Gebrek aan huisvesting blijft een probleem
Waarschijnlijk voldoen op 1 augustus aanstaande de meeste scholen aan de inspanningsverplichting om buitenschoolse opvang (bso) te regelen, maar daarmee zijn de wachtlijsten niet opgelost. Bij wie ligt op dat moment de verantwoordelijkheid? En past de massale keuze voor het `makelaarsmodel´ wel bij de intentie van de motie Van Aartsen-Bos?

Het is vrijdag 15.15 uur en in de aula van de Openbare Jenaplanschool in Utrecht staan Nena (6), Matthijs (5) en Sylvian (6) te wachten op begeleiders van de bso. Samen wandelen ze in vijf minuten naar de bso-locatie, waar de kinderen de rest van de middag mogen buiten spelen. Directeur Jaap Nelissen laat ze met een gerust hart gaan. Hij werkt al jaren samen met opvangorganisatie Ludens en blijft dat ook na 1 augustus doen. Eigenlijk verandert er niks en dat is precies wat hem frustreert. Nelissen: “Ik wordt straks wel verantwoordelijk gehouden, maar krijg het geld niet om voldoende bso te realiseren. En als ik dat geld al zou krijgen, hebben we er het gebouw niet voor. Ik vind het een absurde situatie. Ik kan niets doen aan de wachtlijsten die al jaren bestaan voor bso in deze wijk. Via het makelaarsmodel schuif ik het probleem door naar Ludens die vervolgens – net als ik – bij de gemeente aanklopt voor huisvesting. Maar de gemeente heeft ook geen locaties klaar staan. Zo kom je in een cirkel terecht. Dit is geen oplossen, maar afschuiven.”

Wachtlijsten
Wittevrouwen is een `verhoogde risico wijk´: een oud stadsdeel met veel tweeverdieners en weinig ruimte voor nieuw- of aanbouw. Ludens peilde er de behoefte aan opvang. Ze verwacht vanaf volgend schooljaar alleen al voor de Jenaplanschool twee nieuwe groepen bso, zo´n veertig kinderen. Er valt nog wel wat te schuiven in de bestaande bso-locaties, maar de rek is er al snel uit. Ook qua personele capaciteit wordt het lastig te voorzien in de toenemende vraag. Ludens directeur Ans van Hoof: “Te weinig mensen volgen de verplichte opleiding, waardoor de instroom van leidsters lang niet genoeg is.” Voor Wittevrouwen bestaat een wachtlijst waar sommige kinderen al sinds 2001 op staan. Zij verlaten volgend jaar de basisschool zonder ooit een dag gebruik te hebben gemaakt van bso. Van Hoof: “Dat probleem is niet per 1 augustus aanstaande opgelost.” Ondertussen is het nog steeds gissen naar de exacte stijging van de opvangbehoefte. Buitenhek Management & Consult adviseert zo´n negentig scholen in de stad Utrecht op bso gebied en verwacht komende vijf jaar een verdubbeling. Buitenhek: “Niemand weet precies hoe groot de stijging zal zijn. In Denemarken maakt 85 procent van de kinderen gebruik van bso. Zo´n vaart zal het niet lopen, maar de trend is duidelijk.” Toppen Onderzoek & Beleid deed via www.pospiegel.nl landelijk onderzoek* en ontdekte dat 26 procent van de ouders behoefte heeft aan voorschoolse opvang en 44 procent aan naschoolse opvang. Van dit laatste percentage maakt 44 procent nu al elders gebruik van naschoolse opvang, wat betekent dat nog voor 56 procent extra plaatsen in de naschoolse opvang gerealiseerd moeten worden. Zo´n 79 procent van de ouders die nu al gebruik maken van naschoolse opvang zegt dat ze waarschijnlijk direct zou overstappen als de eigen basisschool zelf naschoolse opvang zou aanbieden, blijkt uit dit onderzoek.

Makelaarsmodel
Van alle negentig scholen die Buitenhek sprak, gaf slechts één school aan bso in eigen beheer te willen opzetten. Deze school bleek te klein om opvang rendabel te maken. Buitenhek: “Ik vind de keuze voor het makelaarsmodel logisch. Kinderopvang is een vak apart. Je zal daar fors in moeten investeren, of het uitbesteden.” Bovendien kan `makelaren´ fi nancieel aantrekkelijk zijn. “Je kunt delen van je school verhuren, of personeel delen. Als je bso in huis haalt, is de opvangorganisatie vaak genoodzaakt te investeren in ruimtes.” Maar om te investeren moet de opvangorganisatie wel een lange relatie aan gaan met de school. En daar leent de wetgeving zich nog niet voor. Gemeenten kunnen een leegstaand lokaal – ook al wordt het ingezet voor bso – vorderen voor een andere school met ruimtegebrek. Deze dreiging maakt het gebruik van een leegstaand lokaal onaantrekkelijk voor een bso-aanbieder. In een reactie laat de gemeente Utrecht weten “het gezamenlijk belang in te zien van het vinden van locaties voor bso, maar daarvoor niet verantwoordelijk te zijn´´. En over het vorderingrecht: “Dit heeft te maken met de wettelijke verplichting voor de gemeente om te voorzien in voldoende ruimte voor onderwijshuisvesting. Versoepeling van het vorderingsrecht zou het makkelijker maken voor scholen om langdurige huurcontracten met opvangorganisaties af te sluiten tegen een commerciële prijs, maar kan ten koste gaan van ruimte voor onderwijs.” Brede scholen hebben vaak wel meer ruimte om opvang zelf in te vullen, maar ook zij nemen bso niet helemaal in eigen beheer. BartJan Commissaris, directeur van De Polsstok in Amsterdam Zuidoost: “Het probleem is het risico. Je dient een nieuwe rechtspersoon te creëren, het huidige functiebouwwerk is veelal niet toereikend en één organisatie krijgt met verschillende cao´s te maken. Juridisch zijn er veel haken en ogen.” De brede scholen die hij kent zijn allemaal voor het makelaarsmodel gegaan. “Daarbinnen heb je natuurlijk ontzettend veel varianten. Als `a´ betekent de verantwoordelijkheid helemaal overhevelen naar opvangorganisaties, zonder structureel overleg of eisen, dan zitten wij op `z´.” Commissaris heeft begrip voor collega´s die niet de fysieke ruimte of slagkracht hebben om intensief met bso aan de slag te gaan. “De intentie van de motie is goed en interessant, maar qua regelgeving, uitvoering en facilitering is het een dikke onvoldoende.”

Doorpakken
Zo snel wil Mariëtte Hamer, Kamerlid voor de PvdA, niet oordelen. “Door het verbeteren en beschikbaar maken van bso, kunnen mannen en vrouwen de zorgtaken verdelen. Er moest voor ouders één loket komen waar zij hun kind veilig en plezierig kunnen achterlaten. Daar is met deze motie in voorzien.” Het is volgens haar belangrijk dat scholen konden kiezen. “Er bestaat geen blauwdruk voor hoe je bso het best kan oppakken.” Nu blijkt dat het overgrote deel – naar schatting 95 procent van de scholen – convenanten afsluit met bso-aanbieders, valt volgens haar nog geen conclusie te trekken over de kwaliteit van die samenwerking. “Het moet niet zo zijn dat een school of bestuur opvang inkoopt en de kinderen als het ware over de schutting gooit. Deze wet zou een gemiste kans zijn als er niet wordt doorgepakt.” Dat `doorpakken´ hoeft van Hamer niet perse op 1 augustus al. Het gaat haar erom dat opvangbedrijven en scholen met elkaar in gesprek raken en elkaar de komende jaren versterken als het gaat om de ontwikkeling van kinderen. In Bedum (noord Groningen) lijkt die intentie te gaan slagen. Directeur Stef Heijnen van de katholieke Sint Walfridusschool is – aangemoedigd door de motie Van Aartsen/Bos – al dik een half jaar in gesprek met andere basisscholen uit Bedum, opvangorganisaties en de gemeente. Waardevolle gesprekken, vindt hij. “Natuurlijk was ik in eerste instantie overrompeld dat de verantwoordelijkheid voor bso bij scholen komt te liggen, maar je hebt sowieso met elkaar te maken. Dan kun je het maar beter goed regelen.” Heijnen – die ook voor het makelaarsmodel koos – vindt het belangrijk dat opvang en school goed op elkaar aansluiten. Het pedagogische klimaat moet hetzelfde zijn. Hoe ga je met de kinderen om? Hoe straf je? Hoe beloon je? “Als het niet goed gaat tijdens de voorschoolse opvang, heb je als leerkracht het eerste kwartier nodig om dat recht te breien.” De motie heeft in Bedum de discussie over brede scholen aangewakkerd. “Een brede school hoeft niet te betekenen dat je met z´n allen in hetzelfde gebouw zit. Sommige schoolleiders zien kansen door samenwerking, anderen minder.” Maria Bolt, directeur van Kids2b en kinderopvangondernemer van het jaar 2006, heeft met de meeste van de circa honderd basisscholen in noord Groningen convenanten afgesloten, waaronder de Sint Walfridusschool. Ze hoopt dat op termijn de schotten tussen opvang en scholen wegvallen. “We moeten af van onze eigen eilandjes. Beide werksoorten moeten elkaar beter leren kennen. Dat kan alleen maar gunstig zijn voor het kind.” Op het Groningse platteland zijn nauwelijks wachtlijsten, maar speelt volgens Bolt weer andere bso-gerelateerde problematiek. Sluitende dagarrangementen maken is bijvoorbeeld moeilijker. Daarvoor zitten kleine groepjes leerlingen te ver uit elkaar. Bso organiseren ziet ze als een gezamenlijke verantwoordelijkheid. “Ik noem het ook liever geen makelaarsmodel, maar een samenwerkingsmodel.”

Verantwoordelijk
Samenwerken, of niet? De verantwoordelijkheidsvraag blijkt niet simpel te beantwoorden. Scholen moeten per 1 augustus zorgen voor de aansluiting met opvangorganisaties. Maar verder door redenerend ontstaat een probleem. Hamer: “In de praktijk is het mogelijk dat een ouder straks een school aanklaagt, omdat de school het eerste aanspreekpunt is en in feite geen opvang heeft geregeld voor het kind. Maar als de school aantoont alles te hebben gedaan om het voor elkaar te krijgen – en daarmee dus te hebben voldaan aan de wettelijke inspanningsverplichting – kan ik me niet voorstellen dat een rechter de school veroordeelt.” Staatsecretaris Sharon Dijksma verduidelijkt: “De school is verantwoordelijk voor de aansluiting, maar niet voor het aantal plaatsen in de buitenschoolse opvang. Daarvoor zijn de kinderopvangondernemingen verantwoordelijk. Als er sprake is van een capaciteitsprobleem, dan moeten de kinderopvangorganisaties zélf extra capaciteit aanboren in de markt.” (zie pagina 37 voor een uitgebreide reactie van Dijksma op dit onderwerp, red.) Wachtlijsten zouden volgens Hamer in feite niet mogelijk moeten zijn. “Ouders krijgen een vergoeding voor kinderopvang en betalen die aan de bso. Dat geld is bedoeld voor het realiseren van plaatsen.” Waar toch rijen ontstaan, moet dus een huisvestings- of personeelsprobleem zijn. In dat opzicht is Hamer blij met de toezegging die Dijksma doet om met de gemeentes van de vier grote steden te gaan praten. “Ze pakt het in ieder geval op.” Duidelijk is dat op dit moment zowel scholen als opvangorganisaties alle zeilen bijzetten om per 1 augustus aan de vraag naar opvang te voldoen. In de grote steden zal die datum door bestaande wachtlijsten niet te halen zijn, maar niemand van de betrokkenen vindt het een goed idee om de deadline uit te stellen. Buitenhek: “Dat zou de scholen die nu wél voortvarend aan de slag gegaan zijn tekort doen.” Bovendien zijn op de langere termijn wellicht andere maatregelen nodig. Zowel Buitenhek als de schoolleiders Heijnen en Commissaris refereren voorzichtig aan het lesrooster, één van de heiligste huisjes in onderwijsland. Buitenhek: “Om opvang rendabel te maken en echte dagarrangementen te kunnen verzorgen, zou je toch moeten denken aan een continurooster van bijvoorbeeld 8.00 uur ´s ochtends tot 14.00 uur´s middags. Van 14.00 tot 19.00 uur wordt het kind dan opgevangen. Dan is opvang ook beter exploitabel dan in de versnipperde uurtjes ´s ochtends, tussen de middag en daarna. Er zijn scholen die deze bso-ontwikkeling aangrijpen om een lesroosterdiscussie op te starten, maar voor anderen is dat nog net een brug te ver.”

* Dit onderzoek is landelijk door scholen zelf uitgezet via http://www.pospiegel.nl/; vragenlijst en rapportage door Toppen Onderzoek & Beleid, verzorgd voor POspiegel.nl.

 

 

Let op: Dit artikel is meer dan vijf jaar geleden gepubliceerd en bevat wellicht incorrecte, onvolledige of ongeldige informatie.

Gerelateerd nieuws