
Ik zeg het wel vaker tegen mijn vrouw: “Op verjaardagen of vakanties verzin ik vaak een andere baan. Timmerman, bijvoorbeeld. Niet omdat ik me schaam – integendeel – maar om het gesprek te ontlopen dat meestal volgt: “Nou, wat een baan heb jij, met die ouders van tegenwoordig!”
Laatst nog, op een zondagmiddag. Ik zat lekker in de tuin toen de buurman met zijn zoon langskwam. Die zoon zit in het eerste jaar van de pabo. We raken aan de praat en hij zegt: “Niet normaal hoe ouders reageren. Alleen al de manier waarop ze keken tijdens het oudergesprek… totaal geen respect.” Nog geen week later help ik een vriend verhuizen. Tijdens de koffie begint het weer: “Curlingouders, hè? Alles weghalen voor hun kind, nergens meer grenzen.” En waar die verhalen vandaan komen? Meestal van horen zeggen, van iemand die in het onderwijs werkt: “Mijn zus werkt op een school – als je hoort wat zij meemaakt…”
En ik? Ik probeer het te nuanceren. Vertel dat het ook anders kan. Dat leraren daar niet altijd goed op worden voorbereid. Dat ik er al jaren onderzoek naar doe. Maar eerlijk? Dat helpt zelden. Ik ben óf wereldvreemd, óf te theoretisch bezig, óf gewoon… niet realistisch.
Maar hebben ze ongelijk? Nee, zeker niet. We zijn met z’n allen flink assertiever geworden. We willen vooral gelukkig zijn, en verwachten dat onze omgeving daaraan bijdraagt. Maar dat geldt niet alleen voor ouders. Soms sta ik ook te kijken van wat leerkrachten zeggen of verwachten. Dingen die ik in 1990, toen ik begon voor de klas, nooit had durven zeggen. Ik verbaas me over leerkrachten die na mijn presentatie reageren met: “Tsja, niets nieuws,” terwijl ik net de meest recente onderzoeksgegevens heb gedeeld.
En natuurlijk zijn ouders feller. Logisch: het gaat over hún kind. Zoals een schoolleider me vanochtend zei: “Ouders hebben het recht om tot in het onredelijke voor hun kind op te komen.” En ja, er zijn écht lastige ouders. Ik kom ze tegen, zeker als ik mag bemiddelen. Maar geloof me: er zijn ook lastige leraren. En directeuren. Soms moet ik op eieren lopen tijdens trainingen. En als het dan tóch lukt… als ik verbinding houd, weerstand overbrug, en zelfs een glimlach ontfutsel bij de grootste scepticus… dán rijd ik naar huis met een brede grijns. Trots. Want eerlijk? Ik vind mijn werk fantastisch.
Wat als we dat wat vaker hardop zouden zeggen? Wat als we binnen onze teams en opleidingen vol trots uitdragen dat we met ouders mogen samenwerken? Wat als we op diezelfde verjaardagen en vakanties zeggen: “Weet je wat ik misschien wel een van de mooiste aspecten vind van mijn werk? Het contact met ouders. Juist als het spannend wordt, en het lukt.” Zouden ouders zich dan anders gaan gedragen? Zich meer gezien voelen, en minder snel op de barricaden klimmen? Ik denk van wel.
En dan hoef ik op feestjes niet meer te zeggen dat ik timmerman ben, hoewel ik stiekem ook wel wat jaloers ben op de creativiteit en vakmanschap van een goede timmerman.