Vorig schooljaar zat een op de drie derdeklassers op een ander niveau dan de basisschool geadviseerd had. Dat meldt de NOS.

Uit een analyse van de cijfers van Scholen op de Kaart van de VO-raad bleek dat ruim een kwart van de leerlingen op een hoger niveau zat dan hen is geadviseerd. Een op de tien zat juist op een lager niveau. De meerderheid, zo’n 65 procent, zat op het niveau van het schooladvies.

Dat een derde van de leerlingen boven of onder het basisschooladvies scoort, hoeft niet te betekenen dat het advies destijds verkeerd was, aldus onderwijssocioloog Sara Geven. “De eerste drie jaar van de middelbare school kan een leerling nog flinke stappen maken.” Ook geeft de onderwijssocioloog aan dat een verkeerd schooladvies gevolgen kan hebben voor het zelfvertrouwen van een leerling.

Bij de berekening zijn alleen de eerste adviezen meegerekend, niet de bijstellingen van het advies als de eindtoets boven verwachting goed is gemaakt door een leerling. Ook hangt de kans op ‘opstromen’ of ‘afstromen’  af van het opleidingsniveau van de ouders. Volgens de onderwijsinspectie stromen leerlingen met hoog opgeleide ouders vaker op dan leerlingen met laag opgeleide ouders.

Er is al langer discussie over het moment waarop leerlingen een keuze moeten maken voor een schoolniveau. Zo stijgt het aantal zogenaamde tienerscholen, waar de keuze voor een niveau wordt uitgesteld tot 15 jaar. In het onlangs gepubliceerde discussiestuk ‘Toekomst van ons onderwijs’ pleiten diverse onderwijsorganisaties, waaronder de AVS, ervoor dat leraren pas na de derde klas een definitief schooladvies geven.

Links

Gerelateerd nieuws