Beste schoolleider,

Mag ik je iets vragen? Noem mij alsjeblieft geen partner. Noem mij ouder. Misschien denk je dat het maar een woord is. Voor mij is het een wereld van verschil. Een partner kies je. Van een partner verwacht je dat hij initiatief neemt, meedenkt en ongeveer hetzelfde bijdraagt als jij. Maar ouder bén je. Dat is geen functie. Dat is een leven.

Jij kijkt naar mijn kind vanuit je kennis en ervaring. Dat is je vak. Ik kijk anders. Ik kijk als vader of moeder. Met mijn hart. Met mijn onderbuik. Want het gaat niet over zomaar een kind. Het gaat over mijn kind. Als er iets misgaat, voel ik angst. Als mijn kind verdriet heeft, doet dat mij pijn. En als ik denk dat mijn kind tekort wordt gedaan, reageer ik soms fel. Niet omdat ik lastig wil zijn, maar omdat ik kwetsbaar ben. Nergens ben je kwetsbaarder dan in je eigen kind.

Misschien ben ik ook nog bang dat jij mij een zeurouder vindt. Daarom reageer ik soms impulsief. Ik stuur die mail terwijl de emoties nog hoog zitten. Niet omdat ik jou wil aanvallen, maar omdat ik bang ben dat mijn kind iets tekortkomt. Misschien ben ik hoogopgeleid en gebruik ik veel woorden. Dan lijkt het alsof ik jou wil overrulen, terwijl er achter mijn woorden vooral angst zit. Misschien ben ik juist niet zo taalvaardig en klap ik dicht. Misschien leef ik midden in een vechtscheiding. Misschien werd ik vroeger zelf gepest en vind ik het nog steeds spannend om een school binnen te lopen.

Je ziet dat niet altijd. En dat hoeft ook niet. Maar probeer wel nieuwsgierig te zijn naar wat je niet ziet. Begrijp mij voordat je mij beoordeelt.

Achter boosheid kan verdriet zitten. Achter kritiek onzekerheid. Achter afstand schaamte. En achter gedrag dat lastig lijkt, zit soms gewoon een ouder die niet weet hoe hij zijn kwetsbaarheid anders moet laten zien. Gebruik de wijsheid van collega’s om mij beter te begrijpen. In gesprekken over ouders is het verleidelijk om gedrag snel te duiden of te beoordelen. Help elkaar daarom steeds opnieuw de vraag te stellen: ‘Wat zou er achter dit gedrag kunnen schuilgaan?’

Want wij ouders lijken helemaal niet zoveel op elkaar. De één praat veel, de ander zwijgt. De één durft overal binnen te stappen, de ander ziet op tegen ieder gesprek. De één vertrouwt de school meteen, de ander heeft daar tijd voor nodig. Als je mij partner noemt of zelfs educatieve partner doe je mij tekort. Dan verwacht je dat ik communiceer zoals jij, denk zoals jij en betrokkenheid laat zien op de manier waarop jij dat gewend bent.

Maar ik ben geen professional.

Ik ben ouder.

Ontmoet mij daarom niet als partner, maar als vader of moeder. Dan hoef ik niet op jou te lijken. En hoef jij mij alleen maar te helpen om samen te doen wat we allebei willen: mijn kind zo goed mogelijk laten opgroeien.