
Van de zomer mogen we naar Zweden, lekker kamperen met het gezin. Ik kijk er nu alweer naar uit. Een veld vol caravans en tenten is net een live-soap over ouderschap. Ik hoef alleen maar mijn stoel uit te klappen, te gaan zitten met een kop koffie en het commentaar rolt ongemerkt over mijn lippen: “Laat dat kind het nou zélf oplossen!” Of: “Die ouders letten nergens op.” En mijn persoonlijke favoriet: “Als ik die ouder was, had ik allang ingegrepen.”
Op de camping ben ik schaamteloos. Ik observeer, duid en trek conclusies. Allemaal gebaseerd op tien minuten kijken vanaf plek 42. Ik ken het verhaal niet, maar mijn mening staat stevig overeind – net als onze daktent. En terwijl ik me daar van de zomer alweer helemaal zie zitten, dringt het ineens tot me door: zo gaat het dus op school ook. Ook dan heb je zo’n kleine groep ouders die vaak belt of mailt. Zo’n groepje dat het altijd beter weet én je precies kan vertellen hoe het allemaal zou moeten. Ouders die zorgen baren, die tijd kosten en gesprekken domineren. We hebben het erover in de teamkamer, tijdens een directieoverleg en soms zelfs in beleidsstukken. We noemen ze ‘lastig, ‘veeleisend’ of ‘niet constructief’. We plakken labels en strooien met oordelen net zo makkelijk als ik dat doe vanuit mijn luie stoel op de camping.
Wat we daarbij in het onderwijs opvallend goed kunnen, is: invullen. Wat we van ouders verwachten, wat hun bedoeling is en hoe het contact zou móéten verlopen. Maar begrijpen we elkaar eigenlijk wel? Vanuit school denken we in groepen, structuren en professionele afstand. Logisch. Ouders denken in één kind. Hun kind. Met emoties, ervaringen en soms een rugzak vol eigen schoolgeschiedenis. Dat botst weleens. En eerlijk is eerlijk: dat kan heel ingewikkeld en vermoeiend zijn. Net als op de camping zie je ook op school maar een fragment van de werkelijkheid. Je ziet gedrag, geen context. En toch trekken we ook als schoolleiders onze conclusies snel. Handig ook, want het scheelt tijd. Maar het kost je de relatie. Misschien moet de vraag niet zijn: ‘hoe krijgen we ouders mee?’ Maar: hoe nieuwsgierig ben jij nog naar wat ouders drijft? Praten we mét of over ze?
Ook tijdens de zomervakantie gaat het gesprek met mij vast weer over ‘die ouders’. Maar ik ga proberen iets vaker te denken: ‘ik zie ze nu tien minuten, niet hun hele verhaal.’ Dat lijkt me een gezonder vertrekpunt, stel ik heel verstandig vast, terwijl ik zuchtend opsta uit mijn klapstoel en naar mijn eigen kinderen sjok. Want over het taalgebruik dat uit die daktent schalt, vinden andere ouders vast ook iets.