Het kabinet moet fors investeren in het funderend onderwijs. In 2021 moet er jaarlijks 700 miljoen euro bij en dat bedrag loopt in 2025 op naar structureel 1,5 miljard euro. Dat extra geld is hard nodig om het Nederlandse onderwijs weer van wereldklasse te maken. Dat blijkt uit het onderzoek ‘Een verstevigd fundament voor iedereen’ van adviesbureau McKinsey, in opdracht van het ministerie van OCW.
 
De onderzoekers stellen dat de huidige uitgaven “ontoereikend zijn om landelijke uitdagingen te adresseren.” Daarbij gaat het om de hoge werkdruk en het grote lerarentekort. Zij geven ook aan dat het geld ‘direct of indirect’ op schoolniveau moet worden besteed. Zaken als het functiehuis en bijhorende beloning moeten worden aangepast, maar ook effectieve digitalisering en betere schoolgebouwen.
 
Een belangrijke constatering is dat de onderzoekers stellen dat het ministerie van OCW in 2019 wel een bedrag van 1,7 miljard euro meer in onderwijs heeft geïnvesteerd dan in 2009, maar dat dit bedrag ‘geen effect’ heeft. Dit bedrag wordt namelijk volledig tenietgedaan omdat gemeenten in totaal 1,9 miljard euro minder uitgaven aan onderwijs dan tien jaar eerder. Dit komt door de bezuiniging van gemeenten vanwege de financiële crisis en decentralisatie van de jeugdzorg.
 
AVS-voorzitter Petra van Haren: “Door helder te maken dat er per saldo niet echt meer is geïnvesteerd, wordt de ervaring van schoolleiders grijpbaar gemaakt. Het kabinet bleef maar schermen met bedragen van extra investeringen, terwijl er in de school geen extra ruimte werd ervaren. Vooral het achterblijven van bekostiging voor gebouwen heeft daarbij tot onhoudbare situaties geleid. Aan slechte luchtkwaliteit of vieze toiletten kan nauwelijks iets gedaan worden.”
 
De AVS is betrokken geweest in het gesprek over de uitkomsten van dit rapport. Hierbij vielen voor de AVS vooral de volgende zaken op:

  • De uitgaven aan het funderend onderwijs in Nederland zijn qua hoogte vergelijkbaar met andere landen. Dit geldt echter niet voor het PO. Voor de uitgaven aan het PO als percentage van het BBP en de uitgaven PO per leerling zit Nederland zich aan de onderkant van de statistieken (p.30);
  • De uitgaven aan het funderend onderwijs in Nederland zijn qua hoogte vergelijkbaar met andere landen en toch neemt de doelmatigheid van het funderend onderwijs af in Nederland in vergelijking met andere landen. Nergens ter wereld zijn de verschillen in prestatie tussen scholen zo groot als in Nederland. Er is geen relatie tussen onderwijsresultaten en de bekostiging per leerling die scholen ontvangen. (p. 59) “Onderzoek wijst uit dat dit verschil niet verklaard wordt door de uitgaven of de context van de school, maar door de dagelijkse keuzes die schoolbestuurders, schoolleiders en leraren maken.” De schoolleider maakt dus echt het verschil in kwaliteit van scholen, iets wat eerder onderzoek reeds aantoonde (Marzano, Fullan). “75 procent van de variantie tussen scholen is beïnvloed door de doelmatige keuzes van bestuurders, schoolleiders en Leraren.” (p.12,p.63);
  • De kwaliteit van directeuren is cruciaal voor hogere onderwijsresultaten en de directeur voert een proactief personeelsbeleid. “Bovengemiddelde scholen hebben duidelijke verwachtingen en afspraken met leraren uitgewerkt in een functieprofiel. Als leraren door de ondergrens zakken, starten bovengemiddelde scholen sneller een traject om óf de kwaliteit van de leraren te verbeteren, of door afscheid van hen te nemen.” (p. 87);
  • De schooldirecteur geeft aan dat een helder geformuleerde visie en/of missie de basis vormt voor beslissingen en rapporteert meerdere keren per jaar aan het bestuur over voortgang. De relatie bestuur en schoolleider is dus cruciaal in het creëren van een goed presterende organisatie. (p.74);
  • Scholen ervaren weinig  zelfstandige financiële speelruimte voor het maken van doelmatige beslissingen, dit terwijl de reserves geregeld hoog zijn. De schoolleiding wordt hierdoor beperkt in zijn mogelijkheden. (p.4) “Dit komt omdat schoolbesturen aangeven de financiering als onzeker te ervaren. De gemiddelde solvabiliteit zit met 75% in het primaire onderwijs en 60% in het voortgezet onderwijs ver boven de signaleringswaarde van 30% die de Inspectie van het onderwijs hanteert als ondergrens voor reserves.” Aanbeveling: De overheid zou hier meer zekerheid kunnen/dienen te geven en het toezicht op het aanhouden van te grote reserves bij besturen verscherpen.(p. 131);
  • Goede huisvesting van scholen speelt een veel belangrijkere rol dan doorgaans wordt aangenomen. Leraren vinden vooral de temperatuur en de luchtkwaliteit onvoldoende. In 2011 concludeerde het RIVM dat het binnenmilieu van scholen vaak onder de maat is, en in 2013 schreef het Centrum voor Gezonde Scholen dat de luchtkwaliteit op scholen vele malen slechter is dan op een gemiddeld kantoor. Als leerlingen onder de ARBO-wetgeving zouden vallen, werden veel schoolgebouwen waarschijnlijk afgekeurd.

We weten uit onderzoek dat leerlingen beduidend beter presteren in lokalen met goede verlichting (led met daglichtmogelijkheid) en airconditioning. Dit zou in bouweisen voor scholen moeten worden opgenomen. Op maar liefst acht op de tien scholen is het binnenklimaat onder de maat, blijkt uit het laatste rapport van de Rijksbouwmeester

  • Ondersteun scholen met effectieve digitalisering op schaal. In de bezochte scholen kwamen tal van gevallen naar voren waar leraren aangaven dat het materiaal niet goed werkte, waar de ondersteuning ontbrak om een digitale oplossing te kiezen en toe te passen, of waar men juist zo enthousiast was dat er allerlei tijdrovende initiatieven werden ondernomen die slechts enkele leerlingen bereikten. (p.133);
  • Vraag en advies aan OCW: beperk het aantal additionele verwachtingen ten aanzien van het onderwijs. In meer dan 4.400 brieven in het laatste decennium van het ministerie aan de Tweede Kamer worden ruim 300 verwachtingen besproken. De bekostiging is niet toereikend om aan alle verwachtingen te voldoen.

 
Van Haren: “Ook uit dit rapport blijkt opnieuw hoe belangrijk de rol van de schoolleider is. Er liggen nog veel vraagstukken voor innovatie en verbetering op schoolniveau waar voldoende en professionele schoolleiders de sleutel zijn tot oplossingen.”
 
Wat betreft kleine scholen en schaalvoordeel, zegt van Haren: “Onderwijskwaliteit moet altijd het uitgangspunt blijven (hoor ook mijn interview donderdagmorgen 23 april op radio 1). Dat is niet per definitie hetzelfde als alle kleine scholen sluiten. De AVS pleit voor kwalitatief en kindnabij basisonderwijs. Dat kan in een aantal regio’s betekenen dat kleine scholen gerechtvaardigd zijn, maar op andere plekken, waar veel scholen dicht bij elkaar staan, zou dit anders ingericht kunnen worden.”
 
 
 

Links

Gerelateerd nieuws

  • Doorstroom vmbo-havo en havo-vwo wettelijk geregeld

  • Aanmelden Innovatietraject nieuwe schooljaar voor vo-scholen

  • Corona-protocol volledige heropening voortgezet onderwijs

  • Quarantaine na vakantie geen geldige reden voor schoolverzuim