Ferdinand

Onlangs werd ik gewezen op een pijnlijk punt.

Iemand vertelde mij dat het werkelijk kommer en kwel was in het onderwijs; althans, zo las zij dat. Wat er ook geschreven werd, wat het onderwerp ook was, er was altijd een ondertoon van misnoegen, van ontevredenheid of van groot onrecht. Tussen de regels door las zij hoeveel het onderwijs tekort werd gedaan, veelal ondervonden en vastgesteld door het onderwijs zelf.

Ik erken dat punt. Al wordt het ons op gouden schalen aangeboden, het smaakt ons niet. Of we zijn in onze eer aangetast omdat het veel te laat is aangeboden, als mosterd na de maaltijd. Uit de poriën van het onderwijs – die van ons dus – sijpelt steevast een groot klagen, een jeremiade die doorklinkt in onze scholen, opgevangen door onze leerlingen en die nagalmt aan vele keukentafels.

Dat het onderwijs in Nederland toe is aan een grondige APK, is waar. Mijn auto, mijn zilveren trots, is ook geregeld toe aan een goede beurt. Maar daarmee verwerp ik het zijn van mijn auto niet, ook niet als daar vele mankementen zijn. Nee, vanuit liefde en trots – want ik houd van mijn ‘Hi-yo, Silver, away! – laat ik de gebreken herstellen.

Hoe je het wendt of keert, onderwijsmensen zijn ‘publieke’ mensen – misschien nu wel meer dan ooit. We worden aan alle kanten bekeken en zijn voorbeelden – nee, rolmodellen! – voor de kinderen die aan ons zijn toevertrouwd. Zij zien in ons de toegang tot de maatschappij van morgen, de toekomst van straks als zij groot zijn en het zelf mogen doen.

Hoe wij ons gedragen is de maat voor de ontwikkeling van hun eigen gedrag. Voor een heel groot deel gaan wij hen voor in hun doen en laten. Zien wij de toekomst zonnig tegemoet, grote kans dat zij positief gestemd met ons meegaan. Lopen wij te weeklagen en slepen wij onszelf de dag door in groot chagrijn en met afhangende schouders, onze kinderen kopiëren dat en worden er niet vrolijker van.

Natuurlijk, we hebben grote zorgen en een brandende wereld te blussen. We zien nog niet het licht aan het einde van de tunnel, maar dat ontslaat ons niet van de opdracht lichtende voorbeelden te zijn voor elkaar en vooral voor onze kinderen.

Enkele weken geleden vroeg een beleidsmedewerker van de PO-Raad hoe ik het onderwijs over vijf jaar zag. Ik hoefde niet lang na te denken:

‘Over vijf jaar zijn we er leuker op geworden!’

Ik merk het aan mezelf; van tijd tot tijd heeft mijn inner-zeiksnor de overhand. Hoe langer ik ‘meeloop’ in het onderwijs, hoe groter het risico dat ik cynischer word. Want ik heb het allemaal al een keer meegemaakt. Ik moet vreselijk oppassen dat ik niet een zelfingenomen betweter word – als ik het al niet ben – een klager, die als Calimero zijn kleine wereld benadert. Die alles aangedaan wordt, die dat vervolgens overbrengt op andere mede-klagers en samen als wolven huilen naar de maan.

Want die heeft het gedaan.

Als ik niet meer in staat ben de verantwoordelijkheid te dragen als onverbeterlijke optimist, ben ik in het onderwijs uitgewerkt. Dan ben ik als onderwijsmens klaar en niet meer van enige meerwaarde.

Als ‘note to myself’ in neonletters en oproep naar al mijn gewaardeerde collega’s:

wees bewust van de rol die je hebt, dag in dag uit. Wees bewust van de toon in het woord, wees bewust van je houding, je gebaren en werp af al het beklag als een versleten mantel. Gooi het weg, verbrand het.

We hebben nog een hoop te fiksen, maar dat doen we vanuit liefde en trots – buiken in, borsten vooruit, neus in de wind. We doen op constructieve wijze, positief en zelfbewust en met een grote glimlach. Hoe zwaar het soms ook kan zijn.

We moeten er echt leuker op worden!