit zorgt voor sturingsoverload en daarmee beleidsresistentie. De werkgroep concludeert dat het fundament op dit moment niet op orde is. Naast duidelijke kaders en doelen heeft het onderwijs ook de bestuurlijke en financiële ruimte nodig om dat fundament in orde te brengen. Zo is het onder andere nodig verder te investeren in het carrière- en doorgroeiperspectief van po-leerkrachten om gelijke beloning voor gelijk werk te realiseren.
 
Als het fundament op orde is gebracht, kan hierop verder worden gebouwd. De werkgroep schetst hiervoor drie thema’s die aansluiten bij de hiervoor genoemde aangrijpingspunten. Binnen ieder thema onderscheidt de werkgroep twee varianten (lees verder in de samenvatting, pagina 7-18).
 

Links

Downloads

Gerelateerd nieuws

  • Onderwijsraad: het onderwijs moet inclusiever

  • Monitor Hybride onderwijs: reflectie op afstandsonderwijs

  • Sterke schoolleiders belangrijk punt voor politieke verkiezingsprogramma’s

  • Vernieuwde Canon van Nederland gepresenteerd