Ferdinand

Spoiler-alert:

In deze column probeer ik vooral mezelf uit te leggen – en daarmee ongemerkt de ander – hoe precair het delen van persoonlijke opvattingen is. Iets wat ik heel graag doe, het delen van persoonlijke opvattingen. En mensen, altijd vanuit de beste bedoelingen hè?

Ik probeer in deze column duidelijk te maken dat we – ik gebruik gemakshalve vanaf nu ‘we’ – niet altijd even goed doorhebben wat de impact van onze goede bedoelingen is.

We weten allang dat het geschreven woord een vlammend zwaard kan zijn – veelal door een gemis aan nuance, context en duiding. Ook het missen van de schrijver zelf hierin kan een factor zijn in het ontvangen van de boodschap. Het geschreven woord kan zo vreselijk onbarmhartig zijn, het schrift zo ontstellend stellig. Door woordkeuze of -volgorde kan de beoogde plank misgeslagen worden of zelfs gebroken.

We weten allang dat gesprek vis-à-vis vaak prevaleert boven schriftelijke communicatie.

Toch leven we in een tijd dat het fysieke gesprek steeds meer ingewisseld wordt door het geschreven woord.

We mailen elkaar, ook als we in hetzelfde gebouw zitten. We appen elkaar, ook als we tegenover elkaar aan het werk zijn. En onderkennen nog onvoldoende de effecten van het geschreven bericht. Soms slaan we elkaar de woorden om de oren, waarvan ik denk dat deze niet uitgesproken zouden worden als we werkelijk met elkaar in gesprek zouden zijn.

In toenemende mate zie ik hierin een verharding. Ik zie grote ego’s en lange tenen, waarop in beleving vreselijk getrapt wordt. Ik zie het ook in de berichtgeving vanuit de journalistiek of op de verschillende sociale media. Ongenuanceerd – men kent elkaar niet – wordt er op elkaar gereageerd, de een nog onbarmhartiger dan de ander. Andersdenkenden worden weggezet als inferieur of roepen zelf om het hardst. De toon van de reacties is dusdanig om de ander te raken, het is verdeeldheid wat de klok slaat. Het is het gelijk willen hebben, het is de ander overtuigen.

Even voor de goede orde: ik ben verre van een voorbeeld in deze en word ook van tijd tot tijd aangesproken op een te scherpe pen. Mijn verhalen zijn niet geschreven om de ander weg te zetten of te veroordelen, maar kunnen van tijd tot tijd wel die suggestie wekken.

We mogen elkaar best aan het denken zetten. Ikzelf heb daar sterk behoefte aan; dat aan het denken te worden gezet. Al was het alleen al om te voorkomen dat ik zo’n zelfingenomen betweter word die een ander wel even vertelt hoe het leven in elkaar steekt. Als ik het al niet ben.

Het elkaar aan het denken zetten dient vanuit context te gebeuren met de bijbehorende duiding. En vanuit verbinding. Niets is zo slopend als het ongenuanceerde stellige schrift; het verdeelt, het slaat neer, het vernietigt.

Dat kan echt anders, mensen!

En dat heb ik onlangs ontdekt.

Afgelopen week las ik over ‘De Echo van het Leven’; oh, ik wilde dat ik dat zelf geschreven had. Zoveel wijsheid!

Passend in deze tijd kan er vanuit een ‘ander besef’ meer passend op elkaar gereageerd worden, ook schriftelijk. Als een spiritueel onbeschreven blad, maagd als blanke lelies in het veld, maakte het verhaal over de ‘Echo’ grote indruk op me.

Ik wil het graag met jullie delen.

Vader en dochter maken een wandeling door bergachtig gebied. Het is een mooie dag, een waterig zonnetje schijnt, het is ietwat heiig, vader en dochter genieten van de wandeling en de omgeving. Het pad waarover zij gaan, is bezaaid met kiezels en grote stenen. Het is goed kijken waar de voeten neergezet worden.

De dochter let even niet op – misschien afgeleid door het mooie uitzicht op een dorpje, verderop in het dal – en stoot haar voet tegen een grote, scherpe steen.

            ‘Ah, fuck!’ roept ze, kwaad op de steen en op zichzelf.

            ‘Ah, fuck!’ klinkt het verderop.

De dochter kijkt verbaasd op, de pijn vergetend.

            ‘Wie roept daar?’ vraagt ze hardop, om zich heen kijkend.

            ‘Wie roept daar?’ antwoordt de onbekende.

            ‘Nou ja, zeg!’ roept de dochter verontwaardigd.

            ‘Nou ja, zeg!’ weerklinkt het vanuit de bergen, net zo verontwaardigd.

Vragend kijkt de dochter haar vader aan, die verderop op het pad staat te gniffelen. Hij loopt naar haar toe. ‘Let op, lief kind van me,’ en hij legt een hand op haar schouder.

            ‘Wat ben je mooi!’ roept de vader richting de bergen.

            ‘Wat ben je mooi! weerklinkt het.

            ‘Ik vind jou leuk! roept de vader.

            ‘Ik vind jou leuk!’ is het antwoord.

De vader slaat het stof van de schoen van zijn dochter en vraagt of het nog pijn doet.

            ‘Wat je hoorde, was de echo. Maar eigenlijk hoorde je veel meer dan dat. Eigenlijk hoorde je het ‘leven’. Het leven geeft terug wat jij het leven geeft, als een spiegel die weerkaatst wat hij te zien krijgt; die jouw doen en laten weerkaatst. Als je meer begrip wilt, toon dan zelf meer begrip. Verwacht je meer respect, wees respectvol naar de ander en als je meer liefde nodig hebt, geef dan zelf meer liefde.

De vader geeft zijn dochter een kus op haar voorhoofd, pakt de steen des aanstoots en gooit deze weg.

            ‘Verder gaan?’

Wij zijn de echo van ons eigen handelen, de wijze les die ik zelf graag ter harte neem. Wij zijn onze eigen echo; wie goed doet, goed ontmoet.

Ook als je je teen stoot, of erop getrapt wordt.

Figuurlijk gesproken dan.