Curriculumvrijheid?

Politici laten in Kader Primair hun licht schijnen op de gebeurtenissen in onderwijsland. Deze maand het woord aan Michel Rog, woordvoerder Onderwijs voor het CDA in de Tweede Kamer.

Eén van de vele rollen die de schoolleider bekleedt, is die van onderwijskundig leider van een schoolteam. Een belangrijke rol, omdat hiermee inhoud wordt gegeven aan de identiteit en het pedagogische en didactische klimaat van de school. De overheid stelt een aantal eisen met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs en er zijn een aantal vakken en kerndoelen vastgesteld die behandeld moeten worden. Maar anders dan in veel andere landen genieten scholen een grondwettelijk beschermde vrijheid van inrichting van onderwijs: schoolleiders en leraren geven een eigen invulling aan hoe zijn het onderwijs in de school vormgeven en welke lesmethoden zij gebruiken. Hier geen Franse toestanden, waar alle kinderen op hetzelfde tijdstip, op dezelfde wijze, dezelfde vakken volgen. Sterker nog, het aantal kerndoelen werd in 2006 teruggebracht van 115 naar 58. En in 2008 stelde de commissie Dijsselbloem in een Kamerbreed omarmd rapport dat de overheid wel het ‘wat’ in het onderwijs mocht bepalen, maar niet ‘hoe’ scholen het onderwijs moeten invullen. Een duidelijke onderstreping van de grondwettelijke vrijheid van inrichting. Maar al snel bleek de overheid te willen voorzien in meer aandacht op school voor seksuele diversiteit. De kerndoelen werden dus aangepast. En onlangs ondertekende veel politieke partijen een manifest om duurzaamheid een prominentere plek in het curriculum te geven. Ook de huidige bewindslieden laten zich niet onbetuigd. Na de aanslagen van islamitische terroristen in Parijs vond minister Bussemaker het tijd dat scholen de radicalisering van jongeren zouden gaan aanpakken. Net zoals zij eerder een rol kregen toebedeeld in de terugdringing van bijvoorbeeld obesitas en het aangaan van schulden. Basisscholen moeten binnenkort volgens een antipestwetsvoorstel het sociaal veiligheidsbeleid nader invullen. Gelukkig is de staatssecretaris daarbij teruggekomen op zijn eerdere voorstel om zelfs de antipestprogramma’s exact voor te schrijven aan scholen. De overheid biedt scholen veel ruimte, maar perkt die ook in hoge mate in. Het is dan ook verstandig een grondig debat te voeren over het curriculum. Het is goed dat de staatssecretaris een nationale dialoog is gestart onder de noemer #Onderwijs2032. Het is ook mooi om te zien dat zoveel Nederlanders betrokken zijn bij de inrichting van ons onderwijs en een bijdrage leveren aan dit debat. Maar we moeten ook reëel zijn. Een aanpassing van het curriculum kan onmogelijk de optelsom zijn van de vele wensen die door de lobbyclubs worden opgevoerd. Daarom hecht ik ook veel waarde aan het rapport van de Onderwijsraad met de titel ‘Een eigentijds curriculum’. De raad pleit er juist voor om schoolleiders en leraren zelf meer invloed te geven op de inhoud van het onderwijs. Dit leidt tot meer eigenaarschap en betrokkenheid. Maar volgens mij is het ook gewoon verstandig als de politiek luistert naar mensen met verstand van zaken. Ik hoop dan ook dat de onderwijskundige schoolleiders de aanjagers worden van kennisuitwisseling, kennisverrijking en curriculumvernieuwing. En ik hoop dat politieke beleidsmakers zich een beetje weten te beheersen. De noodzakelijke discussie over vernieuwing van het curriculum mag niet worden aangegrepen om het onderwijs vanuit ‘Den Haag’ nog verder dicht te timmeren.

Reageren?
Mail naar m.rog@tweedekamer.nl.

Let op: Dit artikel is meer dan vijf jaar geleden gepubliceerd en bevat wellicht incorrecte, onvolledige of ongeldige informatie.