Alles verandert, behalve het denken over onderwijs

Het lijkt een beetje mode. Opbrengsten van het basisonderwijs halen regelmatig het nieuws met een negatieve beoordeling. Desondanks vinden nieuwe leervormen maar mondjesmaat bijval. Theo Riemersma interviewde onderwijsvernieuwers, inspirators en collegas en bracht hun verhalen samen in een bundel die in september verschijnt bij de APS in Utrecht.

“Als school een club was, dan ging ik er vanaf.” Het is slechts een van de typerende uitspraken uit de essays van bovenschools directeur Theo Riemersma. Riemersma, ruim 34 jaar werkzaam in het onderwijs, ging afgelopen jaar in gesprek over de opbrengsten van het huidige onderwijs en de wenselijkheid van onderwijsvernieuwing met een vijftiental onderwijsmensen. Hij interviewde direct betrokkenen zoals een directeur van een pabo en een Turkse leerkracht die onder armoedige omstandigheden veel weet te bereiken, maar ook indirect betrokkenen, zoals oud-minister Van Kemenade en professor Luc Stevens. De gemene deler van al deze betrokkenen: onderwijs is heel hard aan een opknapbeurt toe. Alles in de samenleving verandert, behalve het denken over het onderwijs. Dat is sinds de oorlog gelijk gebleven, vindt Britt, een van Riemersmas collegas, in een van de essays. Ook collega Elma denkt dat het tijd is voor verandering: “We hebben tegenwoordig leerlingen met verschillende nationaliteiten en kinderen zijn meer gewenst dan vroeger, waardoor ze meer tot hun recht kunnen komen. Daar moet je je onderwijs toch op aanpassen?” Het zijn uitspraken die in vrijwel alle essays naar voren komen. Riemersma heeft er duidelijk voor gekozen de voorstanders van het Nieuwe Leren ter tafel te brengen. De onderwijsvernieuwers onderstrepen in de essays het belang van coachend doceren en meer aandacht en begrip voor de individuele ontwikkeling van het kind. Marjo van Zwet, directeur van de sbo-school Het Avontuur in Den Haag, verwoordt de missie van haar school als volgt: “Leerling en leraar voeren samen de regie over de ontwikkeling. Zeg maar wat je wilt leren. Dat zou voor iedereen de basis moeten zijn.” De directe omgeving mag Riemersmas visie dan wel delen, in de maatschappij heerst veel weerstand tegen onderwijsvernieuwing. Ouders en politici focussen op meetbare resultaten, zoals de Cito-toets. Dat is erg jammer, vindt Riemersma. “Alsof je op één moment kunt toetsen hoe iedereen ervoor staat. Waarom kun je kinderen niet zelf laten beslissen wanneer ze klaar zijn voor het testen van een bepaald lesonderdeel? Daarmee kom ik op het terrein van professor Sleegers, hoogleraar onderwijskunde aan de Universiteit van Amsterdam. Ouders hebben zijns inziens toch vooraleerst een eigen agenda. Ze stellen het belang van hun eigen kind een goed schooladvies, goede testresultaten primair en hebben weinig aandacht voor onderwijsvernieuwing.” Volgens Riemersma is er in het algemeen te veel aandacht voor planvorming en testen. “Nederland is een planland. We denken nog steeds in goed of fout en de leerkracht moet bepalen wat er gebeurt. Hoe achterhaald is dat. Waarom kan de politiek daar geen verandering in doorvoeren?” Met die vraag in het achterhoofd bezocht Riemersma Jos van Kemenade, minister van onderwijs in de kabinetten Den Uyl en van Agt 2 en tevens hoogleraar onderwijskunde. “De enige minister van onderwijs die zich ook daadwerkelijk met de inhoud van het onderwijs heeft bemoeid”, aldus Riemersma. Van Kemenade memoreert in het gesprek dat ook in zijn tijd al aandacht was voor andere ontwikkelingsaspecten dan alleen cognitie, zoals kunstzinnige vorming en het stimuleren van talent. Dat nieuwe vormen van onderwijs maar moeilijk van de grond komen, is volgens hem naast politieke onwil, ook te wijten aan de leerkrachten. Behalve een grote groep bevlogen leerkrachten zijn er ook die er de kantjes van aflopen, aldus Van Kemenade. Hij pleit voor een andere opleidingsstructuur voor leerkrachten. In plaats van de huidige pabo stelt hij voor om na een opleiding met startkwalificatie een tweejarig duaal leertraject te volgen. Bovendien moeten goede leerkrachten erkend en beloond worden. In Riemersmas bundel is vooral het verschil tussen leerlingen een belangrijk aandachtspunt voor de geciteerde onderwijsvernieuwers. In een van de essays wordt de fabel van de bosschool aangehaald een oorspronkelijke fabel bewerkt door Kees van der Wolf. De bosschool wordt door een beer, een das en een bever opgericht om problemen van deze tijd het hoofd te bieden. Het lesprogramma bestaat uit rennen, klimmen, vliegen en zwemmen. Alle dieren moeten aan alle onderdelen meedoen. De eend is een prima zwemmer, maar kan niet hardlopen, daarom moet hij vier uur nablijven en mag hij niet meer zwemmen. Uiteindelijk oefent hij zoveel op het rennen dat hij pijn krijgt aan zijn zwemvliezen en nog maar matig kan zwemmen. Hetzelfde vergaat het de haas, die niet te veel mag rennen en de eekhoorn die niet mag klimmen. Aan het eind van het jaar wint de paling die aardig kan zwemmen, een beetje kan hollen en klimmen en vliegen. Hij haalt het hoogste gemiddelde cijfer. Voor Riemersma is de fabel exemplarisch voor het gegeven dat de middelmaat excelleert in Nederland. Van Kemenade deelt die mening en pleit voor een op maat gesneden aanbod om talentvolle en hoogbegaafde leerlingen meer kansen te geven. “Eén en hetzelfde onderwijsaanbod voor alle leerlingen is onwenselijk en niet haalbaar. Wanneer een beperkt kerncurriculum ontwikkeld wordt, moet dit met name die leergebieden omvatten die noodzakelijke ontwikkelingsdoelstellingen dienen” … “Daarnaast moeten er mogelijkheden zijn voor een gedifferentieerd aanbod als een aanvullend curriculum, naar keuze van de school om zo recht te kunnen doen aan het individuele kind.” Riemersmas voorkeur zijn ideale toekomstbeeld gaat uit naar een klas met kinderen uit diverse leeftijdscategorieën. Kinderen zouden namelijk ook veel leren van elkaar en soms kan zelfs een jonger kind een ouder kind verrassend goed helpen. Wetenschappelijk onderzoek van professor Sleegers staaft Riemersmas idee. Werken met heterogene groepen zowel in leeftijd als in etniciteit leidt tot betere resultaten en opbrengsten dan werken met homogene groepen. Het feit dat het onderwijs desondanks ervoor kiest om het systeem met homogene groepen in stand te houden, is volgens Sleegers een kwestie van marktwerking; ouders willen het, dus gebeurt het. Dat zou ook de conclusie kunnen zijn na het lezen van alle essays. De bevlogen, ambitieuze onderwijsmensen die Riemersma ten tonele voert, lopen uiteindelijk vast op het systeem dat in stand gehouden wordt door weinig betrokken ouders en beleidsmakers, “maar ook door de vakorganisatie en de werkgeversorganisaties”, constateert professor Luc Stevens. “Dit systeem ligt nu eenmaal verkankerd in onze samenleving. Er is geen breed draagvlak om het systeem zoals we dat in Nederland hebben te veranderen. Kennelijk is iedereen tevreden met de leerkracht voor de klas die bepaalt wat kinderen gedurende een schooldag moeten leren.” … “Het systeem kunnen wij niet veranderen, maar we kunnen wel zelf het verschil maken”, aldus professor Stevens. Zijn devies is dan ook de bevlogen leerkrachten zichtbaarder te maken door ze in teamvergaderingen het woord te laten voeren. Want “verandering komt voort uit inspiratie, wanneer er bevlogen leerkrachten zijn, dan doen leerlingen met hen mee.”

 

Let op: Dit artikel is meer dan vijf jaar geleden gepubliceerd en bevat wellicht incorrecte, onvolledige of ongeldige informatie.