Ferdinand

Afgelopen week mocht ik, namens de AVS, samen met OCW en andere genodigden dromen over het onderwijs van 2035.

Nou, daar kun je me voor wakker maken!

In een gemêleerd gezelschap doken we in de diepere lagen van onze wensdromen, op zoek naar de mooiste vormen van inclusief onderwijs. Ik wist niet dat zoveel mensen zo innig droomden over inclusief onderwijs en hun beelden daarvan wilden delen. Ik zat aan tafel met echte onderwijsrakkers, pittige mensen uit samenwerkingsverbanden en vurige vertegenwoordigers namens alle ouders uit Nederland. Althans, dat idee kreeg ik. Aan andere tafels zaten ook leerlingen uit het voortgezet onderwijs en mensen in rolstoelen.

OCW had vele belangrijke dromers aan tafel gekregen.

Om te voorkomen dat onze dromen alle kanten opgingen, werden we begeleid door een mevrouw die als een ware dromenvanger gerichte vragen stelde en onze visioenen richting gaf. Ondertussen werden onze toekomstbeelden ter tafel vastgelegd door een tekenaar. Nooit geweten dat samen dromen al zo snel mooie plaatjes oplevert.

Samen dromen voelt onwennig.

Ik kom nog voort uit een tijd dat dromen voor dromers was. Dromers die uiteindelijk nergens (aan toe) kwamen, geen droog brood op de plank wisten te verdienen. ‘Ga maar gewoon aan het werk,’ zeiden mijn ouders. Vooral als zij weer op school waren geweest bij meester van Antwerpen, klas 4. Ik stond te boek als een dagdromer met een rijke fantasie. Mijn wereld was meer dan de rijtjes met sommen die voor me op tafel lagen, wachtend op antwoord. Bij ‘Bep van Gest’ dacht ik niet aan een dubbelverbonden bepaling, maar zag ik een prachtige vrouw langzaam op mij afkomen – ik was er vroeg bij, volgens de meester. Ik kon geen lijdend voorwerp vinden in welke zin dan ook, vooral vanuit een groot meeleven. Als ik op de blinde kaart het Westland moest aanwijzen, zocht ik het bij de Sallandse Heuvelrug. Ondertussen bedacht ik waarom zo’n kaart blind gemaakt was. Waartoe diende zoveel opgeroepen ellende? En waarom rolde de meester steeds met zijn ogen?

            ‘Meneer en mevrouw Ter Haar, uw zoon kan weliswaar prima meekomen, maar zou wat minder moeten dromen en meer bij de les zijn. Het dromen gaat ten koste van zijn werk!’

Aldus mijn meester.

Prompt moest ik die week al voor achten naar bed.

            ‘Dromen doe je maar ’s nachts!’

Nu, anno 2022, is het onderdeel van mijn werk in het onderwijs geworden.

Maar hoe makkelijk ik het deed als 10-jarig boefje uit de Achterhoek, hoe ingewikkeld ik het nu vind. Het lijkt wel of met het ouder worden dromen meer gefixeerd raken, ingekleurd door ervaring, door beter weten of andere schade. Hoe onbevooroordeeld, hoe vrij van eigen referenties kunnen wij nog samen dromen?

In hoeverre zijn wij, los gekomen van onszelf, in staat te dromen over het best passende onderwijs voor onze kinderen?

Daarnaast bemerk ik een innerlijke strijd – die al enige tijd gaande is – als het gaat om ‘inclusief onderwijs’. Praten over inclusief onderwijs impliceert dat we het nog niet hebben. Zolang we deze term blijven gebruiken, benadrukken we ideeën die niet of te weinig inclusief zijn.

Dat we dus nog steeds ‘uitsluiten’.

Alles wat niet gemiddeld is, gaan we categoriseren – het zit al heel lang in ons systematisch dna. Als je blind bent, bedenken we een school voor blinden en slechtzienden*. Als je in een rolstoel zit, bedenken we scholen met brede gangen – voor nog meer rolstoelen. En als je de pech hebt hoogbegaafd te zijn, word je ergens in een uithoek van school weggestopt.

We hebben voor alle uitschieters een voorziening bedacht, handig en overzichtelijk. Behalve in het voetbal. Als we gaan voetballen, voetballen we samen. Zelfs als je slechtziende bent, in een rolstoel zit of hoogbegaafd bent. Voetballen kan al heel snel samen. Datzelfde geldt ook voor het buitenspelen, buitenspelen kent geen aparte voorzieningen zoals in het onderwijs.

Kinderen vinden buitenspelen met elkaar, met Jan en alleman, vanzelfsprekend.

We moeten dus niet gaan dromen over ‘inclusief onderwijs’ of ‘inclusiever onderwijs’, we moeten werk maken van ‘vanzelfsprekend onderwijs’. We leven als vanzelfsprekend naast en met elkaar. Laten we de ‘inclusiviteit’ – zie, het woord bestaat niet eens! – overstijgen en de dromen over 2035 omzetten in daden voor nu.

Alvast wat ideeën voor ‘daden voor nu’:

  • elk kind, nee echt elk kind is welkom
  • wat het kind nodig heeft, is de pedagogisch-didactische opdracht aan onszelf (maak werk van professionele ontwikkeling van de schoolteams)
  • ‘Hij eruit of ik eruit’ mag nooit meer worden gezegd en geldt als de ontslagbrief op het bureau van de directeur
  • Als ik het even niet meer weet, is dat geen motie voor dreigend ontslag, maar de opmaat naar gerichte ondersteuning in collegiale gezamenlijkheid (direct mee beginnen!)
  • wij, als onderwijs- en zorgprofessionals, kunnen niet alles zelf, maar weten wel waar Abraham de mosterd haalt
  • wij, als ouders en verzorgers, kunnen niet alles zelf, maar worden wel gehoord en voorzien van gerichte ondersteuning
  • wij, als kinderen, mogen het vanzelfsprekend vinden dat we antwoorden krijgen, waar dan ook, op onze ontwikkelingsbehoeften – daarin zijn wij niet anders dan andere kinderen

Tot slot wil ik nog een knuppel in het hoenderhok** gooien:

Binnen ‘vanzelfsprekend onderwijs’ stel ik voor om niet het kind centraal te zetten, maar de antwoorden op de gewenste ondersteuning van onderwijs en zorg.

En wel in collegiale en professionele zin.

* Vraag Vincent Bijlo ook eens naar zijn dromen! ‘Mij is het recht ontnomen om in een boom te klimmen en eruit te flikkeren!‘ (Speech tijdens congres SBO Werkverband, 2016)

** Nee nee, geen speelse verwijzing naar enige feminisering in zorg of onderwijs- alhoewel, ik had het kunnen doen