
Het klinkt zo vertrouwd en menig onderwijsorganisatie hanteert het credo in koersplannen, schoolplannen en op de website:
‘Wij zetten het kind centraal’.
Het is inmiddels zo vanzelfsprekend geworden dat er hele scholen omheen gebouwd zijn.
Wat als dat een denkfout is?
Vorige week, in de tuin en in een klein zonnetje, overviel mij die gedachte en moest ik me vasthouden aan de grote tafel op het terras. Ik was er niet op verdacht. Arie vroeg wat me scheelde, maar ik gaf haar geen antwoord. Enigszins vertwijfeld liep ik terug naar de keuken om uit de koelkast een tweede biertje te pakken. Afblussen, dacht ik, en verder gaan met je leven.
Maar het liet me niet meer los.
Stel je voor dat we bij volle verstand en in volle vaart het kind centraal hebben gesteld en daarvan de gevolgen niet hebben kunnen overzien. Stel je voor dat we in onze goede bedoelingen zijn doorgeschoten en hebben bijgedragen aan groeiend egocentrisme en ongewenste individualisering. Dat het centraal gestelde kind alleen nog maar kan functioneren door externe bevestiging, de immer uitgestoken hand en knikje van de juf of meester. Of van zijn ouders. Dat het kind niet meer anders weet dat het altijd in het middelpunt van de belangstelling staat en ontwikkeling en groei daarop zijn gestoeld. Dat we het kind afhankelijk hebben gemaakt van onze aanmoediging, waardering en onverdeelde aandacht. En dat het zich niet meer waardevol voelt als deze wegvallen.
En zich als zodanig gaat gedragen.
Het ‘kind centraal’ is een decennia-oud devies in het funderend onderwijs. We hebben vele kinderen grootgebracht in dit alom gedachtegoed – deze kinderen zijn inmiddels volwassen koning en koningin geworden. Met veel aandacht voor zichzelf en weinig oog voor de omgeving. We hebben hen grootgebracht op een voetstuk, daar waar de wereld klein is en waarvan niet afgevallen mag worden. Door hen als ‘centraliteit’ te benaderen, hebben kinderen onvoldoende geleerd samen te werken of anderen om hulp te vragen als het even tegenzit. Wij hebben hen onvoldoende eigenstandigheid in balans bijgebracht.
Waarschijnlijk zit ik vreselijk mis en volkomen vast in een nieuwe overtuiging. Onze kinderen groeien heus op als zelfstandige wezens die hun wereld en de onze aankunnen, maken verstandige keuzes en weten waar alles te koop is. Zij brengen zelf balans in hun leven, net als wij destijds dat ook zelf deden.
Toch vertrouw ik het niet helemaal.
Ik denk dat we het kind niet langer centraal moeten stellen, maar vooral zijn omgeving.
En vooral hoe het kind zich verhoudt met zijn omgeving. Dat het wordt geleerd hoe het kind zijn omgeving (klasgenoten, vriendjes in de buurt, thuis, familie, sportclub) betrekt bij zijn ontwikkeling en groei. Als het kind leert zijn omgeving te kennen, is de kans groot dat het opgroeit als een evenwichtig, gesocialiseerd individu – want daar is niets mis mee – dat zich weet in een groter geheel. En dat vervolgens op juiste waarde weet te schatten.
Als ik, peinzend en starend in peilloze dieptes, het tweede biertje bijna op heb, bedenk ik dat ik ongemerkt de kernprincipes van Biesta* aan het reproduceren ben. Ik werd niet overvallen door een verrassende ingeving, maar door een erg late reactie op zijn visie op onderwijs en ontwikkeling.
Teleurgesteld loop ik weer naar de koelkast. Arie kijkt me verbaasd na.
Het kind centraal is levensgevaarlijk voor eigen gemoedstoestand.
* Subjectificatie, socialisatie en kwalificatie in een mooie driehoeksverhouding – lees de vele boeken hierover van Gert Biesta!