Snipverkouden is hij, maar Paul Rosenmöller, sinds november 2013 voorzitter van de VO-raad, staat ons monter en energiek te woord. Hij wil meer vertrouwen zien: binnen scholen, en tussen primair en voortgezet onderwijs. En scholen moeten niet klagen over te weinig vrijheid: laat ze eerst de huidige wettelijke ruimte maar eens goed gebruiken.

Werken po en vo samen hard genoeg toe naar funderend onderwijs?
“We weten elkaar steeds beter te vinden. Nu het belang van de eindtoets is afgenomen, is het extra belangrijk dat de kwaliteit van het basisschooladvies goed is. Daarin moeten we elkaar vertrouwen. Onderwijssectoren en scholen kijken heel kritisch naar wat er binnen komt; afstroom kan immers leiden tot een negatiever inspectie-oordeel. Gelukkig zie je steeds meer dat po en vo samen verantwoordelijkheid nemen voor groep 7 en 8 en klas 1 en 2. Dat leidt tot een warme overgang. Dat is goed voor kinderen, want het is een grote stap van een relatief kleine basisschool vlakbij huis naar een grote scholengemeenschap.”

De AVS hield in januari een peiling over het onderwijs van de toekomst. Van de achthonderd schoolleiders die reageerden, geeft twee derde aan dat alle basisscholen naar een vorm van integraal kindcentrum gaan. Een derde meent dat de overgang van po naar vo nog nauwelijks merkbaar zal zijn.
“Ik was zelf aan het eind van mijn lagereschooltijd, afgezien van een open dag, nog nooit op een vo-school geweest. Dat moet anders. Maar hoe warm je de overdracht ook maakt, de overstap doet iets met een leerling. Ik denk echter niet dat we het logistiek al heel snel zo gaan organiseren dat po en vo in één gebouw gaan zitten. We moeten meer inzetten op loopbaanoriëntatie en begeleiding. Leerkrachten moeten weten wat er te koop is op vmbo, havo en gymnasium en de identiteit van de verschillende scholen kennen. Dan kunnen zij echt een schooladvies op maat geven. Andersom moet het vo vertrouwd raken met de basisscholen. Schoolleiders en bestuurders kunnen de interactie tussen de scholen bevorderen zodat men elkaar echt leert kennen. De regio of stad moet daarbij een veel centralere plek krijgen. Daar ontmoeten bestuurders en schoolleiders elkaar en moet het funderend onderwijs vorm krijgen.”

Als je elkaar kent kun je ook beter samen Passend onderwijs neerzetten.
“Ja, vanuit de doorvoelde overtuiging dat we dat goed willen regelen voor de kwetsbare leerlingen. Op een manier die beantwoordt aan het ideële doel dat we ermee hebben, en zonder dat het een bureaucratisch monster wordt. Ik heb nog niemand gesproken die tegen Passend onderwijs is, maar mensen vragen zich wel af wat dit gaat betekenen en of de manier waarop we het invoeren tegemoet komt aan de doelen. We moeten als sectororganisaties deze ontwikkeling goed volgen. Laten we ouders goed blijven informeren en bij leraren het hardnekkige beeld wegnemen dat ze straks een klas vol stuiterende leerlingen hebben; dat is echt niet zo. We moeten volgen wat er in de regio gebeurt en de leerlingen in het oog houden, ook bij die kwetsbare overgang van po naar vo. Ik zie veel passie in het onderwijs. Daarom denk ik dat de kans dat Passend onderwijs slaagt groot is. Maar we moeten deze grote stelselwijziging wel de tijd geven om te kunnen slagen. Ik vind daarbij zorgvuldigheid belangrijker dan snelheid.”
Rosenmöller signaleert een belangrijke beweging: “De institutionele belangen van scholen raken ondergeschikt aan het belang van leerlingen. Dat is een lastige omslag: we zeggen allemaal wel dat de leerling centraal staat, maar het is moeilijk om dat vorm te geven. Daar is een cultuurverandering voor nodig. Maar het gebeurt, en bestuurders en schoolleiders hebben daar een belangrijke rol in.”
Er trekt momenteel een golf van vernieuwing door het onderwijs. “Elke school is bezig met zaken als gepersonaliseerd leren, de opkomst van ict, de doorbraak in de richting van uitgevers, professionalisering van leraren, schoolleiders en bestuurders, flexibiliteit en maatwerk. Schoolleiders en bestuurders hebben de taak om onderwijsinnovatie zo in de school te laten landen dat die past bij de cultuur, historie en identiteit van de school. De kunst is om iedereen daarbij op het goede spoor te houden.”

Soms zit wetgeving in de weg. Vertelt u als oud-politicus nu eens hoe we regelen dat de politiek scholen meer ruimte geeft.
“Er is bijna geen land waar scholen zoveel autonomie hebben als in Nederland. Laat scholen eerst maar eens de ruimte benutten die er al is. Maak eens concreet waar het knelt, dan ben ik je man om te zorgen dat die ruimte wordt opgerekt. Er is vaak de perceptie dat dingen niet kunnen. We zitten echt niet meer vast aan die duizend uur onderwijstijd. Er is meer mogelijk dan je denkt. De nieuwe wet Onderwijstijd, die nu bij de Eerste Kamer ligt en met ingang van het nieuwe schooljaar kan worden toegepast, geeft veel ruimte voor flexibiliteit in de programma’s, plaats en tijd van het onderwijs. Er moeten nog dingen wettelijk worden geregeld, zoals dat leerlingen examen kunnen doen op meerdere niveaus. Maar scholen hebben ook nu al veel meer ruimte dan ze denken.”

Hoe vordert de VO-agenda?
“Scholen hebben een groot commitment aan de plannen uit het sectorakkoord gegeven, maar nu moeten die gaan landen in de klas. Zoiets gaat niet vanzelf. Wetenschappers hebben daar kritische analyses over geschreven en ook de onderwijsinspectie vindt dat maar weinig plannen de klas halen. Ik zit er bovenop om te zorgen dat die beweging doorgaat. Schoolleiders bespreken met docenten waar ze samen heen willen. Dat is goed, want als je de docenten niet mee hebt, kun je het wel vergeten. Bovendien hebben docenten al te veel ervaring met van bovenaf opgelegde vernieuwingen die uiteindelijk niet werkten. Maar soms is de afstand tussen dat gesprek en daadwerkelijke actie nog te groot. Het is aan de schoolleiders om te bewaken dat er ook echt wat gebeurt.”
Er zijn meer ontwikkelingen die Rosenmöller graag zou versnellen. “Bijvoorbeeld dat er eindelijk voldoende digitale content beschikbaar komt op een toegankelijk platform, waarmee docenten zelf modules kunnen samenstellen. Uitgevers moeten ervan worden doordrongen dat deze beweging op scholen echt gaat doorzetten.”

Een goede afstemming tussen docenten, teamleiders, schoolleiding en bestuur is cruciaal. “Dat is een kwestie van cultuur: die moet gebaseerd zijn op vertrouwen. Als bestuurder bouw je aan een school die is gebaseerd op de kennis en ervaring van collega’s in diverse lagen. Dankzij dat vertrouwen kun je autonomie geven. Een schoolleider moet ook kunnen loslaten. Vertrouwen is de basis, niet controle of macht. Ik heb niet het idee dat er binnen ons onderwijs in alle lagen en op alle momenten al voldoende onderling vertrouwen is.” “Bij het krijgen van vertrouwen hoort het afleggen van verantwoording. Dat geldt voor iedereen binnen de onderwijsorganisatie. Die verantwoording leg je ook af naar de ouders en de omgeving. De school wordt steeds meer onderdeel van de samenleving, dus we verantwoorden ons ook op dat niveau. Scholen worden in dat opzicht steeds professioneler.” Een belangrijk aandachtspunt bij onderwijsvernieuwing is dat de kwaliteit op orde blijft. “Dat is een dilemma: gemiddeld genomen is ons onderwijs op dit moment goed. Nagenoeg alle afdelingen van scholen (94 procent) krijgen van de inspectie een voldoende. De huidige innovatieslag vraagt nogal wat van een onderwijsorganisatie. Zullen we die kwaliteit ook in het begin op peil weten te houden?” Nog een kanttekening: “We hebben te maken met een wat traditioneel inspectiekader, dat niet goed past bij vernieuwend onderwijs. Wij willen naar een inspectiekader dat deze onderwijsvernieuwing ondersteunt. Daar is veel dialoog over met de inspectie, en gelukkig vindt men ook daar dat het die kant op moet.”

Zijn tip aan het onderwijsveld: grijp niet alleen de beschikbare ruimte, maar laat ook zien dat je die op een verantwoorde manier gebruikt. “Als je dat niet doet, krijgt Den Haag één vinger en dan grijpen ze zo weer de hele hand. We moeten af van de reflex dat er na een incident meteen nieuwe wetgeving moet komen. Het veld moet laten zien dat daar de kennis en de expertise zitten. We hebben belang bij een professionele, zakelijke band met Den Haag.”

Let op: Dit artikel is meer dan vijf jaar geleden gepubliceerd en bevat wellicht incorrecte, onvolledige of ongeldige informatie.

Gerelateerd nieuws