De basis van een verzamelbegrip
Het nieuwe leren is in no time een huis-, tuin- en keukenbegrip geworden. Iedereen die wat met onderwijs te maken heeft, lijkt er een mening over te hebben. Het nieuwe leren is daarmee een verzamelbegrip dat op talloze manieren ingevuld wordt: authentiek leren, contextueel leren, werkplekleren, duaal leren, ervaringsgericht onderwijs etcetera. Toch is er een aantal basisbegrippen, de bouwstenen, die steeds weer terugkomen. We hebben ze voor u op een rijtje gezet.

Kinderen willen leren
Dat kinderen niets zouden willen leren is een gedachte die we regelmatig uit de mond van gefrustreerde leerkrachten horen. Maar niet uit de mond van oud APS-directeur Alex van Ernst. Van Ernst is de Nederlandse goeroe van het nieuwe leren. In zijn boek Koop een auto op de sloop beschrijft hij dat kinderen een aangeboren behoefte hebben om te leren, maar dat het huidige onderwijs die natuurlijke drang onderdrukt. Onder andere proefwerken en tentamens werken demotiverend, omdat kinderen dan moeten leren. Zodra kinderen echt ergens in genteresseerd zijn, willen ze ook leren. Van Ernst onderstreept dat in zijn boek met het aansprekende voorbeeld waarbij jongeren een auto op de sloop kopen en deze vervolgens opknappen en via het Internet verkopen. Gedurende het hele stadium van aankopen tot opknappen en verkopen waren de jongeren zeer gemotiveerd tot leren. De gedachte dat je aan moet sluiten bij de motivatie van kinderen is niet nieuw. Verschillende onderzoeksstromingen hebben laten zien dat het leerproces beter kan plaatsvinden als men direct aansluit bij de interesses en behoeftes van het kind. Zo stelt psychiater William Glasser dat kinderen gedreven worden door vijf basisbehoeften (overleving, plezier, macht, opname in de groep en vrijheid) en dat gebrek aan motivatie niets anders is dan een mismatch tussen het onderwijsaanbod en de actuele basisbehoeften van het kind. Ook de moderne benadering van het Brain-based learning, die zich baseert op onze kennis van het functioneren van de hersenen, gaat er vanuit dat kinderen altijd willen leren, tenzij ze daarin belemmerd worden door bijvoorbeeld angst. Kinderen zullen dus altijd gemotiveerd zijn om te leren als de omstandigheden goed zijn.

Het nieuwe leren
Het nieuwe leren is een verwarrende term. Nieuw is eigenlijk niet het leren, maar vooral onze opvattingen over leren. Ontwikkelingen in de neurobiologie en psychologie hebben ons meer inzicht gegeven in de manier waarop onze hersenen informatie verwerken. Zo blijkt onder andere dat onze hersenen meer dingen tegelijk kunnen en dat we het beste zaken onthouden als ze aansluiten bij wat we willen leren. In onze huidige informatiemaatschappij zijn dat andere vaardigheden dan voorheen. De nieuwe wereldburger heeft behoefte aan nieuwe vormen van kennis vergaren en het nieuwe leren probeert daar op in te spelen. De theoretische basis voor het nieuwe leren is het sociaal constructivisme. Het belangrijkste inzicht is dat leren een sociaal en actief proces is. We leren vooral wanneer we zelf actief bezig zijn met de lesstof en als we nieuwe kennis in verband kunnen brengen met reeds aanwezige voorkennis. Er is dus niet zoiets als objectieve kennis, want iedereen maakt op basis van zijn unieke achtergrond eigen keuzes en construeert daarmee de context waarin geleerd wordt. Kinderen moeten daar uiteraard wel bij geholpen, ondersteund of gecoacht worden door volwassenen, maar ook door medeleerlingen. Leren doe je namelijk met en van elkaar. Door de kunst af te kijken van volwassenen of te spelen met andere leerlingen verwerf je nieuwe kennis.

Spelend op weg naar volwassenheid
Spelen stelt kinderen in staat om regels te ontdekken die bij sociale rollen horen, aldus de Russische psycholoog Lev Vygotski (1896-1934). Alles wat een kind leert, gebeurt binnen het kader van zijn omgeving en cultuur, stelde Vygostki, die daarom ook wel als de geestelijk vader van het sociaal constructivisme wordt gezien. Volgens Maria Janssen (De geur van koekjes, sociaal constructivisme in de praktijk) zit er een opmerkelijk patroon in het spelen van kinderen. Alle kinderen nemen graag de telefoon op, vinden het leuk om te helpen stofzuigen, met een computer te werken, met sleutelbossen te spelen, met dingen te rijden en koekjes te bakken. Kortom activiteiten die direct te maken met de wereld van volwassenen. Kinderen imiteren in hun spel dan ook vaak de grotemensenwereld. Een idee dat gesteund wordt door de theorie van het observationeel leren. De Canadese onderzoeker Bandura, grondlegger van deze theorie, deed onderzoek waaruit blijkt dat we heel veel kunnen leren door anderen te imiteren en te observeren.

Heterogene groepen
Omdat je in het echte leven ook niet gegroepeerd wordt op leeftijd, zijn gemengde klassen (leeftijd, sekse, achtergrond) volgens de Amerikaanse psycholoog Peter Gray erg wenselijk. Heterogene groepen bieden meer mogelijkheden om elkaars gelijken te vinden. Een kind dat op een bepaald vakgebied zijn leeftijd vooruit is, kan daardoor makkelijker een gelijkgestemde vinden. En zwakkere leerlingen raken, door de interactie met jongere kinderen, minder snel gesoleerd. Tot slot geven heterogene groepen niet alleen de mogelijkheid om te leren van anderen, maar ook om kennis door te geven aan anderen. Uit recent promotieonderzoek van docente en onderwijskundige Henny van de Meijden blijkt dat leerlingen die veel uitleg geven aan klasgenoten de beste studieresultaten halen: Aan anderen verwoorden wat je weet, leidt tot een hogere mate van kennisconstructie dan voor jezelf weten wat je zou kunnen verwoorden.

Docent als coach
Het nieuwe leren impliceert automatisch een nieuwe rol voor leerkrachten. Niet langer is hij of zij degene die voor de klas kennis tentoonspreidt; de nieuwe rol is die van een coach. De leerkracht stimuleert en motiveert de individuele leerprocessen en probeert steeds weer aansluiting te zoeken bij de belevingswereld van het kind. In dit verband is het onderzoek van Vygotski interessant. Hij ontwikkelde de begrippen zone van actuele ontwikkeling (datgene wat een kind zelfstandig, zonder begeleiding kan) en zone van proximale ontwikkeling (de functies en activiteiten die een kind alleen maar met hulp van een competente ander kan uitvoeren). Leerkrachten moeten volgens Vygotski hun hulp voortdurend aanpassen aan het ontwikkelingsniveau van het kind, en het ondersteunen (coachen) bij dingen die binnen zijn of haar zone van proximale ontwikkeling liggen. Samenwerkend leren dus, zoals we ook bij heterogene groepen zagen.

Leren in een context
Als je weet dat je volgend jaar in een Spaanstalig land gaat studeren, ga je hard aan de slag met het leren van de Spaanse taal. Er is een directe behoefte om die vaardigheid te leren. Soms is die directe behoefte er niet, maar wordt onze interesse gewekt doordat het onderwerp aanhaakt bij eerdere ervaringen, herkenbaar is of een emotie oproept (Maria Janssen in `De
geur van koekjes´). Kinderen willen dingen leren die voor hen betekenisvol zijn (zie bouwsteen `Kinderen willen leren´). Aan het leren van de Spaanse taal zullen ze misschien nu nog niet veel hebben, maar Engels kan handig zijn voor het begrijpen van computerspelletjes. Leerkrachten moeten proberen te achterhalen, door goed te observeren en te communiceren, wat kinderen willen leren. We hebben al gezien dat activiteiten van volwassenen, bijvoorbeeld koken, een grote aantrekkingskracht hebben op kinderen. Een kookles op school is in het nieuwe leren dan ook geen uitzondering. Uit onderzoek van Robert Jan Simons blijkt bovendien dat kennis die uit de praktijk geleerd wordt veel beter beklijft (80 procent)
dan kennis die je leert in een andere context dan de situatie waarin je deze nodig hebt (20 procent).

Maatwerk
Een van de belangrijkste veranderingen van het nieuwe leren ten opzichte van het oude leren is dat de uniformiteit van de lesstof overboord is gegooid. Dit is gebaseerd op het inzicht dat ieder kind uniek is en dus ook op een unieke wijze leert. kinderen moeten daarom zelf kunnen kiezen wat ze willen leren. Maar ook op welk moment ze wat willen leren. Ieder mens heeft een eigen ritme. Waarom zouden kinderen gedwongen moeten worden om s ochtends met rekensommen te starten, terwijl ze juist verdiept zijn in het lezen van een boek? En als een kind op het gebied van rekenen zijn leeftijd ver vooruit is, waarom zou hij of zij dan niet een aantal taken vooruit werken? Dat heeft uiteraard gevolgen voor de inrichting van de school. Er moet immers wat te kiezen zijn en de geijkte klaslokalen hebben geen ruimte voor n een speelhoek n een computerhoek n een fornuis. Leerwerkplaatsen, waarbij klaslokalen worden samengevoegd tot n grote ruimte met diverse werkplekken, zijn dan ook geschikt voor het nieuwe leren. Het overboord gooien van de uniforme lesstof haakt aan bij resultaten uit het neurobiologisch onderzoek, die aantonen dat de hersenen van elk mens uniek zijn. Onderwijstheorien die zich baseren op de neurobiologie, zoals het Brain-based learning, adviseren dan ook maatwerk te leveren in het onderwijs. Ook pleiten deze theorien ervoor dat kinderen helemaal moeten kunnen opgaan in een leerervaring (gearrangeerde onderdompeling). Daarvoor is een klaslokaal met verschillende hoeken natuurlijk uitermate geschikt.

Competenties
Het huidige onderwijs is veel te eenzijdig gericht op pure cognitie vindt de Amerikaan Howard Gardner. Volgens hem zijn er minstens zeven soorten intelligentie, namelijk verbaal, logisch/mathematisch, visueel/ ruimtelijk, fysiek, muzisch, sociaal en reflexief. Deze vormen van intelligentie zijn redelijk zelfstandig en kinderen kunnen in iedere soort meer of minder competent zijn. Het onderwijs moet volgens Gardner kinderen zoveel mogelijk op hun sterke punten aanspreken. Het nieuwe leren is sterk gericht op het aanleren van competenties: een combinatie van kennis, vaardigheden en attitudes, gericht op het leveren van een prestatie in een specifieke context.

Verder lezen over het nieuwe leren
o Janssen, Maria (2004), De geur van koekjes: sociaal constructivisme in de praktijk. Utrecht: APS.
o Gray, P. & Feldman, J. (1997), Patterens of age mixing and gender mixing amongst children and adolescents at an ungraded democratic school. Merrill Palmer Quarterly.
o Kok, Jozef J.M. (2003), Talenten transformeren: over het nieuwe leren en nieuwe leerarrangementen.Fontys hogescholen.
o Van der Meijden, Henny, Verwoorden wat je weet (NRC 23-10-2005).
o Vink, Anja, De container van het nieuwe leren, onderzoek naar effecten van nieuwe leren is zeerschaars, NRC 02-07-2005.
o Artikelen Lectoren, Jozef Kok, Het nieuwe leren:Trend of Trendy, In: Het nieuwe leren, maart 2005.

Internet: http://www.aps.nl/ en tip.psychology.org/

Auteur: Daniëlle Arets
Thema: Onze kinderen
Kader Primair 4 – December 2005

Let op: Dit artikel is meer dan vijf jaar geleden gepubliceerd en bevat wellicht incorrecte, onvolledige of ongeldige informatie.

Gerelateerd nieuws