Onderwijs anders organiseren

De coronacrisis zet de manier waarop we onderwijs geven op zijn kop en legt patronen bloot. Het is een leerzame tijd voor schoolleiders die nadenken over het anders organiseren van onderwijs. Meer kindgericht, flexibeler en meer samen met de omgeving van het kind.

“Het denken over verschillen tussen kinderen en op een flexibele manier omgaan met die verschillen.” Dat is wat het onderwijs volgens onderwijsadviseur Machiel Karels kan meenemen van de coronacrisis en het afstandsonderwijs. Karels is directeur van Wij-leren.nl, hij is aangesloten bij de Taskforce Ontwikkelingsgericht onderwijs en een van de auteurs van het boek ‘Onderwijs na COVID-19’. “De crisis heeft patronen aan de oppervlakte gebracht. Ik begeleid verandertrajecten en zie dat veel scholen hun onderwijs nu versneld flexibiliseren. We zijn in het onderwijs van de consensus, maar door de urgentie tijdens de crisis gooiden veel scholen in twee weken tijd alle mitsen en maren tegen flexibeler onderwijs overboord. Schoolteams proberen hun onderwijs om de kinderen heen te organiseren, in plaats van hun een dichtgetimmerde structuur van vakken en roosters op te leggen.”

Kansenongelijkheid

“Middenin de crisis werkten scholen even los van alle systemen”, zag Reinoud Buijs, onderwijsadviseur en opleider bij de Nso/Cna-Leiderschapsacademie. “Er was minder administratieve last, er werd minder getoetst, leraren richtten zich op waar het echt om gaat: het contact maken met kinderen.” Hij zag twee bewegingen toen het coronavirus om zich heen greep. De eerste is mooi: “Ik zag scholen heel snel schakelen, met veel flexibiliteit en creativiteit. Het afstandsonderwijs maakte duidelijk dat scholen er echt toe doen als plek waar we elkaar ontmoeten, waar kinderen zich ontwikkelen, waar we hen zien. Bovendien kregen ouders vaak meer waardering voor het werk van de leraar.” Tegelijkertijd legde het thuisonderwijs ook een schaduwkant van het onderwijssysteem bloot. Buijs: “Er waren ouders die hun kind zo goed mogelijk thuis begeleidden, maar voor anderen was dat lastig. Corona vergrootte de kansenongelijkheid.”

Meer kindgericht

Dat laatste zag ook Ellen de Neef, bestuurder bij Stichting Katholiek Onderwijs Hulst (drie basisscholen). Maar: “Tegelijkertijd waren er leerlingen die het opeens erg goed deden. De factoren die dááraan bijdroegen, moeten we integreren in het onderwijs. We hebben gezien dat we sommige dingen heel goed op afstand kunnen doen.” De bestuurder pleit voor een meer kindgerichte benadering. Daar hoort ook een ander taalgebruik bij, dat beter past bij hoe we naar kinderen kijken. “De onderwijsinspectie legde na de lockdown een nadruk op ontstane onderwijsachterstanden. Maar je kunt ook zeggen dat een kind zich anders ontwikkelt, of zich op een bepaald gebied minder ontwikkelt.” Het gaat er immers om hoe een kind zich ontwikkelt ten opzichte van zichzelf, vindt De Neef. “Dat betekent ook: minder belang hechten aan de toetsen en meer formatief toetsen zodat een kind zelf ziet: hé, ik ga vooruit!”

Kritisch kijken

Ook voor Reinoud Buijs is dit het moment om kritisch te kijken naar de manier waarop we ons onderwijs hebben ingericht. “Het leerstofjaarklassensysteem, de slagboom in groep 8, de niveauklassen van het voortgezet onderwijs: zaken waarvan je je kunt afvragen of deze bijdragen aan de ontwikkeling en het welzijn van kinderen.” Machiel Karels zit op dezelfde lijn: “Het leerstofjaarklassensysteem gaat uit van de niet-bestaande gemiddelde leerling.” Ook neemt hij graag afscheid van de fragmentatie van zaakvakken. “Tijdens het afstandsonderwijs stuurden veel ouders en scholen de kinderen naar buiten, om bijvoorbeeld in het bos te bewegen, rekenopdrachten te doen, iets over biologie te leren. Zo’n rijke, betekenisvolle leeromgeving werkte heel goed. Dat moeten we vasthouden.”

Flexibiliteit vormgeven

Natuurlijk zijn er ook scholen die de crisis zagen als verstoring van hun routines, erkent Karels. “Maar de meeste zoeken manieren om die beoogde flexibiliteit vorm te geven. Hoe houd ik zicht op de diversiteit van de kinderen? Hoe laat ik de kwaliteitszorg met hen meebewegen? Hoe ontwikkelen kinderen zich, en wat betekent dat voor de inrichting van mijn onderwijs? En over welke pedagogisch-didactische vaardigheden moeten onze leraren dan beschikken?” Vooral die laatste vraag wordt vaak overgeslagen, ziet hij. Of scholen plannen er niet genoeg tijd voor in. “Als je als school de transitie maakt naar meer flexibel georganiseerd onderwijs, dan moet je starten bij de waarom-vraag. Maar leraren zijn vaak heel praktisch ingesteld, ze kijken meteen naar de hoe-vraag en gaan praktisch en organisatorisch aan de slag.” En daarom heeft de schoolleider hierin een belangrijke rol, vindt Karels. “De schoolleider moet een lerend proces organiseren, waarin je met elkaar de juiste elementen doordenkt: wat betekent kindgericht onderwijs voor ons als leraren, welke vaardigheden en faciliteiten hebben we nodig?”

Geleerde lessen

De lockdown stimuleert bestuurder Ellen de Neef om het onderwijs op een andere manier te organiseren. “Met de directies van onze scholen wil ik evalueren: wat heeft gewerkt, wat kunnen we een volgende keer beter doen? Daarbij zou ik ook willen kijken naar de kwetsbare kinderen en de zorgondersteuning: hoe kunnen we sneller en beter handelen in connectie met de zorg? Vanuit de jeugdzorg waren er toegewijde mensen 24/7 beschikbaar, dat is prachtig, maar het zou niet van personen afhankelijk moeten zijn. Daarvoor moet de structuur veranderen. Dat vraagt om een gesprek met de hele omgeving van het kind: ouders, gemeente, zorg, inspectie, kinderopvang, vervolgonderwijs, verenigingen… Zodat we niet zodra er een vaccin is weer teruggaan naar de oude situatie.” Buijs adviseert om ook te zoeken naar vormen waarbij meer gebruik gemaakt wordt van mensen van ‘buiten’ die kinderen begeleiden. “Bijvoorbeeld op sociale en persoonlijk ontwikkeling, naast de pedagogisch-didactische begeleiding van de leraar. Een belangrijke uitdaging voor de schoolleider is een school te creëren waar je met elkaar continu leert hoe je de ontwikkeling van alle kinderen een stap verder brengt.” De Neef ziet educatieve centra voor zich, die een afspiegeling van de samenleving vormen. “Daarin is dus ook plaats voor kinderen die zich op een andere manier ontwikkelen, zij moeten ook een plek krijgen in de samenleving waarin ze opgroeien. Ik zou dus ook graag het speciaal onderwijs, als dat maar enigszins kan, terugbrengen in het regulier onderwijs.” De bestuurder was voor corona ook al met dit onderwerp bezig, vertelt ze. “Maar nu is er momentum.” Bovendien: “Onze organisatie bevindt zich in een fusietraject. De uitdaging in dit verhaal is: hoe kunnen we dit alles in een grotere organisatie klein organiseren. Iedereen moet zich gezien voelen. Het moet klein blijven voelen.”

Onderwijstijd

Een ander onderwerp dat mede door corona weer op tafel ligt, is de onderwijstijd. Nederlandse kinderen krijgen relatief veel uren onderwijs. Het CAOP, dat in opdracht van het ministerie de effecten van een lagere urennorm of anders ingerichte onderwijstijd onderzocht, stelde in augustus vast dat meer onderwijstijd de leerresultaten van leerlingen niet altijd ten goede komt. Dat ziet ook De Neef: “Natuurlijk zijn er veel vaardigheden die je beter in school kunt leren dan thuis, maar kinderen leren overal. Taal, lezen, schrijven, maar ook andere dingen. Dat hoeft niet altijd in een vijfdaagse schoolweek. Ik denk dat we in Nederland met minder onderwijstijd toekunnen. De vraag is: hoe kunnen we kinderen helpen om zich nog meer te ontwikkelen?” Een vierdaagse schoolweek maakt de school in coronatijd bovendien minder kwetsbaar, denkt Buijs.

Crisismanagement

Karels is ervan overtuigd dat de beweging naar meer kindgericht onderwijs toekomstbestendig is. “Die ontwikkeling is in lijn met de pedagogische drive van leraren. Kindgericht onderwijs is geen hype, en door de coronacrisis zit er nu water onder het schip.” Tegelijkertijd is de coronamist nog niet opgetrokken. Leraren zijn meer ziek of moeten uit voorzorg thuisblijven. Het publieke gesprek gaat over testcapaciteit, mondkapjes en of een leerling met een snotneus naar school mag. Dat gaat ten koste van de verbetercultuur, ziet ook Buijs. “De uitdaging van de schoolleider blijft voorlopig: hoe zorg ik ervoor dat elke klas een leerkracht heeft? Terwijl het zou moeten gaan om de vraag: hoe krijgen we beter onderwijs? Schoolleiders moeten meer dan ooit leidinggeven aan een complexe context die wekelijks verandert, en ondertussen ook nog de kwaliteit van het onderwijs verbeteren. De valkuil is dat we door crisismanagement zaken als het leesonderwijs en de kansengelijkheid laten liggen.”

Bij uitgeverij Gompel&Svacina verscheen onlangs het boek ‘Onderwijs na COVID-19’ van de Taskforce Ontwikkelingsgericht Onderwijs. De auteurs verantwoorden ideeën en scenario’s voor een heel andere onderwijswerkelijkheid, zonder jaarklassensysteem, zittenblijven, afstromen of ten­ta­mens zoals nu. ISBN: 9789463712316, www.taskforceoo.nl

Kader Primair
Dit artikel heeft in Kader Primair gestaan. AVS-leden ontvangen Kader Primair maandelijks op de mat. Nog geen lid? Bekijk hier eerder verschenen nummers, word lid en ontvang voortaan ook iedere maand een kersvers exemplaar in de brievenbus!

Gerelateerd nieuws