School in achterstandswijk: een breed aanbod en flink netwerken

Armoede, werkloosheid, slechte woningen, gebroken gezinnen, criminaliteit: als die factoren spelen in de wijk waar je school staat en het leven van je leerlingen bepalen, dan móet je daar wat mee. Kader Primair sprak drie schoolleiders die hun aanbod hebben afgestemd op de leefwereld van hun leerlingen. Wat betekent dat voor het onderwijs en voor hun rol als schoolleider? En: helpt de extra inspanning echt?

“Bemoeienis met de wijk is onze core business”, stelt Jos Clout zelfs. Hij is schoolleider op De Zonnewijzer in Roermond: “Wij hebben een veel ruimer aanbod dan een reguliere school en dat heeft alles met leren te maken. Je prettig, gezond en gelukkig voelen, je talenten kunnen benutten, ergens bij horen – als dat er allemaal niet is, is leren heel moeilijk.”

“Kinderen komen met hun context naar school”, onderstreept ook schoolleider Sigrid Hartman van de Juliana van Stolbergschool in Hoogeveen. “De dingen waar ze thuis en in de wijk mee te maken hebben, nemen ze mee. Je kunt hen niet los van die context zien.” Schoolleider Tineke Visser van de Globetrotter in Rotterdam-Zuid vult aan: “We proberen zoveel mogelijk een gewone school te zijn en leerlingen een veilige plek te bieden, zodat ze hun zorgen even buiten kunnen laten.”

De scholen van de drie schoolleiders ontplooien allerlei activiteiten om de belevingswereld van hun leerlingen te vergroten en hen te laten lezen, sporten en musiceren. De Zonnewijzer (51 nationaliteiten, 85 procent spreekt thuis alleen dialect of een niet-Nederlandse taal) heeft een eigen bibliotheek en de leesconsulent komt wekelijks. Een derde van de leerlingen bezoekt de logopedist. Die houdt praktijk op school, zodat de kinderen ook echt komen. De Zonnewijzer koppelt verenigingen aan de naschoolse activiteiten, zodat kinderen daarna makkelijk de overstap naar de verenigingen kunnen maken. Veel ouders maken gebruik van de Stichting Leergeld voor schoolreisjes en muziekles. De school investeert flink in ouderbetrokkenheid. In plaats van rapportbesprekingen doen leerkrachten huisbezoeken. Met als onderwerp: wat kan ik voor u betekenen dit jaar?

Gelukswerker

Ook de Juliana van Stolbergschool koestert de relatie met ouders. Leerkrachten leggen meteen contact als een kind zich niet lekker voelt, straf heeft verdiend of als er vragen zijn. “Ik houd collega’s voor om goed te luisteren”, vertelt schoolleider Hartman. “Waar is de ouder bezorgd over, wat speelt er?

Pas daarna leggen wij ons verhaal ernaast.” De school heeft ook een gelukswerker aangesteld. Deze sociaal werker is in dienst bij de Stichting Welzijnswerk, maar gestationeerd op school. Hartman: “Soms gaan leerlingen letterlijk gebukt onder een situatie, of merk je dat ze heel boos zijn. De gelukswerker spreekt met het kind en neemt vaak ook contact op met de ouders. Hij is altijd welkom en wordt niet als bedreigend ervaren. Deze aanpak werkt prima.”

Het verschil met een schoolmaatschappelijk werker? “We evalueren wel, maar vullen geen formulieren in en hoeven niet eindeloos te verantwoorden.”

Wijkaanpak

Afgelopen februari pleitten Sociaal Werk Nederland, Valente en VluchtelingenWerk Nederland voor een nieuw nationaal wijkenbeleid. Aanleiding voor hun oproep was de constatering van woningcorporatiekoepel Aedes dat de slechtste wijken steeds slechter worden. Op Rotterdam-Zuid draait zo’n programma al vanaf najaar 2011. Het rijk, de gemeente Rotterdam, corporaties, zorginstellingen, schoolbesturen, bedrijfsleven, politie en Openbaar Ministerie werken allemaal samen aan verbetering van het opleidingsniveau, de arbeids­participatie en woonkwaliteit.

Sterrenschool de Globetrotter van Tineke Visser valt onder een van de focuswijken van het Nationaal Programma Rotterdam Zuid (NPRZ). In deze wijken wordt gewerkt aan een Children’s Zone. Dat betekent onder andere dat alle leerlingen wekelijks tien uur extra ‘leer’tijd krijgen. Die tijd wordt besteed aan onderwijsondersteuning, sport, muziek, drama en dergelijke. “Ik denk zeker dat dit effect heeft”, zegt Visser. “Het welbevinden én de wereld van leerlingen groeien hierdoor.” Maar volgens haar kan de inhoud van het aanbod nog wel beter. “Wij, de betrokken schoolleiders, denken dat er ook meer ruimte zou moeten zijn om te doen wat past bij je school, leerlingen, ouders en team. En we zijn kritisch over de cognitieve opbrengsten. Ik ben ervan overtuigd dat die omhoog gaan als je beter in je vel zit, maar daar zijn misschien wel jaren voor nodig. We zijn in gesprek met NPRZ en de gemeente over mogelijk effectievere interventies voor cognitieve groei. We denken daarbij bijvoorbeeld aan intensivering van het onderwijs.” Dat is echter niet eenvoudig: “Daar heb je goede mensen voor nodig en we hebben in Rotterdam al een aardig leraren­tekort. En we willen onze zittende mensen ook niet wegjagen door hen allerlei extra taken te geven.”

Opbrengsten

Komen scholen in achterstandswijken nog voldoende toe aan gewoon lesgeven? Daarover verschillen de meningen van de schoolleiders. Jos Clout: “Wij hebben goede opbrengsten. Onze eindopbrengsten voor rekenen en Nederlandse taal zijn elk jaar boven verwachting. Juist, denk ik, omdat we kijken wat de leerlingen nodig hebben, en daar ons programma op aanpassen.”

Tineke Visser zegt echter: “We leren de leerlingen van alles. Maar ik denk dat wij er niet altijd uit kunnen halen wat er in zit vanwege alles wat er om de kinderen heen speelt. In Rotterdam is het motto nu ‘Gelijke kansen voor ieder talent’. Maar hoe krijg je dat voor elkaar voor kinderen die thuis onvoldoende ondersteuning krijgen?”

Sigrid Hartman ziet dat er soms lestijd verloren gaat aan het oplossen van problemen. Volgens haar helpt het enorm als je de zorg binnen de school vestigt. “Dan kan de leerkracht gewoon lesgeven. Wij gaan, naast de gelukswerker, ook samen met een collega-school een jeugdzorgaanbieder in de school huisvesten.” Visser beaamt: “Zorg binnen de school is laagdrempelig voor ouders. Die komen niet als de schoolmaatschappelijk werker er een dag per week is. Die moet ook af en toe koffie drinken met de moeders en een relatie met hen opbouwen. Dan kan de ib’er zich weer op de onderwijsopbrengsten richten.”

Andere rol schoolleider

In een wijk met veel problemen is de rol van de schoolleider anders. Clout: “Ik ben heel actief in het vinden van geld. En ik heb bijna een dagtaak aan gesprekken met gezinnen en onze ketenpartners: CJG, jeugdzorg, gemeente, sportraden, wijkregisseur, buurt- en sportcoaches, welzijn. Ik zoek de verbinding tussen partijen en zo ontstaan weer nieuwe dingen.” Visser is heel druk met het organiseren van de tien uur extra onderwijs en de contacten met schoolondersteunende zorg. “Ik ben met veel andere dingen naast onderwijs bezig. Dat voelt wel eens als een dilemma, maar ik denk dat het nodig is om deze kinderen echt tot ontwikkeling te brengen.” Hartman merkt dat het schakelen tussen de verschillende ouders veel vraagt. “Je hebt ze niet zomaar, veel mensen staan met de rug naar de maatschappij. Als ze oprechte belangstelling voelen, slaagt het contact. Je moet naast de ouders gaan staan.”

Clout maakt het schoolplan samen met de leerkrachten. “We kijken goed wat we wel en niet doen. We doen het samen, ik werk niet top down. En leerkrachten die even buiten hun comfortzone gaan, prijs ik de hemel in.” Hartman weegt bij sollicitaties mee in hoeverre leerkrachten het in zich hebben om goed te leren omgaan met ‘haar’ ouders en leerlingen. “Ik moet collega’s helpen bij het bewaren van liefdevolle afstand. Deze ouders en kinderen kunnen bij jou precies op de zere plek drukken. De kunst is om betrokken te zijn, maar een professionele afstand aan te houden.”

Effect

In hoeverre heeft al die extra inspanning effect? Hartman: “Ik denk dat wij wat kunnen betekenen. Dat móeten we ook. Maar de problematiek is hardnekkig.” Clout: “Je moet vooral kijken naar wat er goed gaat, daar je plezier uit halen. Zelf enthousiast blijven, het verhaal blijven vertellen, het goede voorbeeld geven. Leerlingen van mij zitten in de kinderwijkraad en doen mooie dingen. Daar ben ik apetrots op.” Volgens hem kan de school wel degelijk zorgen voor verbetering. “Om iets aan segregatie te doen heb je veel partijen nodig. Maar wij kunnen kinderen leren om actief en zelfstandig te worden, zodat ze in deze maatschappij kunnen functioneren.”

Visser houdt een slag om de arm. “Van onze leerlingen heeft zo’n 80 procent minimaal één ouder die niet in Nederland is geboren. Wij zullen moeten blijven investeren. Ik denk wel dat onze leerlingen veel meer kansen krijgen dan hun ouders en dat een deel van hen zal werken en actiever in de maatschappij zal staan.”

Kader Primair
Dit artikel heeft in Kader Primair gestaan. AVS-leden ontvangen Kader Primair maandelijks op de mat. Nog geen lid? Bekijk hier eerder verschenen nummers, word lid en ontvang voortaan ook iedere maand een kersvers exemplaar in de brievenbus!

Gerelateerd nieuws