Was het in jaren negentig al heel wat om als gay of bi uit de kast te komen. Voor de huidige generatie jongeren zijn gender, identiteit en seksuele geaardheid veel minder strak omlijnde begrippen. Deze diversiteit levert andere vraag-stukken op, die je als schoolleider moet zien te beantwoorden om een veilig schoolklimaat te kunnen garanderen.

Uit internationaal onderzoek blijkt dat de leeftijd waarop jongeren uit de kast komen, steeds lager wordt, stelt universitair docent Laura Baams, die onderzoek doet naar seksuele- en genderdiversiteit aan de Rijksuniversiteit Groningen. Veel jongeren lijken op het vlak van gender, seksuele geaardheid en identiteit zoekende. Maar of hun aantal is gestegen, blijft onduidelijk. “Naar schatting twee tot tien procent van de jongeren heeft een LHBT-identiteit. Via sociale media kunnen jongeren op veel jongere leeftijd ontdekken dat seksuele en genderdiversiteit bestaat. Daardoor is het nu makkelijker dan 25 jaar geleden om woorden te geven aan de gevoelens die je hebt. Er is meer openheid op jongere leeftijd door de toegenomen sociale acceptatie, maar onze maatschappij is nog steeds heteronormatief.”

Spreek je uit

Dat laatste herkent Peter Dankmeijer. Hij is expert op het gebied van gender en diversiteit in het onderwijs en geeft trainingen bij onder meer Stichting School & Veiligheid. “Schoolleiders moeten beseffen dat veel leerlingen last hebben van die heteronormativiteit in onze samenleving. Op school worden zij geconfronteerd met allerlei stereotype beelden en organisatorische zaken geënt op het traditionele man-vrouw-plaatje. Zo vallen leerlingen die in transitie zijn buiten de boot elke keer als ze een vinkje moeten zetten bij ‘jongen’ of ‘meisje’. Er ontbreekt nogal eens ruimte voor andere genderidentiteiten.” Negen van de tien keer is er geen kwade opzet in het spel, maar zijn veel scholen onvoldoende bekend met of zich niet bewust van genderdiversiteit en het brede pallet aan seksuele voorkeuren. Sommige vragen worden daardoor niet gesteld. Daarnaast zijn niet alle leerlingen even vooruitstrevend of open minded. “Als een leraar dan bijvoorbeeld aankondigt een speciale les te geven over homoseksualiteit en de hele klas begint te joelen, dan is het verleidelijk om die les volgend jaar niet meer te geven. Het is lastig om daar goed mee om te gaan. Maar zó moet het dus niet”, meent Dankmeijer. “Een school moet zich juist in zulke situaties duidelijk uitspreken!”

Microagressie door leraren

Het onderwijs heeft een grote invloed op het wereldbeeld van kinderen, onderstreept Baams. “Op school komen kinderen in aanraking met andere jongeren die op hen lijken, maar ook met jongeren die anders zijn. Hier leren ze over het belang van acceptatie, begrip en empathie. Dat zijn belangrijke lessen die het onderwijs jongeren meegeeft. De leraar heeft een voorbeeldfunctie in hoe op school wordt gesproken over diversiteit. Daarbij is het belangrijk dat in de visie van de school diversiteit expliciet naar voren komt. Het is goed als een school zegt welk gedrag wel en niet geaccepteerd wordt en zich uitspreekt voor seksuele en genderdiversiteit. Benoem je het niet? Dan doe je in feite alsof het er niet is.”
LHBTIQ+-leerlingen worden meer gepest dan hetero-leerlingen, stelt Baams. “Zelfs door leraren. Het gaat vaak om opmerkingen die we niet per se onder pesten scharen, maar die wel een negatieve impact hebben. Zeg maar, de vervelende grapjes. Dat noemen we microagressie. Het komt veel voor onder leerlingen op Nederlandse scholen en heeft invloed op hun mentaal welbevinden. Voor het realiseren van een veilig schoolklimaat is het daarom van belang om elkaar voortdurend op dit gedrag te blijven aanspreken.”
Pesten aanpakken is belangrijk, omdat LHBTIQ+-leerlingen in verhouding tot hetero-jongeren meer mentale gezondheidsproblemen hebben. Die problemen hebben vaak niet eens te maken met hun identiteit. Want in tegenstelling tot wat wel eens gedacht wordt, worstelen deze jongeren helemaal niet zo met wie zij zijn, aldus Baams. “Uit gesprekken met leerlingen komt steeds weer naar voren dat ze niet weten waar ze pesterijen kunnen melden. Pesten is weliswaar niet helemaal uit te bannen, maar kan wel beter worden aangepakt. Elke school heeft een procedure om pesten te melden, toch is het voor veel leerlingen niet helder waar ze terechtkunnen met hun verhaal. Maak dit beter duidelijk. Dat is vrij simpel aan te pakken en de impact is groot.”

Gevoelens van ongemak

In het creëren van een open sfeer heeft de schoolleider de belangrijkste taak, aldus Dankmeijer. “Als schoolleider heb je een voorbeeldrol”, vindt ook Peter van Dijk, voorzitter van het College van Bestuur en schoolleider van een van de locaties van christelijke scholengemeenschap De Goudse Waarden in Gouda. “Je kunt nog zo veel afspraken maken over hoe je omgaat met elkaar: als schoolleider heb je continu een voorbeeldrol in hoe je zélf over en met mensen praat, maar ook in de manier waarop je met medewerkers en leerlingen het gesprek voert als iemand denkt een kwetsende opmerking als ‘homo’ of ‘mietje’ te kunnen maken. Ook een gebbetje bespreek ik wél.”
“Van leraren mag je een professionele houding verwachten en het besef dat een opmerking kwetsend kan zijn. ‘Wat maakt het voor jou ingewikkeld?’, vraag ik dan. Zeker als het geloof een argument is om moeite te hebben met bijvoorbeeld homoseksualiteit, is mijn antwoord: ‘Dat mag, maar het is jouw taak om veiligheid te realiseren in de klas en voor leerlingen.’ Ga vooral niet zeggen dat iets níét mag. Praat liever over hoe iemand met zijn gevoelens van ongemak omgaat. Mijn ervaring is dat je er samen meestal wel uitkomt. Als ik met teamleden, ouders of leerlingen over dit thema spreek, dan gaat het vaak over onderliggende zorgen en angsten. De samenleving die zichtbaar verandert en daarin moeten mensen mee.”
Het belangrijkste wat een school LHBTIQ+-leerlingen kan bieden, is een sociaal veilig klimaat. En dat komt pas goed van de grond als je een algemeen beleid en een visie ontwikkelt over waar je naartoe wilt met het onderwijs op jouw school, aldus Dankmeijer. “Het beste is als er een sociale sfeer op school hangt met een goed integraal burgerschapscurriculum. Om dat te kunnen bewerkstelligen heb je een leerplan, lessen en curriculum nodig, die allemaal in het teken staan van respect voor elkaar en vreedzaam communiceren. Een veilige school besteedt aandacht aan sociaal-emotionele vaardigheden en omgaan met conflicten.” Dankmeijer: “Het gaat dus niet over het aanbieden van een enkel lesje over homoseksualiteit of transgender zijn. Kennis an sich is niet zo’n goed middel om begrip voor elkaar te kweken en zet weinig zoden aan de dijk als het klimaat er niet naar is om open over gender, identiteit en geaardheid te praten. Als school kun je daadwerkelijk bijdragen aan het ontwikkelen van basisvaardigheden van leerlingen. Denk aan openstaan voor anderen en elkaar accepteren. Belangrijke vaardigheden van onderzoekend leren gelden ook hier, zoals luisteren naar elkaar voordat je oordeelt en nieuwsgierigheid kweken bij leerlingen.”

Genderneutrale namen

Als op jouw school zo’n klimaat heerst, zal een zorgcoördinator niet zo snel bellen – zoals Dankmeijer onlangs overkwam – met de vraag: ‘hoe ga ik om met de golf van leerlingen die allemaal een genderneutrale naam wil?’ “Het leek deze zorgcoördinator het beste om hier maar niet te veel op in te gaan.” Dankmeijers advies was het tegenovergestelde. “Door naar deze leerlingen te luisteren werk je mee aan hun zelfontplooiing. Dát is je pedagogische opdracht. Je moet leerlingen erkennen en dat zoiets praktisch lastig kan zijn, is dan maar zo. Eventueel werk je de eerste tijd met naambordjes.”
Baams wijst op het belang van Gender & Sexuality Alliance (GSA) op scholen, die leerlingen doorgaans zelf oprichten. “Uit internationaal onderzoek blijkt dat een GSA een positieve factor is op veel scholen: leerlingen presteren beter, beschikken over een betere mentale gezondheid, worden minder gepest en voelen zich veiliger.”

Een open houding

Dankmeijer is het helemaal met Baams eens. “Een GSA draagt bij aan een open houding. Het werkt geweldig ondersteunend voor LHBTIQ+-leerlingen, want die voelen zich vaak de enige op school.” Dat is eveneens de ervaring van Van Dijk. “Ik steun de GSA niet alleen door er vierkant achter te staan. Ik ben er trots op. Laatst werd me gevraagd of er op de open dag een standje moest komen voor LHBTIQ+-leerlingen. Dat is voor mij geen vraag. Dat vind ik de normaalste zaak. Op die manier laten we als school duidelijk zien dat we elk kind serieus nemen. Als iedereen bovendien kan zien dat ook LHBTIQ+-leerlingen zich veilig voelen op onze school, dan is het hier veilig voor elk kind, ongeacht sekse, huidskleur of geloof.”
Daarnaast neemt Van Dijk de input van de GSA in de praktijk ter harte: “Onlangs spraken de leerlingen van de GSA zich uit voor genderneutrale toiletten. Die gaan we natuurlijk zo snel mogelijk realiseren. Een aantal kinderen zit in transitie en geeft aan zich ongelukkig te voelen om als man of vrouw aangesproken te worden. Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn. Ik vind het dan leuk om uit te zoeken wat de mogelijkheden zijn binnen het leerlingvolgsysteem om dat aan te passen.”
Dankmeijer waarschuwt dat het hebben van een GSA alléén niet voldoende is om een veilig schoolklimaat te realiseren. “Mijn ervaring is dat GSA’s vaak bestaan op scholen die al een open klimaat hebben. Er zijn bijvoorbeeld niet zo veel GSA’s op vmbo-scholen, waar over het algemeen nog meer een machosfeer heerst”.

Kleine signalen helpen

“Praat met elkaar over welke sfeer je wilt hebben op school en op welke manier een docent daar als rolmodel invloed op heeft”, zegt Dankmeijer.” Neem bijvoorbeeld de leraar houtbewerking die tien minuten theepauze introduceerde en de leerlingen om beurten thee liet zetten. In het begin werd dat niet heel mannelijk gevonden, maar het is wel een manier om de masculiene sfeer te verzachten.”
Soms kan een regenboogvlaggetje op de deur van het klaslokaal al voor een veilig gevoel zorgen, vult Baams aan. “Dan geef je als leraar aan dat dit een plek is waar je mag zijn. Díe houding is zo belangrijk om te laten zien. Het zijn vaak kleine signalen die een veiliger gevoel opleveren. Het kan best zijn dat het niet voor 100 procent lukt om een veilig klimaat te creëren of pesten helemaal uit te bannen, maar dat een leerling jou weet te vinden, dáár gaat het om.”

Meer weten?

• De themawebsite gendi.nl wil scholen inspireren en adviseren over respectvol omgaan met gender- en seksuele
diversiteit. Het platform is opgericht door Stichting School & Veiligheid, je vindt hier ook praktische informatie
en input voor lesmateriaal.
• Een genderalliantie op scholen ontstaat meestal op initiatief van leerlingen.
Wil je daar meer over weten?
Zie: gsanetwerk.nl.

Interessant?
Dit artikel stond in Kader, het vakblad voor schoolleiders, dat AVS-leden maandelijks ontvangen. De AVS komt op voor de belangen van schoolleiders in het basis- en voortgezet onderwijs. Word ook lid of abonnee, ontvang voortaan iedere maand een kersvers exemplaar in de brievenbus en versterk de positie van schoolleiders.

Gerelateerd nieuws