Door: Jonneke Reichert | Bekijk archief

“Je hebt drie potjes”, somde de vorige directeur van De Bijenkorf op tijdens ons overdrachtsgesprek. “Je exploitatiebegroting, een stukje NPO dat je nog op moet maken en de WDVM. Daarvan kun je de gymleerkracht en de muziekjuf in elk geval betalen.” WDVM, WDVM? Naarstig probeerde ik in mijn brein te achterhalen wat dat ook alweer was. Mijn hersenchemie leidde mij als eerste naar Wie Is De Mol? Maar nee. Dat was het natuurlijk niet. Uiteraard had ik tijdens mijn opleiding wel eens gehoord over werkdrukverlagende middelen. Maar hoe het potje heette en wat ik er nou precies mee kon, dat bleef me een raadsel.

Niet omdat er in mijn team een gebrek aan werkdruk is. Dat zeker niet. De drie grootste veroorzakers kan ik je zo opnoemen: grote klassen in combinatie met veel zorgdossiers, pleinwacht en de schoonmaak. Maar waar ik achter kwam, is dat ditzelfde team aan zet is als het gaat om de inzet van de WDVM. Versta me niet verkeerd. Inspraak van het team vind ik een groot goed. Alleen welk signaal geef je als overheid af als je met een klein potje steeds weer incidenteel moet oplossen wat structureel niet lukt? En zadel je het team dan niet met veel extra stress op als de collega’s zelf moeten bepalen wat het meest urgent is?

Mijn indruk is dat dit soort potjes tot nu toe alleen maar een schijngevoel van zeggenschap geven en dat ze als een échte ‘molactie’, weliswaar onbedoeld maar toch, een afleidingsmanoeuvre vormen. Want het voeren van dat essentiële gesprek over wat we in het onderwijs nodig hebben om kwaliteit te kunnen bieden, vindt daardoor niet of nauwelijks plaats. En zo ontsnapt De Mol keer op keer weer. Wie is de mol? Wat hebben Wie is de mol? en werkdrukverlagende middelen gemeen? Best een hoop, als je het schooldirecteur Jonneke Reichert vraagt.

Natuurlijk, als voormalig ambtenaar snap ik wel hoe potjes à la de werkdrukverlagende middelen ontstaan. Vanuit een of ander akkoord geeft de overheid invulling aan een pijnpunt. Met zo’n financieel extraatje lijkt het opgelost. Klaar. Ja toch? Nou, als relatieve nieuwkomer in het onderwijs ervaar ik dit totaal anders. Werkdrukverlagende middelen vormen naar mijn idee eerder het sluitstuk van de begroting dan dat ze een budget zijn ter verlichting van werkdruk. Maar genoeg geklaagd. Als je de werkdruk als De Mol ziet, wat kunnen wij in het onderwijs dan doen om hem te pakken te krijgen? Ik heb bij de overheid en in de goede-doelen-sector gewerkt. Naar mijn idee is de werkdruk daar niet per se lager dan in het onderwijs. Toch bestaan daar helemaal geen WDVM. Bij de overheid investeren ze in een betere werk-privébalans door flexibele werktijden te realiseren en te onderzoeken hoe je de werkomgeving gezonder kan maken. Stichtingen en verenigingen kijken vooral naar het vergroten van werkplezier. Oké, flexibele werktijden in het onderwijs zijn natuurlijk wel een ding. Maar wat kunnen we van die andere sectoren leren? Opvallend is dat zij niet focussen op werkdruk, maar wél op werkgeluk. Ik denk dat je met deze woordkeuze al een verschil kan maken. Strooien met geluk voelt sowieso beter dan peinzen over werkdruk. En over geluk gesproken… Misschien dat ik tijdens het eerstvolgende teamuitje maar eens een spelletje Wie Is De Mol? ga spelen! Als het budget dat toelaat natuurlijk

Interessant?
Dit artikel stond in KADER , het vakblad voor schoolleiders, dat AVS-leden exclusief ontvangen. Wil jij KADER ook op de deurmat hebben? Word lid of abonnee, ontvang voortaan een kersvers exemplaar in de brievenbus en versterk de positie van schoolleiders.