De verbazing van een ‘boomer’**

Afgelopen vrijdag, ergens bij het koffieapparaat, tussen allerlei belangrijke overleggen over heel belangrijke dingen, hoorde ik voor het eerst over de ‘Moestuincoördinator’. Van schrik drukte ik twee keer op ‘cappuccino’ en zocht ik naarstig naar een vaatdoekje.

Moestuincoördinator.

Soms is het leven als het kuieren door de winkelgangen van de Action, je komt altijd iets tegen waarvan je niet wist dat je het zo node hebt gemist.

                ‘Je kunt er subsidie voor krijgen,’ was de volgende slag bij heldere hemel.

                ‘Sorry?’ antwoordde ik schor en veegde de cappuccino-vlokken uit mijn snor.

En ineens zag ik een prachtige school voor me, in een mooie wijk van een zelfbewuste stad. Een school met een geaccidenteerd speelterrein, waar je als kind niet kon spelen zonder een smerige broek te krijgen. Waarop hutten gebouwd werden, waar nog met stokken gejaagd werd op grote olifanten en sabeltandtijgers.

En om dat speelterrein heen zag ik vele moestuinbakken***, waarin bessen groeiden. Waarin kruiden werden geteeld voor smaakvolle gerechten en verantwoorde thee. Ik zag bakken waarin vergeten groenten opkwamen als pastinaak, rettich, aardpeer en koolrabi.

Ik zag kinderen onkruid wieden met hun tong uit de mond, ik zag leerkrachten met kruiwagens en zweet op hun voorhoofd. Het was een gekrioel dat het een aard heeft. Iedereen liep door elkaar en deed maar wat. Was de maïs net geplant door leerlingen uit groep 6, even later werd het al geoogst door de kinderen uit groep 2. Was de stagiaire van groep 3 net de sla aan het verstuiven met een waterslang, draaide de conciërge de kraan dicht. Want ja, de ramen moesten ook gewassen worden.

Midden in het hele gebeuren zag ik de directeur, heel aandoenlijk, met brede armgebaren de boel proberen te redden. Niemand zag haar, niemand hoorde haar. Ondertussen brachten de jagers het aangeschoten wild binnen: een mammoetkalf en een reuzenhert. Ze hadden dorst en wilden even gaan zitten. Jagen gaat je niet in de koude kleren zitten.

De juf van groep 7 vroeg zich ineens hardop af – en met dragende stem – of er wel voldoende was stilgestaan bij de Dag van het Kraanwater. Ze legde haar schoffel neer, stapte over drie harken en liep met een rood hoofd naar binnen.

Terwijl ik al die levendigheid bekeek, kwam een onbekende man zich voorstellen.

                ‘Goedemorgen, ik ben Stijn, vader van Karlijn en aanspreekpunt van de werkgroep ‘Vaders van de bankjes op het schoolplein’. Wij doen onder andere het onderhoud ervan.’

                ‘Goedemorgen,’ zei ik en ik gaf hem een hand.

                ‘We wilden vanmorgen de bankjes doen, maar ik zie dat de Moestuin-commissie onze mail niet heeft gelezen.’

                ‘Ah!’ zei ik, ‘Dat is niet handig.’

                ‘Nee, inderdaad. We hebben allemaal een vrije dag opgenomen om alle schroeven aan te draaien, de bankjes op te schuren en opnieuw in de bootlak te zetten.’

Ik knikte invoelend.

                ‘Kan ik de Moestuincoördinator spreken?’ vroeg de vader, terwijl hij naar de moestuinbakken keek.

                ‘Natuurlijk!’

De koudgeworden cappuccino haalde me uit mijn diepe overpeinzingen. Ik keek om me heen en zag dat iedereen alweer naar het volgende overleg was gegaan. Ik stond alleen bij het koffieapparaat.

Terwijl ik een nieuwe koffie nam, nam ik me voor werk te maken van de ‘moestuincoördinator’.

Dit kon zo niet langer.