Dubbelinterview met oprichters Thijs Bol en Inge de Wolf

Het is een geste aan scholen en schoolleiders, het zelfbenoemde ‘Onderwijs-OMT’
van twaalf onderwijswetenschappers die het veld adviseren over het verminderen van
‘coronaschade’ bij leerlingen. Met onderzoek tonen ze de effecten van interventies, in de
hoop dat scholen en besturen de miljarden van het Nationaal Programma Onderwijs zo
besteden, dat ze werkelijk verbetering brengen.

Hoe waren de reacties op jullie initiatief vanuit het
onderwijsveld?


Inge DeWolf: “Heel enthousiast. Toen we publiciteit kregen,
ontvingen we honderden mails, van individuen en
van organisaties, zoals de onderwijsbonden. Zij zeiden
ook meteen: we willen jullie graag helpen jullie adviezen
te verspreiden.”

Thijs Bol: “En dat moet zo handig mogelijk. We hoeven
niet zo nodig een groots mediamoment met demissionair
minister Slob. We willen ervoor zorgen dat de kennis uit
die adviezen zo makkelijk mogelijk bij scholen terecht
komt.”

DeWolf: “Uit heel verschillende disciplines hebben we
twaalf wetenschappers bij elkaar gebracht. Toch gaat de
samenwerking verrassend soepel.”

Bol: “En er zitten nog zeker twintig adviseurs omheen.
We betrekken ook mensen van buiten, willen juist geen
gesloten eliteclub zijn. Mijn inbox zit vol mails van
schoolleiders en docenten met thema’s waarvoor zij een
advies nodig vinden. Er is grote behoefte aan kennis bij
schoolleiders en daar springen we op in. Tegelijkertijd,
laten we reëel blijven: we doen dit in onze eigen tijd, we
kunnen niet in één maand veertig adviezen uitbrengen of
alle vragen beantwoorden.”

Het ‘echte’ OMT komt voortdurend met adviezen en
richtlijnen, veelal praktisch van aard. Doet het Onderwijs-
OMT dat ook?

DeWolf: “Vaak zullen onze adviezen maar twee of drie
pagina’s tellen. Praktisch verwoord en bedoeld voor leraren
en schoolleiders. Bijvoorbeeld: hoe richt je een zomerschool
in? Wat leert de wetenschap ons over wat dan effectieve
zomerscholen zijn? We zijn van de hashtag #hoedan.”

Bol: “Vragen die spelen zijn: wie gaan die programma’s
draaien, hoe zorg je dat kinderen naar die zomerschool
komen? Dat kunnen wij ook niet allemaal beantwoorden,
maar we kunnen wel de wetenschappelijke effecten
van zomerscholen inzichtelijk maken. Dan bepalen
scholen zelf wat ze daarmee doen. Het is de bedoeling
dat we verschillende adviezen uitbrengen: kort, lang,
soms gericht op scholen, soms ook op andere partijen.
Wat vanuit OCW wordt aangeboden is redelijk beperkt.
Een vriend van mij die in het onderwijs werkt vertelde
me over het plan van zijn school om de klassen een beetje
te verkleinen, elke klas een paar leerlingen minder.
‘Wat vind je daarvan?’, vroeg hij. ‘Nou’, antwoordde ik,
‘uit verschillende onderzoeken blijkt er vaak pas effecten
worden gevonden als er serieus kleine groepen zijn.
Het doet wel iets voor de werkdruk van docenten, maar
het brengt de leerling niet zoveel.’ Die kennis is er lang
niet bij scholen dus we kunnen echt wat toevoegen.”

DeWolf: Scholen zien dat de covidcrisis en de schoolsluitingen
een aantal leerlingen echt hard heeft geraakt
en ze willen graag weten wat effectieve interventies
zijn. Hoe kies je een succesvolle interventie, hoe organiseer
je op een goede manier extra begeleiding? En we
willen ook een advies uitbrengen over wat níet werkt.
Daar kunnen schoolleiders en leraren ook veel aan hebben.
Door de extra uitdagingen voelen scholen de urgentie
om de lessen uit de wetenschap te gebruiken. Er is een
kruisbestuiving gaande en dat is mooi om te zien.”

Zijn jullie niet bang dat een commerciële schil van dure
bijlesbureaus en onderwijsadviseurs zich maar al te graag
op schoolleiders zal storten?

Bol: “Dat gebeurt al.”

DeWolf: “Dat komt mede doordat in het Nationaal
Programma Onderwijs staat dat scholen dat geld heel
snel moeten uitgeven: in tweeëneenhalf jaar tijd. Je ziet
dat iedereen zich nu richt op bijspijkerprogramma’s. Daar
is een hele markt op aan het ontstaan. Voor docenten
en schoolleiders is het risico dat ze voor die snelle optie
kiezen. Wij krijgen ook veel mails van die commerciële
bedrijfjes die allemaal een soort keurmerk van ons willen.
Dan kunnen ze dat weer gebruiken in de verdere werving
bij scholen.”

Bol: “Dat gaan we niet doen natuurlijk.”

8,5 miljard besteden in tweeëneenhalf jaar tijd, een grote
opgave op korte termijn. Jullie hadden het over ‘nutteloze
pleisters’. Vanwaar de angst dat het niet zal lukken de
achterstanden zinvol aan te pakken?

Bol: ”Het lastige punt is: wat is het doel precies van dat
Nationaal Programma Onderwijs? Is het doel om de kinderen
die een tik hebben opgelopen in coronatijd hun
achterstand zo snel mogelijk te laten inhalen? Als dat
het enige doel is, kun je zeggen: we besteden het uit aan
commerciële partijen en die doen dat goed en dan is het
prima. Alleen: wat heeft het onderwijs daar over twee
jaar aan? Dat geld had ook ingezet kunnen worden voor
structurele verbetering, zoals professionaliseringsprogramma’s.
Dan heeft het een blijvend effect op de langere
termijn.”

DeWolf: “Daar ligt onze grootste zorg: hoe effectief gaan
de investeringen zijn? Er ligt een grote verantwoordelijkheid
bij het onderwijsveld om voor de meest geschikte
maatregelen te kiezen en vervolgens om met de juiste
mensen in zee te gaan. Ook schoolleiders zelf lieten al
weten overspoeld te worden met aanbiedingen. Daar
kunnen prachtige dingen tussen zitten, maar ook voorstellen
waarvan je nu al weet dat het niet of nauwelijks
werkt. Je hebt leerlingen die echt achteruit zijn gegaan,
bij wie bijvoorbeeld de leesvaardigheid omlaag is gegaan.
Voor die groep kun je een huiswerkbureau inhuren, of
je kunt voorstellen een extra klassenassistent of leraar
aan te nemen die groepjes leerlingen specifiek op achterstandsvakken
kan trainen. Als Onderwijs-OMT zijn we
voor een meer duurzame oplossing. Het is wel de vraag of
je dit type extra hulp structureel kunt behouden.”

Wat is de grootste ‘coronaschade’ in jullie ogen?

Bol: “In het PO weten we best goed hoe het met leerlingen
gaat, daar is al aardig wat onderzoek naar gedaan. Er is
achterstand, die is ongelijk verdeeld, sommige scholen hebben
te maken met meerdere problemen, bij andere valt het
mee. En er is het leerlingvolgsysteem, waarin je goed kunt
zien hoe een leerling zich ontwikkelt ten opzichte van de
eigen ontwikkellijn. Van het VO weten we nog maar heel
weinig. Hoe gaat het nu cognitief en sociaal-emotioneel
met die leerlingen? Om nog even terug te komen op die
‘nutteloze pleisters’, het risico zit ‘m niet alleen in een
matige aanbieder of slechte bijspijkerprogramma’s, maar
ook in dat je niet precies weet op welke wond je nu een
pleister aan het plakken bent. En dat is een reëel risico
in het VO. Er is tot nu toe weinig gemonitord, wat ook
logisch is, want die scholen hebben zich helemaal over
de kop gewerkt met constant veranderende regels: halve
klas, school weer dicht, online en offline onderwijs. En nu
moeten ze in korte tijd gaan inventariseren wat hun groep
leerlingen nodig heeft.”

DeWolf: “Ons volgende advies zal daarover gaan, we
richten ons op voortgezet onderwijs-scholen met het
thema: hoe breng je de gevolgen van de pandemie voor
leerlingen in kaart? Ook omdat we vanuit de wetenschappelijke
literatuur weten dat bijspijkeren heel effectief
kan zijn, maar alleen als dat is gericht op daadwerkelijke
achterstanden. Als je het richt op leerlingen die al voorop
lopen, kan het zelfs averechts werken.”

Bol: ”Scholen moeten echt de tijd nemen om te inventariseren
hoe hun leerlingen ervoor staan. Er zit natuurlijk
grote druk op de ketel door die termijn en kinderen
en ouders willen dat er wat gebeurt, maar veel van die
instrumenten, interventies en ideeën werken alleen maar
als je precies weet wie wat moet krijgen. Anders ben je
uit de losse heup aan het schieten.”

DeWolf: “De grootste ‘coronaschade’ zie ik op drie terreinen.
Ten eerste het welbevinden van leerlingen: we
zien dat het BMI is toegenomen, evenals depressies en
medicijngebruik. Het tweede is de leervertraging. En ten
derde: de achterstand en bijbehorende problemen slaan
eenzijdig hard neer bij een groep leerlingen die het al
zwaar had, waar het al niet zo goed mee ging in het
Nederlandse onderwijs. Maar mijn zorg zit ook bij leraren
en schoolleiders, daar is al zoveel van gevraagd.”

Bol: “Ik maak me het meest zorgen om de ongelijke
klappen die zijn uitgedeeld, en dat maakt het ook ingewikkeld
om op te lossen. Als iedereen dezelfde vertraging
had, zou het nog wel overzichtelijk zijn. De hypothese
is dat de leerlingen het hardst zijn achteruit gegaan op
scholen waar ze het al niet gemakkelijk hebben. Daar is
vaak al een leraren- en schoolleiderstekort, daar lopen de
docenten al op hun laatste benen… en eigenlijk zeggen
we tegen hen: maak je borst maar nat, ga die komende
tweeëneenhalf jaar maar die grote vertraging inlopen.”

DeWolf: “Ten slotte: als je door een onderwijswetenschappelijke
bril naar de pandemie kijkt, zit er ook een
buitenkansje aan. Overal ter wereld hebben scholen te
maken met schoolsluitingen en proberen leraren leerachterstanden
weg te werken. Het is enorm interessant om
te zien wat er wordt opgezet: al die monitoringen, experimenten
en effectmeetingen. De wereld is nu één grote
proeftuin.”

Adviezen en richtlijnen lezen?
Kijk op www.onderwijsomt.nl

Kader
Dit artikel heeft in Kader (Primair) gestaan. AVS-leden ontvangen Kader maandelijks op de mat. Nog geen lid? Bekijk hier eerder verschenen nummers, word lid en ontvang voortaan ook iedere maand een kersvers exemplaar in de brievenbus!

Gerelateerd nieuws