
De discussie over kleinere klassen en betere prestaties laait weer op – en terecht. Los van wie gelijk heeft, het draagt bij aan het allesomvattende debat over goed onderwijs. Die discussie moet wat mij betreft voortdurend gevoerd worden.
SP en D66 pleitten al sinds 2016 met een initiatiefwet tegen ‘plofklassen’ – schitterend woordgebruik van toenmalig SP-kamerlid Tjitske Siderius. Maximaal 23 leerlingen. Dit jaar, 2025, werd die initiatiefwet aangescherpt naar maximaal 21 leerlingen per klas in het funderend onderwijs.*
Hard bewijs dat kleinere klassen leiden tot betere leerresultaten is er nog niet, maar er zijn wel kleinere positieve effecten op leerprestaties waargenomen. Vooral een verbetering van de interactie tussen leraar en leerlingen. Anders gezegd: minder leerlingen, meer aandacht.
Behalve als je meester bent van schreeuwlelijkerds en ander geboefte. Dan vergeet je Iris.
Ik had vroeger als leerkracht een 25-klas, geen plofklas dus. Met daarin 24 handenbindertjes en 1 Iris. Als ik aan het einde van dag tevreden naar huis fietste, draaide ik in mijn hoofd de dag nog een keer af om vast te stellen of alle leerlingen evenredig veel aandacht van me hadden gehad.
Eén keer schoot er door mijn hoofd:
‘Was Iris vandaag eigenlijk wel op school?’
De vraag kwam zo hard binnen dat ik met een rood hoofd en zweet op de rug de fiets tegen een boom zette en nog harder nadacht wat nu te doen. Wat heb ik staan foeteren op mezelf, wat een labbekak van een leraar. Ik kon moeilijk een collega of de ouders van Iris bellen om te vragen of ze wel bij mij in de klas zat vandaag.
Toen ik thuis 25 dicteetjes nakeek, zag ik dat Iris inderdaad op school was geweest en een goed dictee had gemaakt. Ik plakte twee stickers bij haar werk. Om het ergens een beetje goed te maken.
Onderzoeken naar de effecten van groepsgrootte zijn nog wat wisselend in hun uitkomsten. Ze stellen dat het opkrikken van leerprestaties niet één op één samenhangt met de grootte van de groep. Grotere klassen kunnen wel tot grotere druk leiden. Immers, 34 leerlingen genereren meer werk om na te kijken, meer toetsen om te maken, meer rollen om te verdelen in de eindmusical. Maar niet elke plofklas is druk. Soms heb je de handen vol aan een klas van 12 leerlingen, soms kun je er wel 34 hebben. Twee vingers in de neus.
Zonder het debat over kleinere klassen tekort te willen doen, zou ik willen voorstellen om onderwijsorganisaties de ruimte te geven om hierin flexibel te kunnen opereren. Dat is voor een deel al geregeld in de lumpsum, maar soms ontbreekt het aan financiële armslag.
En Iris? Ik heb haar de volgende dag klassenhulp gemaakt – ‘klasslaaf’, zoals mijn boeven dat noemden. Na schooltijd de planten water geven, koffie halen voor de meester en alvast beginnen met het nakijken van het rekenwerk. Vond ze heerlijk. Na schooltijd hadden we even alle tijd voor ons tweeën. Daarna fietsten we samen naar huis.
* Bron: AD, Hanneke Keultjes, 18 augustus 2025