Ferdinand

Vanzelfsprekend onderwijs #2

Onlangs heb ik een mevrouw geholpen die vanuit haar rolstoel niet bij de pinautomaat kon. Het was in een drukke winkelstraat en achter haar ontstond allengs een lange rij wachtenden.

De mevrouw in de rolstoel bleek een oude bekende te zijn, we zaten vroeger bij elkaar in de klas op de lagere school. We woonden zelfs bij elkaar in de straat en onze moeders waren vriendinnen. Een aspect waar ik, als opgroeiende jongeling, veel last van had.

Maar daarover straks meer in deze kwaliteitscolumn, waarin ik opnieuw een lans probeer te breken voor ‘vanzelfsprekend onderwijs’*.

            ‘Hee Tineke!’, riep ik van ver, toen ik zag dat zij met geen mogelijkheid bij het toetsenbord van de automaat kon, ‘Zal ik je helpen?’

            ‘Graag!’ zei Tineke, zonder om te kijken en zeeg terug in haar stoel, ‘Oh hoi, ben jij het!’

Ik meende in het ‘Oh hoi, ben jij het?’ heel onze schoolperiode terug te horen.

Tineke gaf mij haar bankpas en pincode en vroeg me € 100,00 te pinnen. De lange rij wachtenden achter haar zag een kwetsbare vrouw in een rolstoel, overgeleverd aan de goedheid van een willekeurige voorbijganger – niemand had door dat wij elkaar kenden – en hield de adem in.

Toen de automaat het geld vrij gaf, deed ik alsof ik wilde weglopen. Een luidkeelse ‘Ik ken hem!’ voorkwam dat ik werd opgeknoopt aan de eerste de beste lantaarnpaal.

Op de lagere school waren Tineke en ik verre van vrienden. Zij was een meisje tot diep in haar vezels, bloedirritant en een onverbeterlijke betweter. Zij wist altijd als eerste het antwoord als de meester een vraag aan de klas stelde. Ze wist waar Slochteren lag, ze wist waarom de mestkever zo belangrijk was en wie de Vader des Vaderlands had vermoord. En als Tineke dan gecomplimenteerd werd door de meester, twaalf keer per dag, keek ze vooral triomfantelijk naar mij. Althans, zo voelde ik dat.

We verdachten Tineke ervan de Winkler Prins Encyclopedie ergens in haar rolstoel te hebben verstopt. Of dat zij op haar gehoorapparaat antwoorden binnenkreeg van een of andere geheime dienst.

Tineke had ook het twijfelachtige vermogen zich overal tussen te werpen, met rolstoel en al. Tineke kon vanwege spierspasmen niet lopen. Meer dan eens drong ze voor en duwde ze mij, nietsontziend, aan de kant. Meer dan eens had ik de vellen erbij hangen op beide scheenbenen.

            ‘Verdorie Tineke!’, riep ik dan met tranen in de ogen, als ze weer als eerste naar buiten vloog voor het speelkwartier.

            ‘Klojo!’ riep Tineke, als ik haar tegenhield en parkeerde onder de kapstokken, met de neus naar de muur.

Om daarna in mijn nek gegrepen te worden door de meester.

            ‘Jij gaat dus niet naar buiten, jongeman!’

En kon ik weer strafregels gaan schrijven:

‘Ik mag niet vloeken of Tineke in andermans jassen rijden’ – honderd keer.

            ‘En netjes, denk erom!’

Wrijvend over mijn pijnlijke benen broedde ik op wraak. Zinloos, want op banden leeglaten stond een maand binnenblijven.

Tineke, met heel haar vreselijke meisjeskarakter, kreeg nooit straf.

Dat onze moeders dus vriendinnen waren, maakte het alleen maar erger.

            ‘Ik heb afgesproken dat jij vanmiddag bij Tineke gaat spelen!’, sprak mijn moeder resoluut.

            ‘Maar mam, ik zou vanmiddag gaan voetballen op het schoolplein!’

Een kwartier later dronk ik thee uit een plastic prinsessenkopje, kreeg ik ontbijtkoek met vieze boter en werd ik gesommeerd onze drie kinderen naar bed te brengen.

            ‘Vader,’ zie Tineke op dwingende toon, ‘Het is bedtijd, onze drie kinderen moeten gaan slapen!’

Ik bekeek onze drie kinderen die, ergens in de hoek van de speelkamer van Tineke, op een hoopje lagen. Twee ervan hadden kroeshaar, de derde miste een oog. Het waren plaspoppen, zei Tineke, dus moesten ze een luier om.

            ‘En vergeet niet hun tanden te poetsen!’

Ondertussen ging Tineke ons eten klaarmaken. Als de kinderen op bed lagen, zou ik een heerlijke salade krijgen van paardenbloemen, gras en kiezelsteen.

            ‘Je kan me wat,’ bromde ik opstandig, ‘Ik ga de krant lezen!’

En sloeg een beduimeld Donald Duckje open.

Meestal zette Tineke een dusdanige keel op dat ik vermanend werd toegesproken door haar moeder. En werden de drie kinderen alsnog naar bed gebracht. Zuchtend.

Dat Tineke eigenlijk in een rolstoel zat, kwam ik pas jaren later achter. Dat zij helemaal niet kon lopen en moeite had om haar lijf te controleren, heb ik als kind nauwelijks gezien. De rolstoel had voor mij weinig betekenis, behalve dat Tineke deze gebruikte om te kunnen rijden. Vooral mij in de wielen en hard tegen mijn benen.

Het was voor ons vanzelfsprekend dat we Tineke duwden als zij ergens moest zijn waar ze zelf niet kon komen. Op het plein speelden we als klas samen met elkaar, we waren haar motor als we tikkertje deden of meisjes-en-jongens-vangen. We lachten hard als we de bocht niet konden houden en de bosjes in schoten. In de gangen van de school raceten we samen alsof we in Monaco waren. En als Tineke naar het toilet moest, ging een van ons mee. Omdat dat de gewoonste zaak van de wereld was.

Die ‘gewoonste zaak’ zit zo diep, dat ik maar niet kan wennen aan ‘inclusief’ of ‘inclusiever onderwijs’. In welke hoedanigheid dan ook, kinderen hebben recht op vanzelfsprekend onderwijs, waarin niemand uitgesloten wordt. Omdat dat namelijk vanzelfsprekend is.

En in die vanzelfsprekendheid mag Tineke irritant zijn, een betweter of moeder die vindt dat vader de kinderen op bed moet leggen.

Tineke is namelijk een kind.

* In plaats van het stigmatiserende ‘Inclusief onderwijs’ of het goedbedoelde ‘Inclusiever onderwijs’ – om het ergens enigszins af te zwakken. Zolang we deze terminologie blijven gebruiken, benadrukken we het verschil in al zijn ‘exclusiviteit’.