Het Onderwijsdebat: de belangrijkste punten

Tijdens het Nationaal Funderend Onderwijsdebat op maandag 6 oktober gingen kandidaat-Kamerleden van acht politieke partijen in gesprek over actuele uitdagingen in het primair en voortgezet onderwijs. Thema’s waren onder meer later selecteren, onderwijshuisvesting, inclusiever onderwijs, zij-instroom, klassengrootte en mobieltjes op school.

We geven je een overzicht van de belangrijkste standpunten. Wil je het hele Onderwijsdebat terugkijken? Dat kan hieronder. Het debat begint op minuut 15:00.

Later selecteren

Het Onderwijsdebat werd geopend met de stelling dat leerlingen pas op latere leeftijd op niveau ingedeeld moeten worden. PvdA-GL, VVD, CDA en Volt gingen hierover met elkaar in gesprek. Volt-kandidaat Inge Vossen-Van Beers steunt deze stelling. “Als je kijkt naar verschillende onderzoeken, dan tonen die aan dat wanneer leerlingen op latere leeftijd die keuze kunnen maken, dat ze dan verder ontwikkeld zijn. Ik denk dat je daardoor veel meer kansen creëert voor kinderen om een eerlijke start te krijgen.” 

Ook PvdA-GL’s Marjolein Moorman is een groot voorstander van later selecteren. “Wij selecteren kinderen veel vroeger dan andere landen en wij doen het ook nog eens een keer van het praktijkonderwijs tot aan het gymnasium. Daarmee stoppen wij kinderen in allemaal verschillende hokjes, waardoor heel veel talent niet de tijd krijgt om zich te ontwikkelen.”

CDA-kandidaat André Poortman waardeert de inhoudelijke insteek, maar geeft aan dat zijn partij het niet in het verkiezingsprogramma heeft opgenomen. “Het wijzigen van het stelsel gaat heel veel geld kosten en het legt druk op de op de uitvoeringscapaciteit. Het personeelstekort ligt toch als een zware deken over het onderwijs heen.”

VVD’er Martin de Beer uit eveneens zijn bezorgdheid. “Wij zien er echt wel bezwaren in als je te laat de keuze gaat maken. Dat je dus met brugklassen aan de slag moet waarbij leerlingen het tempo soms te hoog vinden liggen en andere leerlingen geen uitdaging zien. Dat management, dat spel in de klas spelen, dat leg je dan allemaal op de schouders van die leraar..”

Inclusiever onderwijs

Het Onderwijsdebat ging ook over de ambitie om het onderwijs inclusiever te maken, met een doelstelling voor 2035. SP-kandidaat Bastiaan Meijer benadrukt: “Ik denk dat er in 2035 er nog steeds wel scholen moeten zijn waar mensen die echt passend onderwijs nodig hebben terechtkunnen. Dat neemt niet weg dat we nu ook de situatie hebben dat heel veel kinderen die prima met aanpassingen naar een reguliere school kunnen, dat op dit moment niet kunnen. Daar moeten we zoveel mogelijk aan gaan doen.”

Ook D66’er Ilana Rooderkerk pleit voor een proactieve aanpak. “De visie moet wat mij betreft wel degelijk zijn dat we kinderen zoveel mogelijk samen naar school laten gaan. Als principe. Als je dat met elkaar wilt, dan moet je vervolgens kijken: wat is daarvoor nodig.”

ChristenUnie-kandidaat Nico Drost deelt de ambitie, maar waarschuwt voor ‘Haags wensdenken’: “Ieder kind heeft het recht op leren. Ieder kind heeft het recht om in een liefdevolle omgeving te worden op gevangen, waar er zorg is die nodig is. En er zijn ook heel veel mooie voorbeelden van scholen waar het lukt. Maar er zijn ook scholen waar de uitdagingen zo groot zijn, dat ze er op dit moment nog niet aan toe zijn. Waar we kinderen tekort zouden doen als we zouden eisen dat in 2035 de schooldeuren opengaan.”

Martin Oostenbrink (BBB) uit soortgelijke zorgen. “Ik denk dat als een kind naar een reguliere school kan, dan moet dat absoluut kunnen en moeten, mits de school ook daarvoor gemaakt is. Ik merk in de regio dat je daar kleine dorpsscholen hebt die dat niet aankunnen.”

Onderwijshuisvesting

Daarna debatteerden CU, BBB, PvdA en D66 over de stelling dat er een langjarig plan met miljardeninvestering nodig is om alle schoolgebouwen binnen 25 jaar geschikt te maken voor goed onderwijs. Alle vier partijen onderschrijven deze noodzaak. Marjolein Moorman, nu nog wethouder in Amsterdam, herkent de problemen. “Wij krijgen veel te weinig geld van het rijk en moeten daar als gemeente heel veel bovenop leggen om onze schoolgebouwen te kunnen bouwen. Dan is het onderhoud bij de schoolbesturen zeker nog een ding.”

Ook de andere partijen benadrukten het belang van structurele financiering voor onderwijshuisvesting. Tegelijkertijd kiest bijvoorbeeld de ChristenUnie en het CDA er niet voor om de benodigde 1,4 miljard euro volledig in hun verkiezingsprogramma op te nemen.